|
Seinem
lieben
Freunde
ARTHUR DREWS
In vorzüglicher Hochachtung gewidmet.
Gij verstaat, Hooggeschatte Vriend, de Nederlandsche taal
als weinigen Uwer landgenooten, en wel doordat Gij U
bijzondere moeite hebt getroost om de hoofdwerken van de
Hollandsche Radicale Kritiek op het Nieuwe Testament te
lezen. Waarom zou ik mij dan in deze opdracht niet bedienen
van mijne moedertaal, wanneer het boek zelf toch om bepaalde
redenen in het Hollandsen verschijnt?
Het is mij als vakman in de Nieuwtestamentische wetenschap
eene eer, mij te mogen richten tot U, die door Uwe
Christusmythe en andere geschriften nieuwe banen hebt
gewezen voor de Duitsche theologie. Waardeering van Uw
levenswerk behoeft allerminst in te sluiten, dat men het in
allen deele met U eens is; de theologen in Uw vaderland
maken het zich echter wat al te gemakkelijk, wanneer zij met
het scheldwoord dilettant U meenen te kunnen afmaken
en voor het groote publiek in een ongunstig daglicht te
stellen.
Want
een dilettant is iemand, die liefde heeft
5
voor een vak, — sinds -wanneer geldt liefde voor de
wetenschap in haar dienaar als bezwarende omstandigheid? En
dan — van dilettantisme te spreken in verband met Uwe
onderzoekingen naar den oorsprong van het Christendom is
toch eigenlijk wel heel dwaas. De geschiedenis van het
denken omtrent het begin onzer jaartelling heeft voor U als
Hoogleeraar der Wijsbegeerte geene geheimen; grondige studie
van het Neoplatonisme blijkt uit Uwe belangwekkende
monografie over dit stelsel; Philo en de Stoa zijn U uit de
bronnen bekend en niemand zal durven zeggen, dat Gij het
Nieuwe Testament en de oudste Christelijke Letterkunde niet
uit de teksten zelven hebt bestudeerd.
Toch blijft Gij voor de officieele wetenschap leek, en de
eerste de beste, die, hoe dan ook, het tot Theologiae
Candidatus heeft gebracht, is naar het oordeel der
officieelen meer huns gelijke dan Gij.
Mij kan het, onder deze omstandigheden, bijna spijten in Uw
vereerend gezelschap niet ook leek en dilettant te kunnen
zijn. Aanvaard dit bescheiden boekje als een bewijs van
mijne bijzondere sympathie.
G. A. van den bergh
van eysinga
Santpoort
6
WOORD VOORAF
Menige bladzijde van dit boek behelst gedachten, die ik
sedert vele jaren in het NieuwTheologisch Tijdschrift, de
Gids, de Beweging en in afzonderlijke geschriften heb
uitgesproken; vaak heb ik zelfs den vorm bewaard, wanneer
het mij niet noodig scheen dezen te wijzigen. Eene
samenvatting van mijne navorschingen op dit gebied, verrijkt
met wat mijne Utrechtsche hoorders in dezen cursus over dit
thema te hooren kregen, kwam mij als afzonderlijke uitgave
gewenscht voor; bovendien meende ik, de radicale opvattingen
tegenover hare jongste bestrijders te moeten verdedigen.
Ik ben mij bewust, heilige huisjes aan te randen, waaraan
men zich des te afgodischer heeft gehecht, naar gelang de
geestelijke aanbidding zoek geraakte. Ga ik te rade met
kritieken van vrijzinnige zijde, die uit een zuiver
objectief, wetenschappelijk en mak werk als mijne: „Wereld
van het Nieuwe Testament“ nog stemming wisten te maken tegen
het gevreesde Radicalisme, dan kan ik
7
niet verwachten, dat de volgende bladzijden berijders van
stokpaardjes zullen overtuigen. Naar ik hoop zullen zij ook
nog onder andere oogen komen, o. a. van hen, die het
bovenvermelde boek zelf lieten spreken, toen zij het
beoordeelden, en het niet tegemoetkwamen met een
aprioristischen tegenzin tegen elders door den schrijver
ontwikkelde meeningen.
