Getuigenissen aangaande
Jezus buiten het Nieuwe Testament
G.A.
VAN DEN BERGH VAN EYSINGA
GODSDIENST-
WETENSCHAPPELIJKE STUDIËN VI S.
36-56
Aan de nagedachtenis van mijn diepbetreurden
oud-leerling Dr L. van Liempt, † 9 Juli 1949.
In de studiegroep, die mijn naam draagt en velen van mijn oud-leerlingen
en leerlingen op gezette tijden samenbrengt, heeft mijn hooggeschatte
oud-leerling Dr L. van Liempt, Conrector van het Vossius-gymnasium te
Amsterdam, op mijn verzoek, 15 Juni 11. gesproken over niet-Christelijke
getuigenissen aangaande Jezus. Wie van ons heeft toen kunnen vermoeden,
dat deze 55-jarige geleerde ruim drie weken na dien dag aan onze groep
zou ontvallen? Afkomstig uit een Brabantsen Katholiek milieu was hij
bestemd, geestelijke te worden. Tijdens zijn studie op het Seminarie
kwam hij tot het inzicht, niet langer in de Roomsch-Katholieke Kerk te
passen en ging in Utrecht Oude Letteren studeeren, waar hij in de jaren
1917—’19 mijn getrouwe hoorder was en een vriendschapsverhouding
tusschen ons ontstond, waaraan ik dankbaar terugdenk, gelijk ik bij zijn
crematie op 13 Juli 11. heb mogen getuigen.
Was mijn aanvankelijk plan, toen ik in de Junidagen na onze bijeenkomst
dit artikel schreef, hem dit vóór het afdrukken nog te laten lezen, nu
dit niet heeft mogen zijn, laat ik het onveranderd, slechts verrijkt met
de opdracht en dezen aanhef, verschijnen. Ons verschil van gevoelen in
wat een bijzaak voor ons beiden was, moge ten bewijze strekken, dat de
eensgezindheid ten opzichte van ons onafhankelijk wetenschappelijk
beginsel geen stijve eenvormigheid beteekent.
In een breede belangwekkende inleiding betoogde Dr v. L., dat Josephus,
noch Tacitus, noch Plinius, noch Suetonius, evenmin als evangeliën en
Paulusbrieven, iets
36
bewijzen voor het bestaan van een historischen mensch Jezus. Treffend
heeft hij zijn gehoor doen beseffen, dat het stilzwijgen van Philo en
Seneca over het evangelieverhaal, waarvan zij toch tijdgenooten zouden
zijn geweest, gevoegd bij het stilzwijgen van een eeuw over de dingen,
die toch niet in een uithoek, maar in een Romeinsche provincie zouden
geschied zijn, ons tot radicale gevolgtrekkingen dwingt.
Tot zoover ging ik geheel met den spreker accoord. Maar verder heb ik op
verschillende gronden met Dr v. L. van gevoelen moeten verschillen. De
radicale opvattingen, die hij aangaande het ontstaan van het Christendom
huldigde waren namelijk zijns inzien onafhankelijk van de onechtheid der
dikwijls onecht verklaarde niet-Christelijke getuigenissen. Bij de
behandeling daarvan heeft hij met name zijn vakgenoot, den beroemden
EDUARD NORDEN bestreden, die de berichten van Josephus en Tacitus
indertijd aan een uitvoerige critiek onderwierp en hun echtheid vooral
op grond van hun onjosephisch en ontaciteïsch spraakgebruik heeft
verworpen.1 Dr van
liempt was van een ander gevoelen, al liet hij voor een enkel
detail norden’s opmerking
wel gelden. Ook de andere berichten, die naast Josephus’ Oudheden
XVIII 3, 3 en Tacitus’ Jaarboeken XV 44 langen tijd in discussie
zijn geweest: Suetonius’ Leven der Caesars, Claudius 25, 3 en
Nero, 16, 3, alsmede Plinius’ Brieven X 96 v., achtte Dr
van liempt echt en ter plaatse, waar zij staan, te handhaven;
zij geven echter slechts vage en verwarde mededeelingen aangaande een of
andere met den naam Christus verband houdende secte, die er, tijdens
Josephus, den oudsten getuige, + 95 al moet geweest zijn. Is men
tegenwoordig onder philologen eenstemmig ten aanzien van de echtheid
dezer teksten; Dr van liempt
gaf
1
Vgl. „Neue Jahrbücher für das klassische Altertum”, 1913, S. 637—666.
Norden’s commentaar op Vergilius’ Aeneïs VI verblijdde mij o.a.
omdat het een bevestiging van het Stoicijnsch karakter van Aeneïs VI
724—751 bevatte, dat ik in het Leidsche „T.T.“ 1903, blz. 426—’39,
vrijwel gelijktijdig had betoogd. Aan zijn „Agnostos Theos“ wijdde ik
een artikel in „N.T.T.“ 1914, blz. 151—166; zijn „Geburt des Kindes“
besprak ik „N.T.T.“ 1924, blz. 401—403.
37
aanstonds toe, dat dit niet veel zegt. Verklaring vindt dit feit in het
algemeen verzwakte critisch vermogen van onzen tijd, waarover onze
Huizinga reeds klaagde en Albert Schweitzer nog klaagt. Dr
van liempt behoefde zich,
wat ik nu ga zeggen, niet aan te trekken, want opzettelijk en nauwgezet
heeft hij het spraakgebruik, taal en stijl van de hier in aanmerking
komende schrijvers onderzocht; toch meen ik te mogen zeggen: over het
algemeen kiezen philologen wat de Oudchristelijke wereld betreft, den
weg van den minsten weerstand. Zij laten zich liefst leiden door
haRnack, een man van niet
onverdiende reputatie, maar die zelf den terugkeer tot de traditie der
Kerk als karakteristiek van zijn levenswerk heeft aangegeven. Zij weten
niet, dat er ook critischer geesten dan HARNACK de Oudchristelijke
letterkunde hebben beoefend en tot tegenovergesteld resultaat zijn
gekomen; de theologen van één a driekwart eeuw geleden waren sterker in
het onderscheiden dan de tegenwoordige generatie. Zelfs
eduard norden, die nu al
hypercritisch wordt geacht, wist in 1924, toen ik hem, naar aanleiding
van een schimpscheut tegen de Radicalen in zijn Geburt des Kindes,
schreef, niets van de Nederlandsche radicale critiek af. Toen ik hem
mijn Duitsche boek daarover van 1912 toezond, antwoordde hij mij1,
slechts arthur drews’
astraaltheologische evangelieverklaring bedoeld te hebben; „Ich hatte
von der Existenz dieser (d.h. hollandischen) radikalen Kritik des N.T.
keine Ahnung”.