8
Over het algemeen zijn de menschen tegenwoordig wel
vervreemd van de dogmatiek.
Toch heeft menigeen allicht nog, zij het ook vage,
herinneringen aan de Twaalf Artikelen des Geloofs. Zoo heet
de Geloofsbelijdenis, die sedert vele eeuwen den grondslag
van het geloof vormt bij alle Christelijke Kerken. Wat
daarin over Jezus gezegd wordt mag dus als
gemeenschappelijke opvatting van alle kerkelijke Christenen
gelden. Het luidt aldus:
,,Ik geloof in Jezus Christus, Gods eengeboren Zoon, onzen
Heer, die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit
de Maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus,
gekruisigd is, gestorven en begraven, nedergedaald ter
helle, ten derden dage weer opgestaan uit de dooden,
opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, vanwaar
hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.“
Niemand zal durven ontkennen, dat hier over een
bovenmenschelijk, goddelijk wezen wordt gesproken. Maar
meteen zal men moe-
9
ten toestemmen, dat alle elementen van deze belijdenis reeds
in het Nieuwe Testament terug te vinden zijn.
Tot op het midden der 18de eeuw is men Christus algemeen
voor een goddelijk wezen blijven houden. Eerst toen is de
zoogenaamde
Aufklärung,
de Verstandsverlichting, gaan
fantazeeren
over een louter-menschelijken
Jezus, een mensch zonder meer, die Jezus heeft geheeten.
In plaats van den wonderbaren vleeschgeworden Godszoon trad
voor haar een ideaalmensch, eene geheel eenige verschijning,
prediker van een onvergelijkelijk verheven leer. Hiermede
was de moderne Jezus-vereering ingeluid: de romantische
cultus van den „mensch“ Jezus. Men teekende hem als den
volmaakten mensch, als het voorbeeld, dat wij allen, zij het
ook van verre, hebben na te volgen. Wie nog iets van het
godsdienstig liberalisme der 19de eeuw heeft meebeleefd,
weet dat eene dergelijke beschouwingswijze daar schering en
inslag was en voor gezond en onweersprekelijk werd gehouden.
Van wijsgeerige zijde was intusschen reeds verzet
aangeteekend. Ik denk aan
eduard von hartmann's
protest. Hij noemde dit Jezusgeloof het toppunt van
romantische verdwazing en overgevoelige malligheid; een
verborgen rest van het oude autoriteitsgeloof,
10
dat recht van bestaan had waar het betrof den Godszoon, doch
ten opzichte van een Joodschen rabbi, profeet of
apocalypticus niet meer paste. Een mensch van gelijke
bewegingen als wij, die daarenboven tot een bijgelooviger
periode behoort, kan enkel en alleen als eenig en
onvergelijkelijk voorbeeld ons voorgesteld worden, wanneer
nog iets van den ouden zuurdeesem van het geloof in den
Godmensch Jezus na werkt; zoo niet, dan is het misselijk
Byzantinisme, goddelooze menschvergoding1).
Sedert heeft albert
schweitzer er op gewezen, dat die historische Jezus
een groot dweeper is geweest, die in onzen tijd
overgeplaatst ons aanstoot zou geven 2).
harnack's
woorden steken daarbij wel komisch af, wanneer hij schrijft:
„Alleen deze mensch vermag nog aan ons leven zin en doel te
schenken; hij is de zuiverste en grootste menschelijke
persoonlijkheid, de Eene, de ideëele en volmaakte mensch
geweest, het voorbeeld, dat wij allen zonder uitzondering
onder alle omstandigheden van het leven kunnen navolgen.“
Vijftig
1)
eduard von hartmann,
Die Selbstzersetzung
des
Christentums
und
die Religion der Zukunft,
Berlin 1874, S. 38 f.