Met dit mijn opstel bedoel ik, mijn in de bovengenoemde bijeenkomst
slechts aangestipte bezwaren tegen de echtheid der genoemde
getuigenissen meer in den breede toe te lichten. Ik ben mij bewust,
hiermede niet veel nieuws te produceeren en erken dankbaar de meeste
gegevens aan de scherpzinnigheid van anderen te hebben ontleend. Moge ik
volstaan met het noemen van twee namen: Allard Pierson en Arthur Drews.
Was de eerste de grondlegger van onze Nederlandsche radicale critiek, de
laatste heeft nog wel iets anders gedaan dan astraaltheologische evange-
1
d.d. 27 Oct. 1924. Vgl. „G.S.“ V, blz. 28 v.v., in het bijzonder blz.
33.
38
lieverklaring geven en verdient nog altijd gelezen te worden. Hoorden
wij niet, dat Bultmann dat ook vond, toen hij
eduard meyer kennismaking
met drews’ werken aanried
om van zijn achterlijke voorstellingen op Oudchristelijk gebied te
worden genezen?1
Over het idioom van Josephus en eventueele afwijkingen daarvan in
Oudheden XVIII 3, 3 weid ik niet uit. Met
robert eisler meen ik, dat
een Christenmonnik, nadat hij zeventien boeken van Josephus heeft
overgeschreven, zich wel zóó in diens spraakgebruik kan hebben
ingeleefd, dat hij een eigen hoofdstukje in Josephischen stijl vermocht
te schrijven, - al was het dan niet geheel zonder fouten. Ik zal
mij hoofdzakelijk tot den inhoud der teksten bepalen, dien ik
telkens zooveel mogelijk in letterlijke vertaling weergeef.
Jos. XVIII 3, 3: „In dien tijd leeft Jezus, een wijs man, als men hem
tenminste een man mag noemen; want hij was een dader van wonderbare
werken, een leeraar van menschen, die met vreugde de waarheid aannemen,
en zoowel vele Joden, als ook velen uit het Grieksche volk won hij voor
zich. De Christus was deze; en toen Pilatus hem, op aanwijzing van de
eerste mannen ten onzent, tot het kruis had veroordeeld, zijn zij, die
hem het eerst lief hadden, hiermede niet opgehouden. Want hij verscheen
hun den derden dag wederom levend, daar de goddelijke profeten dit en
tallooze andere wonderlijke dingen over hem hadden gezegd; tot op heden
ontbreekt de stam van de Christenen, die naar hem genoemd zijn, niet.“
Allen zijn het er over eens, dat wat aan deze plaats voorafgaat en wat
er op volgt, goed bij elkander aansluit, wanneer men de paragraaf, die
in het geding is, uitlicht. Dan krijgt men namelijk een doorloopend
verslag van thoryboi, opstootjes, vijf in getal. Dit woord
ontbreekt juist in de onderhavige pericoop ten eenenmale, ja zelfs een
synoniem daarvan. Brengt § 2 een verhaal over de verontwaardiging der
Joden, toen Pilatus „het heilige
1
„G.S.“ V, blz. 65. 2 „Jèsoes Basileus oe basileusas“. Heidelb
1929, I S. 46 f.. Vgl. mijn bespreking van dit boek in „N.T.T.“ 1929,
blz. 363.
39
geld“ van den tempelschat had gebruikt om de Jeruzalemsche
watervoorziening te financieren, met het gevolg, dat een groot aantal
Joden, oproerlingen en niet-oproerlingen door Pilatus’ soldaten werden
gedood; § 4 begint dan weer aldus: „Omstreeks denzelfden tijd bracht ook
een ander vreeselijk ding de Joden in onrust“. Men ziet, dat dit
volmaakt goed aansluit bij de laatste woorden van § 2: „zoo was er een
eind gemaakt aan den opstand“.
Nu zou een bericht over Jezus leven, met name over de tegen hem gevoerde
procedure en over zijn kruisiging, vooral over zijn opstanding
desnoods, een schrijver aanleiding kunnen geven om daar iets van een
opstand in te vinden. Maar onze schrijver zinspeelt daarop in geen
en deele. Het ongelijksoortig karakter van het tusschenstaande bericht
wekt derhalve al aanstonds bevreemding. Doch interne critiek begrijpt,
dat een Jood van Jezus niet kon zeggen: „een wijs man, als men hem
tenminste een man mag noemen“. Daarentegen ligt het voor de hand, dat
een Christelijk copiïst bij den Joodschen grooten geschiedschrijver
noode iets over zijn Heiland miste. Uit den aard der zaak kwam hij bij
voorziening in de leemte voor de moeilijkheid te staan: hoe den Jood te
laten getuigen op een wijze, die toch ook nog voor het positieve
Christelijk geloof iets afwierp. Josephus mocht dus geen schimpscheut of
spotternij zeggen, maar iets dat van een gematigde waardeering getuigde.
Had de afschrijver modern-litteraire opvattingen gehuldigd, dan zou hij
niet alleen de taal van Josephus hebben nagebootst,1 maar ook
den inhoud van diens mededeeling wel, naar diens aard van levenslang
overtuigd-Jood geblevene, beter pasklaar hebben gemaakt, door hem een
min of meer objectief oordeel onder te schuiven. Wij begrijpen
echter, dat een geloovig Christen (Josephus’ historiewerk is slechts
bewaard gebleven dank zij de belangstelling daarvoor juist onder
Christenen2), wij begrijpen, dat een Christen in deze ééne
pericoop Josephus wel niet volmaakt Christelijk kon laten
1
Wilamowitz Möllendorf noemt deze in „Kultur der Gegenwart“, 3.
Aufl. Lpz. Berlin 1912, S. 246 „matt und zerflossenes Griechisch“. 2
a.a.O., S. 245.
40
spreken, maar toch evenmin kon nalaten, hem min of meer ten bate van
het Christendom te doen getuigen.
Merkwaardig, dat op een enkele uitzondering na (ik noemde reeds
harnack en voeg er CRAWFORD
burkitt aan toe),
theologen de bedoelde passage als een invoegsel hebben herkend, of
haar althans in dezen vorm, niet als echt hebben kunnen aanmerken. Zoo
J. H. scholten, VOLKMAR,
schürer, joh. weiss, weinel.
Zoo is ook van R. K. zijde wel geoordeeld. Het feit, dat de
Joodsche schrijver aarzelt, Jezus een man te noemen, wijl hij in hem den
wonderdoener en leeraar, ja den Christus ziet, vormt een krachtig
argument tegen de integriteit van dit Jezusgetuigenis, dat zelfs niet
door het scherpzinnigste philologische taalonderzoek kan worden
weerlegd.1 Immers wonderdoener en leeraar zijn
juist de twee belangrijkste functies, die de Christen vanouds zijn
Heiland toeschrijft. Hij leert en geneest (Mt. 4 : 23, vgl. 9 : 35; 11 :
1). In de kanonieke evangeliën heet hij 41 maai leeraar. De typische
Christelijke belijdenis: „Jezus is de Christus“ kan toch onmogelijk door
een geloovigen Jood zijn neergeschreven. Origenes - heeft dan ook
uitdrukkelijk verzekerd, dat Josephus niet in Jezus als den Christus
heeft geloofd. Hieronymus heeft door onzen tekst te vertalen met: „men
geloofde, dat hij de Christus was“ de moeilijkheid al te simplistisch
opgelost, maar toch wel degelijk beseft.
norden heeft de woorden als
een predikingsformule van de Christelijke doxologie herkend3.
De Joodsche hoogleeraar aan de Universiteit te Jeruzalem
josef klausner moet
natuurlijk erkennen, dat de Joodsche auteur Josephus Jezus onmogelijk
den Christus (Messias) heeft kunnen noemen en hem evenmin voor uit de
dooden opgestaan kan hebben verklaard; dat hij evenmin kan geschreven
hebben, dat de goddelijke profeten dit aangaande hem met nog tallooze
andere dingen hadden voorspeld.
klausner wil echter de rest aan Josephus toekennen en maakt de
opmerking: „geen Christen zou Christus een wijzen man genoemd hebben en
dat daarop
1
Eduard Meyer, overigens allesbehalve radicaal, heeft de echtheid
van onze plaats prijsgegeven. 2 Tegen Celsus I 47. 3
Vgl. Mt. 16 : 20; Lc. 23 : 35; Joh. 7 : 26.
41
weer half hebben teruggenomen door te zeggen: als men hem een man mag
noemen“. Blijkbaar heeft klausner
hier den tekst misverstaan. In het tweede lid wordt allerminst
half teruggenomen, wat in het eerste gezegd was. De verlichte,
helleniseerende Josephus kon desnoods van Jezus als van een wijs
man spreken, — er waren onder Israël toch ook wel wijzen bekend! — maar
hij kon onmogelijk twijfelen ten aanzien van het mensch-zijn van
een zekeren Jezus. Dat kon slechts een Christelijk interpolator, die
onder het mom van den „Jood“ schreef en daarom Jezus „een wijs man“ liet
noemen, doch de gedachte aan den Godmensch der Kerk toch niet kon
onderdrukken en nu Josephus iets onmogelijks in den mond legde. Meent
klausner voorts, dat een
Christen de discipelen niet zou betiteld hebben als „die hem
liefhadden“, dan vraag ik: waarom niet? Is dit niet een in het vierde
evangelie gangbare uitdrukking? 1 Ten slotte meent de
moderne Josephus, genaamd klausner, dat een Christen de Christenen niet als phylon
zou hebben betiteld. Weer vraag ik: waarom niet? Dit woord duidt
menschen aan, die tot een zelfde soort behooren; synoniem is het met
„geslacht“ (= genos), dat als „uitverkoren volk“ telkens voorkomt.2
Evengoed Christelijk, immers Nieuwtestamentisch, luidt de term: „die de
Waarheid met vreugde aannemen.“ 3
Niet bepaald Joodsch kan ik het denkbeeld vinden, dat Jezus den derden
dag na zijn kruisiging zou zijn verschenen aan hen, die hem hadden
liefgehad. Dit „ten derden dage“ behoort, evenals Pilatus, tot de
Apostolische Geloofsbelijdenis, en het is met den predikenden en
wónderdoenden man, dien men aarzelt een man te noemen — omdat hij toch
eigenlijk God is! — en met de beminnaars van Jezus Christus, die de
Waarheid met vreugde aannemen, een krachtig bewijs voor de Christelijke
herkomst van dit Josephusgetuigenis. Maar het zwaarst wegende argument
vormt wel wat gezegd wordt van goddelijke profeten, die Jezus’ levenslot
en wonderwerken hebben
1
Vgl. Joh. 8 : 42; 14 : 15, 21, 23 v.; 21 : 15 v.. * Vgl. l Pe. 2 : 9;
Diogn. 1; Mart. Pol. 14 : l, 17 : 1. 3 Vgl. Lc. 8 : 13: het
Woord met blijdschap aannemen; Hand. 17 : 11, Jac. l : 21.
42
voorspeld. Wie herkent hier niet duidelijk de zuiver Katholieke leer
van de continuïteit van Oud en Nieuw Testament?
In het voorbijgaan nog een enkel woord over een andere plaats in
Josephus (XX 9, 1). Daar wordt verteld van een hoogepriester Ananos, die
na den dood van stadhouder Festus gebruik wilde maken van de
omstandigheid, dat diens opvolger Albinus nog niet was aangekomen, het
Sanhedrin van rechters bijeenriep en daarvoor „den broeder van Jezus,
genaamd Christus“ bracht, „Jakobus was zijn naam“, en sommige anderen,
die hij als tegenstanders van de Wet aanklaagde en gesteenigd wilde
hebben. De fatsoenlijkste burgers in de stad waren hierover
verontwaardigd en riepen de hulp van koning Agrippa hiertegen in. Ook
waarschuwde men Albinos, den nieuwbenoemden stadhouder, wiens besluit
noodig was geweest om een vergadering van het Sanhedrin te beleggen;
Albinos schrijft aan Ananos een boozen brief met strafbedreiging. Koning
Agrippa ontneemt Ananos de hoogepriesterlijke waardigheid en stelt in
diens plaats Jezus aan, den zoon van Damaios.