2)
albert schweitzer,
Geschichte
der Leben-JesuForschung,
2te Aufl. 1913, S. 638, 640.
11
jaar geleden kon men zulke dingen hooren in moderne preeken;
nu klinken zij zelfs voor moderne ooren ouderwetsch. Men
heeft harNACK
terecht gevraagd, waarom dan toch de Joden in Jezus' dagen
dezen braven rabbi niet tegen het bovennatuurlijk geloof van
de Christenen hebben uitgespeeld; zóó hadden zij het
gemakkelijk als boerenbedrog aan de kaak kunnen stellen en
daaraan den nekslag kunnen toebrengen 1).
Intusschen had de kritiek het, toen
harnack zijn
Weezen van het Christendom schreef, al zoover
gebracht, dat eigen woorden van Jezus niet meer waren te
vinden, dat men zijn leven bezwaarlijk meer kon schrijven
bij gebrek aan onverdacht materiaal. Niettemin bleef men
stichtelijk van Voorbeeld en Leidsman, van den Grooten
Meester, den Profeet van Nazaret, het religieuze genie Jezus
spreken. „Het Evangelie in het Evangelie is iets zóó
eenvoudigs en iets, dat zóó krachtig tot ons spreekt, dat
men niet licht kan misgrijpen. Wie een onbevangen blik heeft
voor het levende en waar gevoel voor het werkelijk groote,
moet het zien en het van de tijdelijke
1)
A. kalthoff,
Modernes
Christentum.
(Moderne Zeitfragen,
Nr. 13, Berlin, Pan—Verlag o. J., S. 22).
12
omhulsels kunnen onderscheiden.“ Dus sprekende beroept
harnack zich
op het gezonde, door historische studie gerijpte oordeel
1).
Wie
herkent hier niet de gemeenplaatsen van eene nalve eeuw
her, telkens nagepraat, en thans nog gangbaar bij velen?
eduard von Hartmann,
Kalthoff, Bolland, Arthur Drews en anderen hebben
dit toch eigenlijk
onmogelijk gemaakt. Maar de menschen zijn hardleersch en
de vooroordeelen taai. Men durft er niet zóó openlijk mee
voor den dag te komen als vijf en twintig jaar geleden; er
is van Radicale zijde te luide geprotesteerd. Maar Prof.
windisch
blijft zeggen, dat het hem wel iets schelen kan, hoe het
onderzoek naar den historischen Jezus uitvalt, — juist
zoo- als het een gemoedelijken Zwitser nog wel wat kan
schelen, of Wilhelm Tell al dan niet heeft geleefd.
Daarmede betoont die Zwitser zich
dan echter meer gemoedelijk, nationaalgezind
of chauvinistisch dan wel wetenschappelijk.
De wetenschappelijke mensch verblijdt zich
over elke uitkomst van zijn onderzoek; de
werkelijkheid klaar en juist te kennen en van
de onkunde en dwaling verlost te worden, dat
is zijn eenig ideaal.
windisch heeft
eenige
1)
adolf harnack,
Das
Wesen
des Christentums,
S. 9, 16.
13
jaren geleden aan een theologisch student, die, van Leiden
uit, mijne voordrachten over het ontstaan van het
Christendom aan de Rotterdamsche Volksuniversiteit volgde,
gevraagd: ,,hoe zult Gij nog kunnen preeken, als gij geen
historischen Jezus meer overhoudt?“ Ten eerste, zou ik
antwoorden, is dat geen zorg voor de wetenschap; hoe men
preeken kan, daar hebben de kerkelijke heeren zich mede te
bemoeien en niet de man van de Oudchristelijke Letterkunde;
ten tweede: deze vraag bewijst duidelijk, dat de historische
Jezus een onmisbaar bestanddeel uitmaakt van het Duitsche
liberale geloof.