De woorden „Jakobus, den broeder van Jezus, genaamd Christus“ zijn
verdacht. Hun echtheid staat en valt met XVIII 3, 3. Origenes 1
weet er al weer niet van; wel bericht hij, dat de val van Jeruzalem in
70 door Josephus alsjstraf voor de Joden is voorgesteld omdat zij
Jakobus gedood hadden. Wat in onzen Josephus niet staat: wel een
bewijs, dat men al vroeg aan den tekst van Josephus heeft gedokterd om
hem een beetje naar Christelijke behoefte aan te vullen. Mij komt het
niet onwaarschijnlijk voor, dat er ter plaatse van een Jezus sprake is
geweest, maar dan van denzelfden, die ook aan het eind van de paragraaf
als Jezus, zoon van Damaios vermeld staat. Als het overmoedig optreden
van den hoogepriester Ananos tegen den broeder van dezen Jezus
Damaioszoon, gestraft wordt met ontzetting uit het hooge ambt, mag deze
Jezus de plaats
1
Comm. in Mt.
X
17 op Mt. 13 : 55; contra Celsum I 47 en
II
13. Eusebius H.E.
II
23, 20 heeft het bericht in Josephus net zoo als Origenes gelezen.
43
innemen, die Ananos door zijn handelwijze had verspeeld. Ik kom tot
Tacitus, Ann. XV 44.1 Het hoofdstuk luidt, nadat in c.
38 v.v. over den brand van Rome in het jaar 64 is gesproken, en in het
begin van c. 44 over menschelijke hulpverleening en over pogingen om den
manifesten toorn der goden te verzoenen: „Maar noch menschelijke
hulpmiddelen, noch mildheid van den vorst, noch zoenoffers aan de goden
vermochten iets tegen het booze gerucht, dat men geloofde: de brand is
op bevel gesticht. Dus heeft Nero om dit gerucht den kop in te drukken,
beschuldigden ondergeschoven en die de uitgezochtste straffen doen
ondergaan, en wel hen, die om hun misdaden gehaat waren en door het volk
gewoonlijk Christenen werden genoemd. Die naam dankt zijn oorsprong aan
Christus; deze was onder de heerschappij van Tiberius door den landvoogd
Pontius Pilatus terechtgesteld. Het verderfelijk bijgeloof, voor het
oogenblik onderdrukt, brak opnieuw uit, niet alleen in Judaea, de
bakermat van dit kwaad, maar ook in Rome, waar alles wat gemeen of
schandelijk is van alle kanten samenstroomt en aanhang vindt. Derhalve
werden eerst gegrepen, die bekenden (fatebantur) ; vervolgens
zijn, op hun aanwijzing, een ontzaglijke menigte schuldig verklaard,
niet zoozeer om het misdrijf van brandstichting als wel om hun haat
jegens het menschelijk geslacht. En den ten verderve gewijden zijn
smaadheden toegevoegd, dat zij, met vellen van wilde dieren bedekt, door
den verscheurenden beet van honden om het leven kwamen, of aan het kruis
gehecht of in een brandend kleed gestoken, en dat zij, als de dag
voorbij was, bij wijze van nachtelijke verlichting bleven branden. Zijn
eigen tuinen had Nero voor dit schouwspel ter beschikking gesteld en hij
gaf een circusvertooning, waarbij hij zich in het kleed van een
wagenmenner onder het volk mengde of op een wagen stond. Zoo kwam het,
dat, ofschoon het schuldigen gold en menschen, die uiterst voorbeeldige
straffen hadden verdiend, er medelijden ontstond, alsof zij niet in het
publiek belang, maar ter bevrediging van de wreedheid van één enkele
moesten sterven.“
1
Editie Karl Nipperdey, Lpz. 1852,
II
p. 180 sq..
44
Men kan bij franklin ARNOLD1 een staalkaart vinden van alle
moeilijkheden, die deze tekst oplevert. Wel tracht deze geleerde ze alle
weg te werken; toch moet hij rhetorische overdrijving erkennen en acht
hij het gebeurde van zeer voorbijgaande beteekenis en niet van belang.
De oude astronoom dupuis
heeft al ingezien, dat voor de historiciteit van Jezus hier niets te
halen valt; integendeel ! de naam Jezus wordt niet eens genoemd, slechts
Christus, een cultische aanduiding; had Tacitus over de Brahmanen
gesproken, dan had hij in het voorbijgaan evengoed kunnen zeggen: „hun
naam komt van Brahma, die in Indië heeft geleefd“.
Intusschen hebben wij wat de plaatsing van het stuk betreft, hetzelfde
verschijnsel te constateeren als bij Josephus. Loopt c. 43 over de
verbouwing van Rome, c. 45 zet dat thema voort: Nero herbouwde op
grootsche wijze met enorme kosten en kwam aan het geld door de
provincies, de bondgenooten, de vrije staten, heiligdommen, ja zelfs
goden uit te zuigen en te plunderen. Leest men nu c. 44 tusschen c. 43
en c. 45 in, dan is er geen aanknoopingspunt, waarop dat intusschen
(interea) zou kunnen worden betrokken. In den overgeleverden tekst
krijgen wij dus de zonderlinge volgorde: Nero verbrandde de Christenen,
het volk had medelijden met hen, — intusschen werd het Rijk
uitgeplunderd. NIPPERDEY wees er op, dat hier de uitdrukking humamum
genus wordt gebruikt, terwijl Tacitus overal elders genus humanum
zegt; ook leveren de woorden odio humani generis een hiaat
op. De volgorde humani generis vinden wij ± 200 bij Tertullianus,
die getuigt, dat in zijn tijd de Christenen er van werden beschuldigd,
vijanden van het menschdom te zijn. Ten tijde van Nero was daarvan nog
geen sprake. Tacitus zegt hetzelfde elders van de Joden; „tegenover alle
vreemden met vijandigen haat bezield“ noemt hij hen (Hist.
IV
5).2
Als op brandstichters zal op de Christenen de straf van verbrand te
worden zijn toegepast. Was echter tijdens
1
„Die neronische Christenverfolgung“, Lpz. 1888. 2 Vgl. l
Thess. 2 : 15 v.: de Joden behaagden Gode niet en waren allen menschen
vijandig.
45
Nero doodstraf door vuur gebruikelijk? En toch worden zij niet wegens
brandstichting veroordeeld; hun medeplichtigheid aan den brand kon niet
worden bewezen, al hadden zij zelf een bekentenis afgelegd! Een hoogst
eigenaardige vorm van rechtspraak: menschen bekennen schuldig te staan
aan den brand; toch konden zij niet als medeplichtigen worden
veroordeeld; niettemin werden zij als brandstichters terechtgesteld.
Waartoe? Opdat hun haat jegens het menschdom voorbeeldig zou worden
gestraft. Is dat dan voor een rechtbank een strafbaar feit? Heet eerst
de naam Christenen een uitvinding van het gemeen, dadelijk daarop heet
het, dat hij van Christus komt.