Men wil uit het Nieuwe Testament een Jezusbeeld
destilleeren, dat voor het vrome gemoed van onzen tijd nog
iets te bieden heeft, al gaat dit steeds bezwaarlijker,
omdat van innerlijk contact met eene persoon uit zóó ver
verleden geen sprake kan zijn en het historische in de
Evangeliën door de kritiek steeds geringer in omvang is
geworden1).
gustav VOLKMAR
heeft bijna alles wat de Evangeliën aan verhalen bevatten,
naar het voorbeeld van Oudtestamentische stof verzonnen
1)
arthur drews,
Die Leugnung der Geschichtlichkeit
Jesu
in Vergangenheit
und Gegenwart.
Karlsruhe 1926, S. 83 S.
14
geacht of uit mythische invloeden willen verklaren. En
W.
brandt noemt
het eenige vaststaande feit in Jezus' leven diens sterven en
opstanding. Men denke zich eens in wat dit eigenlijk
beteekent. De eenige onvoorwaardelijk vaststaande gegevens,
die de overlevering den Jezusbiograaf te bieden heeft, zijn:
dood en opstanding, waarvan het laatste den modernen
geschiedvorscher dan wel wat verlegen moet maken, zoodat hij
daarbij liever maar aan dichterlijke verbeelding denken zal,
aan opsierende legende, door dankbare vereerders uitgedacht.
Rest dus als biografisch gegeven: Jezus is gestorven. Maar
aangezien alle menschen sterven, blijkt iemands dood
zoo zonder meer voor zijn levensbericht weinig zeggend.
Met blijdschap zie ik, dat mijn ambtgenoot
van mourik broekman,
ofschoon niet twijfelend aan de historiciteit van
Jezus, toch betoogt, dat men als vrijzinnig Christen steeds
de mogelijkheid van het wegvallen daarvan moet open laten;
dat men in het Christuswezen dan toch iets behoudt, dat van
eeuwigen aard is en daarom onaantastbaar voor eene bepaalde
historische kritiek; dat men het historische Jezusbeeld in
ieder geval als fictieve voorstelling behoudt, eene
voorstelling, zoo diep ingegroeid in het geestesleven der
15
Christenheid, dat zij wel onuitroeibaar zal blijken te zijn.
Hij besluit met de woorden: ,,Ik geloof geen moment, dat
eene vermeende onhistoriciteit van Jezus den
ontwikkelingsgang van het Christendom zal wijzigen“ 1).
1) M. C.
van mourik broekman, De Vrijzinnige Godsidee,
Zeist, 1928, blz. 255 noot. Van deze gelegenheid mag ik
gebruik maken om Coll. van Mourik Broekman's onjuiste
bewering blz. 251 recht te zetten, als zou ik het Nieuwe
Testament allegorisch willen verklaren. Het
misverstand wordt allicht geboren uit mijne rede over
Allegorische Interpretatie, Amst. 1904. Waanneer ik daar
het betrekkelijk recht van dat verschijnsel poogde aan te
toonen, lag daarin toch geenszins opgesloten, dat ik als
wetenschappelijk verklaarder van Oud-Christelijke teksten
zelf ook eenzijdig die methode zou toepassen. Mijn arbeid
van een kwarteeuw sedert op dit gebied heeft mij toch wel
als een aanhanger van de historisch-kritische
methode doen kennen en had aan alle misverstand een eind
moeten maken. Evenmin als een schrijver over het Animisme,
die dit verschijnsel aan zijne tijdgenooten tracht nader te
brengen, daarmede zelf geacht mag worden het Animisme als
zijne persoonlijke wereldbeschouwing te huldigen, evenmin
mag men hem, die met begrip over Allegorische Uitlegging
tracht te schrijven, voor een voorstander houden van een
meervoudige schriftverklaring.
16
Hier toont van mourik
broekman getrouw te zijn gebleven aan de beste
traditiën van onze vaderlandsche vrijzinnige theologie.
Christendom is van ouds Christusreligie, geloof in de
verlossing enkel en alleen door den waren Godszoon Jezus
Christus; en religie mag zich nooit richten op een mensch.
Men maakt zich in onze kringen over het algemeen niet
duidelijk, wat deze menschJezus-vereering inhoudt:
een Joodsche reizende prediker uit het begin van den
Keizertijd zal de volmaakte Godsopenbaring voor alle tijden
hebben gebracht en daarmede den absoluten godsdienst.
Aanstonds na diens dood is dan deze godsdienst door den
betreurenswaardigen invloed van Paulus en van de Grieksche
philosofie weer verloren gegaan, om eerst door de liberale
theologie van onzen tijd eindelijk opnieuw te worden ontdekt
1). Kan men echter het
godsdienstig-zedelijk ideaal voor een bepaalden tijd wel
buiten dien tijd zoeken?
Men meende in den beginne aangaande dien Jezus van Nazaret
nogal goed te zijn ingelicht, Het was de eeuw, waarin de
Levens van Jezus bij dozijnen verschenen. Maar sedert
1)
Vgl. W. von schnehen,
Der moderne Jesuskultus, Frankfurt a/M. 1906,
S. 5 ff.
17
het schitterende boek van
albert schweitZER
1)
over deze litteratuur durven maar zeer weinigen zich meer
daaraan wagen. Kunstenaars mogen nu hunne krachten nog eens
beproeven op een Jezusbeeld, — ik denk aan
arthur van schendel,
henri barbusse en
emil ludwig —,
zij kunnen zich die weelde veroorloven, juist omdat aan
hun werk niet de strenge maatstaf van de historische
betrouwbaarheid wordt aangelegd. „Historische romans
over Jezus hebben meer recht van bestaan dan romantische
historiën“ 2). De kritiek maant den man der
wetenschap tot de uiterste omzichtigheid.
wilhelm
BousSET, zeker geen Radicaal te noemen, hoorde ik reeds Aug.
1910 op het Congres voor Vrijzinnig Christendom en
Godsdienstigen Vooruitgang te Berlijn zeggen: „wat wij van
den feitelijken samenhang van Jezus' leven afweten is zóó
weinig, dat het op een blaadje papier plaats zou kunnen
vinden. De prediking of het Evangelie van Jezus is een vaak
niet meer te ontwarren weefsel van gemeentetraditie en
eventueel echte woorden van den
1)
albert schwejtzer,
Geschichte
der Leben-JesuForschung2,
Tüb. 1913.
2)
M. C. van
mourik broekman, t. a. p., blz. 267.
18
Meester. Wat onze Evangeliën van Jezus' innerlijk leven
verhalen is eigenaardig gekleurd door het dogma der
Christelijke Gemeente.“ Alle reden is er dus, zoo meende
bousset, om
sceptisch te staan tegenover de traditie, te meer omdat
ernstige mannen als
wrede en
wellhausen tot dit negatieve resultaat gekomen zijn;
het onvoorwaardelijk vertrouwen in de hoofdzaak der
Evangelische overlevering is geschokt.
De argeloosheid, waarmede men biografieën van Jezus schreef,
is dus voorbij. Alweer
albert schweitzer
heeft gezegd, dat er niets negatievers bestaat dan
het resultaat van de Leben-Jesu-Forschung. En hij kan het
weten! Hij noemt het het noodlot van de moderne theologie,
dat zij alles met geschiedenis vermengd voordraagt en dan
ten slotte ook nog trotsch is op de virtuositeit, waarmede
zij haar eigen denkbeelden in het verleden terugvindt. Haar
Jezus van Nazareth, die als Messias optrad, die de
zedelijkheid van het Godsrijk verkondigde, dit op aarde
stichtte en zijn werk bezegelde met zijn dood, — deze Jezus
heeft volgens albert
schweitzer 1) nooit bestaan. Het is zijns
inziens eene gestalte, die het Rationalisme ontworpen
1)
t. a. p., S. 631, 633.