Waarschijnlijk dankt het verhaal van die menschen als levende fakkels in
den nacht zijn oorsprong aan een verbeelding, die door de lectuur van
Christelijke martelaarsgeschiedenissen was verhit. Dat er trouwens
zooveel Christenen ooit den marteldood zouden gestorven zijn, is vrome
fantasie, waarmee Origenes’ getuigenis1 in strijd komt: „het
aantal dergenen, die om hun geloof den dood hebben ondergaan, was een
heel klein aantal, gemakkelijk te tellen“. De Christenen hadden er
belang bij als slachtoffers vooral van den boozen Nero te figureeren:
dit moest diens opvolgers gunstig jegens hen stemmen.
Merkwaardigerwijze komt de menigte plotseling tot het inzicht, dat het
openbaar belang den dood der Christenen niet geëischt had en de gehaten
worden even plotseling het voorwerp van haar medelijden, hoewel dezen
onder den hoon der menigte den geest geven.
Heeft Nero eigenlijk wel iets met dien brand van Rome te maken gehad?
Toen de brand uitbrak, vertoefde hij te Antium, dertig mijlen van Rome
verwijderd. Dat het volk hem voor den schuldige zal hebben gehouden is
zelfs niet waarschijnlijk. Juvenalis, die hem overigens heel wat
misdaden verwijt, meldt hiervan niets. Tacitus zelf durft dan ook niet
beweren, dat Nero den brand heeft laten aansteken. Dat beweert Suetonius
(Nero 56); Nero zal, van den
1
Tegen Celsus III S.
46
Maecenastoren op den Esquilinus uit, in tooneelspelerscostuum de
verwoesting van Troje hebben bezongen. Wat dan niet klopt met een ander
bericht van Suetonius, dat deze keizer maatregelen heeft genomen om de
telkens Rome teisterende branden te voorkomen. Wel heeft Nero een
slechten naam tot op den huidigen dag; maar is het waarschijnlijk dat
deze hartstochtelijke verzamelaar van kunstschatten in de nabijheid van
zijn paleis een dergelijken brand zal hebben doen ontsteken?
Nero was niet gewoon, zich aan het oordeel der menschen te storen;
waarom wilde hij dan nu de verdenking van brandstichting op de
Christenen afwentelen? Hoe wist hij van de Christenen af? Heeten dezen
gehaat om hun schandelijke daden, dan rijst de vraag: Welke daden dan
toch? l Clemens aan de Corinthiërs spreekt slechts van een
terechtstelling van Petrus en Paulus,1 en Justinus +
150 (te Rome) weet van deze Christenvervolging evenmin af. Suetonius
signaleert Nero rechtstreeks als brandstichter, maar spreekt evenmin als
Cassius Dio LXII 16 (± 200) van eenige vervolging, hetzij van
Christenen, hetzij van Joden. Melito van Sardes (± 170) 2
betoogt tegenover keizer Antonius Pius, dat goede regenten altijd vóór
de Christenen zijn geweest en slechte tégen hen; maar over een
Christenvervolging onder Nero zwijgt hij. Hoe zou hem deze anders te pas
zijn gekomen: de moedermoorder Nero, dat monster, heeft ons wreed
vervolgd om daarmee zijn eigen boosheid te maskeeren; uw eigen
geschiedschrijver Tacitus deelt dat mede, en zie nu eens, hoe
rechtvaardig en vreeselij k Nero daarvoor is gestraft.
johannes weiss
3
concludeerde dan ook terecht: „Es fehlt an einem beweisenden Zeugnis aus
der Profanliteratur“. Hij wil, ofschoon een fel bestrijder van de
Christusmythe-hypothese, van
mommsen’s gissing niet weten, dat Tacitus dit bericht aan de
protocollen van den Senaat en de rijksarchieven zal hebben ontleend.
Tacitus heeft aan
1
Vgl. hierover Dr L. van Liempt in de „Handelingen van het 14de
Nederlandsche Philologencongres“. 2 Bij Eusebius,
Kerkgeschiedenis IV 26. 3 „Jesus von Nazareth, Mythus oder
Geschichte?“ 1910, S. 88, 92.
47
archiefstudie maar weinig gedaan.1 Werd
trouwens de dood van een Jood uit de provincie zoo belangrijk geacht,
dat daaromtrent een bijzonder bericht naar Rome is opgezonden en daar
opgenomen in de archieven? Tertullianus (Apol. 21) heeft de twijfelenden
aan de waarheid der Evangeliegeschiedenis nog naar de archieven te Rome
kunnen verwijzen, waar nl. een afzonderlijk bericht van Pilatus aan
Tiberius moest zijn; met een dergelijke verwijzing maakt men zich heden
ten dage eenvoudigweg bespottelijk.
De plaatsen bij Suetonius (Claudius 25 - en Nero 16), waarin
gesproken wordt over Chrestus, die te Rome de Joden onophoudelijk tot
opstootjes aanzette, zoodat Claudius hen uit Rome verdreef, en over
Christenen te Rome tijdens Nero, acht ik met Dr
van liempt betrekking te hebben op Joodsche Messiaansche
woelingen. Van een historischen Jezus kan hier daarom al geen sprake
zijn, omdat nooit iemand beweerd heeft, dat deze te Rome als
revolutionnair Joodsch propagandist werkzaam is geweest.
Ten slotte kom ik tot Cajus Plinius Caecilius Secundus Minor, geb. 62,
die in de jaren 111—112 achttien maanden als stadhouder van keizer
Trajanus in Pontus en Bithynië fungeerde. Op zijn naam bezitten wij
negen bundels brieven en een lofrede op Trajanus. Eén bundel brieven,
die tusschen hem en Trajanus gewisseld heeten te zijn, is een op
zichzelf staand werk en ten onrechte als boek
X
opgevat. In een Leidsch proefschrift van 1889 heeft de R.K. geleerde Dr
wilde erkend, dat er
niet weinig verschil is tusschen het 10de boek en de andere brieven
van Plinius. In dat 10de boek nu, dat in 1502 voor het eerst opduikt en
aan welks echtheid aanstonds twijfel rees, komen de twee brieven over de
berechting van Christenen voor (Ep. 95 v.), die zooveel stof hebben doen
opwaaien; het eerst door semler
(1788)’s critiek, een critiek, die lang heeft aangehouden, doch
thans zwijgt. Intusschen behoeft zwijgen
1
„Handbuch der klass. Altertumswiss“.
VIII
2. Abt., 2. Heft onder „Tacitus“. Vgl. Curt Delbrück, „Hat Jesus
gelebt?“ Berlin 1910, S. 31. 2 Vgl. Hand. 18 : 2.
48
van critiek nog niet altijd bewijs van gezondheid der critiek, noch van
onverdachtheid der voorheen verdacht geachte teksten te beteekenen.
Plinius, Brieven
X
95 v.: 1. „Ik heb het mij tot regel gesteld, Heer! alle dingen, waarover
ik in het onzekere verkeer aan Uw oordeel te onderwerpen. Want wie kan
beter dan Gij mij leiding geven bij mijn onzekerheid of mij bij
onwetendheid onderrichten? Ik ben nooit bij een verhoor van Christenen
tegenwoordig geweest en dus weet ik niet wat en in hoeverre pleegt
gestraft te worden of onderzocht. 2. Ook was ik niet weinig in het
onzekere hierover: of er ten aanzien van de leeftijden eenig verschil
wordt gemaakt, dan wel of er geen onderscheid bestaat tusschen piep
jongen en volwassenen; of in geval van berouw vergiffenis wordt
geschonken dan wel of het hem, die eenmaal Christen is geweest niets zal
baten, dat hij is opgehouden het te zijn; of de naam zelf ook als er
geen misdaden bijkomen, wordt gestraft, of misdaden, die met dien naam
zijn verbonden. Inmiddels ben ik ten aanzien van hen, die bij mij als
Christenen werden aangegeven, dezen weg gevolgd. 3. Ik heb hen zelf
gevraagd, of zij Christenen waren. Als zij het erkenden heb ik het nog
eens en ten derden male gevraagd onder bedreiging van doodstraf. Wanneer
zij dan ook nog volhardden, dan heb ik hen naar de straf plaats laten
brengen. Want ik twijfelde er niet aan of, van welken aard datgene wat
zij beweerden ook was, hun halsstarrigheid en onbuigzame koppigheid
gestraft moest worden. 4. Er waren anderen van gelijke
verstandsverbijstering, die ik omdat zij Romeinsche burgers waren, heb
aangeteekend voor opzending naar de hoofdstad. Weldra, toen, zooals dat
gewoonlijk gaat, door de behandeling zelf de beschuldiging wij deren
omvang aannam, deden zich verschillende soorten voor. 5. Er is een
anonym stuk bekend gemaakt, dat de namen van velen bevatte. Wie
ontkenden Christenen te zijn of geweest te zijn, die heb ik, als zij op
mijn voorgang de goden aanriepen en aan Uw beeltenis, die ik tot dat
doel met godenbeelden had laten brengen, wijn en wierook offerden en
bovendien Christus smaadden, — dingen, waartoe naar men zegt, wer-
49
kelijke Christenen niét kunnen worden
gedwongen — gemeend te moeten laten gaan. 6. Anderen, door een
aanbrenger met name genoemd, zeiden, dat zij Christenen waren en
ontkenden het spoedig; zij waren het geweest, maar er mee opgehouden,
sommigen al verscheidene jaren, een enkele zelfs twintig jaar geleden.
Dezen hebben allen Uw beeltenis en de godenbeelden eer bewezen en
Christus gesmaad. 7. Zij verzekerden overigens, dat hun geheele schuld
of dwaling hierop neerkwam, dat zij gewoon waren, op een bepaalden dag
vóór zonsopgang samen te komen en Christus als god een beurtzang te
zingen, en dat zij zich bij eede verbonden niet tot eenige misdaad, maar
om geen diefstal, roof of overspel te plegen, hun woord niet te breken,
geen bewaargeving, die hun werd opgevraagd, te loochenen. Na afloop
daarvan was het bij hen gebruik uiteen te gaan en wederom (samen te
komen?) om spijs te nuttigen, maar gewone, onschuldige spijs; wat zij
echter ook nagelaten hebben te doen na mijn edict, waarbij ik
overeenkomstig Uw orders had verboden, dat er genootschappen bestonden.
8. Des te meer geloofde ik, dat het noodzakelijk was twee slavinnen, die
dienaressen werden genoemd, zelfs onder pijniging te ondervragen, wat de
waarheid was. Ik vond niets anders dan een ziekelijk, overdreven
bijgeloof. Daarom heb ik verder onderzoek gestaakt en ben ik er toe
overgegaan U te raadplegen. 9. De zaak scheen mij toe, beraadslaging
waardig te zijn, vooral met het oog op het groote aantal dergenen, die
er gevaar door loopen. Velen namelijk van eiken leeftijd, eiken stand,
elke sexe ook, worden en zullen worden in gevaar gebracht. De besmetting
van dit bijgeloof heeft zich niet alleen verbreid over steden, maar ook
over dorpen en landerijen; toch geloof ik wel, dat dit tot staan en weer
in het reine gebracht kan worden. 10. Het staat tenminste vast, dat
tempels, die bijna verlaten waren, weer beginnen bezocht te worden, en
godsdienstige plechtigheden, die lang waren gestaakt, weer worden hervat
en dat er overal weer offervee aan de markt komt, waarvoor tot nog toe
heel zelden een kooper werd gevonden.
Daaruit is gemakkelijk de gevolgtrekking te maken, hoe een massa men-
50
schen voor verbetering vatbaar is, als er maar gelegenheid voor hen is
tot inkeer te komen“.
Het antwoord van Trajanus luidt dan: 1. „Mijn waarde Secundus, gij hebt
bij het onderzoek van de zaken van hen, die U als Christenen waren
aangebracht, gehandeld gelijk gij moest. En er kan immers ook niets
algemeen geldigs als een vaste formule worden vastgesteld. 2. Zij moeten
niet worden opgespoord, maar als zij worden aangebracht en schuldig
bevonden, dan moeten zij gestraft worden: altijd echter met dien
verstande, dat hij, die ontkent, Christen te zijn en dit staaft door aan
onze goden eer te bewijzen, hoe verdacht hij ook vroeger moge zijn
geweest, vergiffenis moge ontvangen op grond van zijn berouw. Anonieme
stukken, U voorgelegd, moeten voorwaar bij geen beschuldiging plaats
vinden. Want dat zou maar een slecht voorbeeld geven en niet iets van
onzen tijd zijn“.