19
heeft, waaraan het Liberalisme het leven heeft ingeblazen en
dat de moderne theologie met historische wetenschap heeft
aangekleed. Alaar dit geschiedkundige fundament van het
Christendom, gelijk de rationalistische, liberale en moderne
theologie het gelegd hebben, bestaat niet meer.
De jongste onvoorwaardelijke verdediger van Jezus'
historisch bestaan,
robert EisLER
1),
geeft een vlijmscherpe kritiek op de gangbare opvattingen
der moderne theologen, die Jezus voorstellen als den
,,welwillenden, verstandigen docent aan de
Volksuniversiteit, zendeling en reizenden prediker“.
eisler ziet
heel goed in, dat de Christelijke bronnen eigenlijk
in het geheel niets weten van een „gewonen mensch Jezus“,
maar aldoor berichten aangaande de wonderen en het
heilaanbrengend lijden van een bovenmenschelijken Godszoon.
Hij beseft verder volkomen, dat elke poging om aan deze
godsdienstige sagen en mythen eene geschiedenis van Jezus'
leven en werken te ontlokken, Euhemerisme is, — zóó noemt
men namelijk de rationalistische methode der Oudheid, die
goden meende te moeten verklaren als door de verbeelding
1)
robert eisler,
Jèsous
Basileus
ou Basileusas.
Heidelberg, 1929, S.
XX.
20
verheerlijkte menschen.
eisler spreekt
in dit verband van eene afkeuringswaardige en onhoudbare
,,aftrekmethode“. De ontkenners van de historiciteit staan
z. i. sterk, zoo zij beweren, dat de menschelijke trekken in
de Evangeliën evengoed fictie zijn als de daarmede
onafscheidelijk verbonden bovenmenschelijke trekken. Het is,
aldus zijne conclusie, absoluut onmogelijk, in de
Christelijke bronnen, d. w. z. in de uitspraken van
geloovigen, voor wie Jezus de Godmensch was, den
geschiedkundigen gewonen mensch Jezus te vinden, zonder dat
men dezen bronnen geweld aandoet en haar een zin
onderschuift, die van de bedoeling van den schrijver
hemelsbreed verschilt.
De historische Jezus geldt bij velen als ver-
tegenwoordiger van net edelste individualis- me, als het
ideaal van de persoonlijkheid, op de wijze waarop vooral
kant dit
begrip gebruikte. Maar
dunkmann
1) zegt terecht, dat zoo'n wezen een vreemdeling is in
de geschiedenis, in het bijzonder in de
godsdienstgeschiedenis. Toch springt het eiken lezer van het
Nieuwe Testament in het oog, dat er verschil
1)
K. dunkmann,
Der historische
Jesus, der
mythologische Christus
und Jesus
der Christ.
2te Aufl. 1911, S. 60.
21
bestaat tusschen den Jezus der Evangeliën en het
Christusbeeld, dat Paulus ons in zijne brieven teekent. De
Evangeliën, met name de Synoptische, en van dezen weer
Matthaeus en Lukas het meest, schilderen ons eene figuur,
die zonder twijfel een meer menschelijken indruk maakt dan
de Paulinische Christus, die geen spoor van individualiteit
vertoont. Al weer is het
dunkmann, die
hierop de aandacht vestigt. Wat volgens de moderne theologie
de geheel eenige grootheid van Jezus' leer uitmaakt, is bij
Paulus niet te vinden; wat van den kenmerkenden geestelijken
eigendom van den prediker uit Nazaret bij hem verschijnt,
geeft Paulus uit eigen middelen, zonder Jezus te noemen,
blijkbaar van hem onafhankelijk. De woorden des Heeren,
die de Apostel aanhaalt, hebben betrekking op echtscheiding
(l Cor. 7 : 10), op het recht der Apostelen om zich door de
gemeente te laten onderhouden (l Cor. 9 : 14), op de
viering van het Avondmaal (l Cor. 11 : 23), altegader
gemeentevoorschriften. Hier schijnt de Heer een genius
of schutspatroon van de gemeente te zijn; hij geeft
openbaringen, wanneer moeilijke kwesties in het
gemeenteleven oprijzen. Jezus' aardsche werkzaamheid heeft
voor Paulus geen beteekenis. Van Johannes den Dooper, Jozef
en Maria, Galilaea, Naza-
22
ret, Jeruzalem, den Olijfberg, Gethsemanê, Golgotha en
tallooze andere gegevens, waarmede wij door de lezing van de
Evangeliën zoo vertrouwd zijn geworden, weet Paulus niets.