Voor de historiciteit van een mensch Jezus, zooals de / liberale
theologie dien gaarne in de oude letteren vindt, leveren deze
hoofdstukken niets op. Hier wordt integendeel Christus als een god
voorgesteld. Ten hoogste zou men uit deze correspondentie iets kunnen
halen over Christelijke gebruiken in Bithynië ten jare 112. Maar mag men
haar voor echt houden?
De stadhouder vraagt den keizer raad, hoe hij ten opzichte van
Christenen moet handelen.. De situatie gelijkt sterk op die van Hand. 15
:13 vv., waar de landvoogd Festus aan koning Agrippa vraagt, hoe te
handelen met Paulus, daar hij met de berechting van diens zaak verlegen
zit. hausrath heeft
gedacht, dat Hand. 26 : 11 het woord van Paulus, dat hij vóór zijn
bekeering de Christenen te Jeruzalem gedwongen heeft Christus te
lasteren, aan Plinius ontleend zou zijn; en op grond hiervan meende
hausrath, dat Handelingen
tijdens de beginnende vervolging onder Trajanus zou zijn geschreven.
Inderdaad zal het wel omgekeerd zijn: de uitdrukking bij Plinius zal aan
Handelingen zijn ontleend, evenals Hand. 19 :23 vv. (het verhaal
aangaande Demetrius te Efeze, die de zilveren Dianatempeltjes maakte en
zich in de vakvereeniging beklaagde over den afval van het voorvaderlijk
geloof, zoodat
51
Diana’s tempel niet meer in tel was) op het eind van Plinius’
brief voorondersteld schijnt.
Hoe is het mogelijk, dat al ± 112 de heidensche tempels in Bithynië niet
meer werden bezocht? hartman
zegt, zeer rationalistisch: het waren maar kleine tempels! Die
snelle uitbreiding van het Christendom grenst aan het ongeloofelijke.
hartman zegt: „het was een
bevlieging.“ 1 Deze geleerde is begonnen met de onechtheid
van het 10de boek van Plinius te belijden, maar in het nu door mij
aangehaalde werk is hij afvallige geworden; men kan ook zeggen: tot het
geloof in de echtheid bekeerd: hij noemt dit 10de boek nu, omdat het
toch wel wat van de andere 9 afwijkt, zelfs „hyper-Pliniaansch.2
Hoofdstuk 95 en 96 maken op die echtheid geen uitzondering 3
en vormen „het oudste getuigenis, dat bij een Heidenschen schrijver te
vinden is“. Tegenover Tacitus’ boven behandelde bericht, heeft
hartman altijd sceptisch
gestaan. Te meer indruk moest dus het conservatieve resultaat maken,
waartoe hij ten aanzien van deze twee brieven kwam. Hij schrijft zelf,
dat de beslissing „in al zulke kwestie van echtheid of onechtheid, van
juistheid of onjuistheid der overlevering“ gegeven wordt door „die
indruk.... en vaak de eerste indruk, die toch is vaak de ware, de eenig
ware en daardoor blijvende“.4 In dit bijzonder geval achtte
hij dus toch den laatsten indruk den beste. Bewijzen er voor bijbrengen
verklaarde hij niet te vermogen. Maar hij heeft zich de „wiskundige“
zekerheid verworven, dat, zoo er iets echt is in hetgeen uit de oudheid
tot ons is gekomen, het Plinius’ 10de boek is! Zonder bewijs heeft deze
wiskundige zekerheid veel van een axioma weg.5
Wanneer Plinius bij aankomst in zijn provincie deze al vol van
Christenen heeft gevonden, hoe kon hij dan zoo onwetend zijn op het punt
van de tegen hen te voeren
1
J. J. Hartman,
„Honderd jaar geestelijk leven in den Romeinschen Keizertijd“. Leiden
1918, blz. 58 w.. Ik heb dit boek naar waarde geschat, deels lakend,
deels lovend, in „N.T.T.“ 1919, blz. 301—304. 2 Hartman,
blz. 16. 3 Blz. 6, 13.
4
Blz. 30 v.. 5 Ik sta hierbij iets langer stil, omdat ter
vergadering de bekeering van Hartman ook ter sprake is gekomen.
52
procedure? Hij kon toch licht informaties inwinnen bij zijn ambtenaren
omtrent de regels, die bij dergelijke rechtspraak waren gevolgd. Er
moeten dan toch wel vonnissen hebben bestaan. Merkwaardig! Plinius weet
met die Christenen geen raad, maar vertelt tegelijk, dat hij er een
systematische methode op na houdt, volgens welke hij gewoon is hen te
behandelen en waaraan dan Trajanus eigenlijk niets weet toe te voegen of
te verbeteren. Vraagt de stadhouder zijn keizer dan naar den bekenden
weg? Plinius was in de politiek en de rechtspraak wat men in gemeenzamen
stijl noemt „een ouwe rot“. Man van gezag, die reeds als 19-jarige op
het forum sprak, het Senatorenambt en het Consulaat heeft bekleed, een
rechtsgeleerde, die door de provincies werd aangezocht, haar belangen
voor den Senaat te bepleiten, wiens hulp in moeilijke gevallen door
praetoren werd ingeroepen. Hij is lid geworden van den keizerlijken
kabinetsraad, door Trajanus voor een juridische beraadslaging naar
Civita Vecchia ontboden, belast met het bewind over Pontus en Bithynië.
Kan men werkelijk gelooven, dat zoo’n man zoo onzeker en weifelend
schrijft, als wij lezen in het begin van dezen brief?1 Als
zijn vriend Maximus quaestor van dezelfde provincie is geweest,2
moest hij toch wel iets gehoord hebben van die massa Christenen in
Bithynië, die de tempels ontvolken en het geloof der vaderen bedreigen
met niet te onderschatten gevaar. Dat hij zulke onnoozele vragen richt
tot den keizer is ondenkbaar.
Ofschoon hij zijn vaste manier van behandeling in Christenprocessen
heeft, beweert hij meteen, nooit het gerechtelijk onderzoek van
Christenen te hebben bijgewoond. Wie heeft dat onderzoek dan geleid? en
als een ander dan Plinius zelf het gedaan heeft, hoe komt het dat de
stadhouder daarvoor nu plotseling zoo groote persoonlijke belangstelling
toont? Ofschoon hij nooit Christenen voor zijn rechterstoel heeft gehad,
weet hij toch al, dat men ze onmogelijk allen over één kam kan scheren:
er zijn immers onnoozele halzen bij en ook naamchristenen; voorts dient
1
Vgl. voor de gegevens o.a. Ep. V 8, 8;
IV
22, 1;
VI
31, 1. 2
VIII
24, 8.
53
men rekening te houden met leeftijdsverschillen. Past het bij den
officiëelen stijl van een magistraatpersoon om onderscheid te maken
tusschen het bestraffen van „den Christennaam op zichzelf“, als er geen
misdaden bijkomen en van „misdaden, die met den naam samenhangen“? Moest
Trajanus deze duistere taal maar begrijpen? En wat een naïveteit wordt
hier in dezen Plinius voorondersteld, wanneer hij aan zijn keizer de
vraag zou hebben voorgelegd: beveelt gij mij een naam te
straffen? Terwijl hij meteen zegt, dat hij zonder verder onderzoek
menschen heeft laten terechtstellen, die volhard hebben bij hun
verklaring, Christen te zijn en wel op grond enkel van deze verklaring.
Als hij de doodstraf al heeft toegepast op Christenen, zonder ‘s keizers
raad van te voren te hebben ingewonnen, waarom wint hij dan wél dien
raad in, nu het de berechting van ongevaarlijke en onschuldige
Christenen betreft? Hoe kan hij in zijn zakelijk rapport verzuimen, den
keizer mededeeling te doen van de voornaamste beschuldigingen inzake
daden en gesprekken, die aan het adres der Christenen waren gericht?
Terwijl hij hen braaf en rustig verklaart, vraagt hij meteen hoe men hen
moet straffen.
Plinius weet van daden, waartoe, naar men zegt, werkelijke Christenen
nooit kunnen worden gedwongen. Spreekt hier niet een Christen, die van
de standvastigheid van belijders en martelaren, van hun non possumus
een heidenschen stadhouder wil laten getuigen? De geheele, warm
gestelde, ceel van Christelijke deugden, door dien heiden ambtelijk aan
zijn keizer meegedeeld, herinnert aan de tactiek van den schrijver der
Handelingen, die eveneens het Christendom aannemelijk wilde maken voor
heidensche lezers;1 zij herinnert vooral aan de
Apologeten. Dit alles wijst op lateren tijd dan 112. Dat twee slavinnen
op de pijnbank worden gelegd wijst op vermoedens van misdadigheid onder
Christenen. Maar reeds is gebleken, dat dezen „gewone, onschuldige
spijs“ nuttigen. Wij vragen ons af, wat die uitdrukking in den mond van
een Romeinsch magistraat moet beduiden; maar herinneren ons
1
Vgl. mijn studie in „N.T.T.“ 1919, blz. 366—384; „Lucas’ doel met de
uitgave der Handelingen“.
54
al spoedig de bekende beschuldiging van Thyestes-maaltijden, m.a.w. van
het opeten van kinderen, gepaard met het plegen van onzedelijkheid, die
de vijanden der Christenen tegen hen inbrachten. Wanneer Justinus ± 150
naar vermogen zulke beschuldigingen tracht te ontzenuwen, geeft hij geen
blijk iets te weten van wat in Bithynië gebeurd zou zijn. Hoe goed ware
hem de onschuldigverklaring van de Christenen door den Romein te pas
gekomen!
Wanneer Plinius het Christendom als een ziekelijk en overdreven
bijgeloof kwalificeert, dan zal hij toch zelf wel hebben geweten, hoe
hij deze soort van misdaad had te berechten.
De voorstelling, dat het Christendom zoo wijd om zich heeft gegrepen,
komt eerst bij Tertullianus (Apol. 37) voor: „wij zijn van gisteren en
wij vullen uw steden“. En elders (Apol. 1) zegt dezelfde: „in de stad,
op het land, op afgelegen posten zijn Christenen; elke leeftijd, sexe,
stand en waardigheid gaat over naar dit kamp“. Men begrijpt de klacht
van belanghebbenden over de vermindering van de tempelinkomsten (Apol.
42). Maar als dit alles reeds onder Trajanus zoo zou zijn geweest, dan
zou in een eeuw tijds het Christendom geen voortgang hebben gemaakt,
terwijl daarentegen in de 75 jaren, die aan Trajanus voorafgingen het
zich ongelooflijk snel zou hebben uitgebreid.
Als de wonderboom van Jona vergaat echter de glorie van het Bithynisch
Christendom door Plinius’ tactiek, waarvan hij een jaar na zijn aankomst
in de provincie nog zoo onzeker is, dat hij er den keizer over
raadpleegt. Is „der langen Rede kurzer Sinn“ niet deze, dat de
stadhouder de Christenen niet strafbaar vindt en ze toch maar straft en
dat de keizer daarmee accoord gaat? Men moet ze straffen. Waarvoor? Noch
de stadhouder, noch de keizer geeft op die vraag bescheid. Ik geloof
niet, dat Romeinen „an allerhöchster Stelle“ zulke dwaze brieven hebben
kunnen wisselen over de Christenen. Ik herken hier duidelijk de
Christelijke apologetiek: in de martelaarsberichten worden de geloovigen
immers ook vóór den rechter gebracht, die hun onschuld moet erkennen,
maar hen toch veroordeelt, en wel op grond van hun Christennaam. Evenals
de
55
Christelijke apologeten hun verdedigingen des geloofs tot keizers
richten, zoo moet ook deze correspondentie tusschen landvoogd en keizer
dienen om het bijzondere gewicht van het Christendom te doen uitkomen.
Daarbij komt nog, dat de onderscheiding tusschen naamchristenen en ware
Christenen beter in Christelijk dan in heidensch spraakgebruik past. Het
antwoord van den keizer blijkt een tendentieus verzinsel; de bedoeling
van den Christen, die hem deze woorden laat schrijven, is duidelijk
deze: de afval van sommige Christenen is verklaarbaar door de premie,
die daarop van de zijde der hooge regeering is gesteld; maar des te
schitterender figuur slaan zij, die bij hun geloof volharden en er den
marteldood voor over hebben.
Dit zij genoeg. Over de correspondentie in haar geheel, als in dit
verband van gedachten niet ter zake doende, wil ik zwijgen. De bezwaren
van mijn leermeester van manen,
stellig een critischer kop dan Dr
wilde (dien ik overigens
als een beminnelijk geleerde heb leeren kennen, toen wij beiden in
Brabant woonden), verdienen grondiger overweging dan men ze heeft
waardig gekeurd.i
1
Vgl. W. C. van Manen
in „De Gids“ van 1890,
III
blz. 290— 327; „Theol. Tijdschrift“ 1891, blz. 133—147.
56
|