Waren zijne brieven zoek geraakt, wij zouden omtrent Jezus
niet minder weten dan thans. Christus lijdt, sterft
aan een kruis, wordt begraven, opgewekt en
verheerlijkt (Rom. 8 : 17; 6 : 4 vv.), alles ter wille van
de menschen (Rom. 5 : l —6; 6 : 3 vv.), die nu van den
dood gered worden, wanneer Christus in hen woont (Rom. 8
: 9 v.). \Vordt hier iets meer gezegd, — ik bedoel tut een
menschelijk biografisch oogpunt, — dan gezegd wordt van de
lijdende, stervende en verrijzende goden der
mysteriediensten, van een Adonis, een Attis en een Osiris?
Men kan met
Wrede
zeggen, dat den schrijver van de brieven veel gelegen is aan
de realiteit van Christus' menschheid, maar dan in dogmatischen
zin.
De Godszoon is mensch, inderdaad en werkelijk mensch. Dat
hij eene moeder heeft gehad, dat hij op aarde in een
vleeschelijk lichaam wandelt, aan den dood wordt
prijsgegeven, — dat alles zijn geen bouwstoffen voor de
biografie eener geschiedkundige persoon. Voor een
poosje is de hemelsche Koningszoon omhangen geweest
met het bedelaarskleed der stervelingen; zijn
aardsche
23
leven is de schreeuwendste tegenstelling tot zijne
goddelijke heerlijkheid. Anders dan in het vierde Evangelie,
— dit in het voorbijgaan — waar de hemelsche glans van den
Godszoon door het vleeschelijke omhulsel henenstraalt en het
aardsche leven eene openbaring wordt van Gods heerlijkheid.
Aan de volle en echte menschheid van Jezus laat Paulus geen
twijfel over, zegt
jülicher 1); zijn dood, waarop hij
maar niet sterk genoeg den nadruk leggen kan, toont dit.
jülicher heeft
al weer gelijk, hoewel in anderen zin dan hij het zelf
bedoelt. Want deze theoloog wil uit deze opmerking munt
slaan voor een bij Paulus vooronderstelden historischen
Jezus; terwijl de belangstelling van den Apostel zich
uitsluitend richt op den in menschelijke gedaante
verschenen god. Wel verre van een bewijs voor den
historischen Jezus te zijn, lijkt mij dit bijna
uitsluitend stilstaan bij Christus' dood in strijd met
alle biografie, en op te vatten als een stukje dogmatiek.
Uit de noodzakelijkheid der verlossing concludeert Paulus
tot het feit der opstanding. „Is Christus niet opgestaan,
dan is uw geloof ijdel, dan zijt gij nog in uwe zonden; dan
zijn ook degenen, die in Christus ontslapen zijn,
1)
In de Gegenwartsbibel
op Rom., S. 226.
24
verloren“ (l Cor. 15 : 17 v.). Hier is de ideeëngang van de
geheele Paulinische Christologie duidelijk. Wat Paulus van
Jezus zegt, is welbeschouwd eene mythe, een goddelijk drama.
Wij denken aan
woede's uitspraak, dat de menschelijke, individueele
persoonlijkheid van Jezus hier niet te vinden is. Ook de
kosmologische beteekenis van den Christus bij Paulus, het
denkbeeld van de wereldschepping door Christus, kan moeilijk
teruggaan op den indruk van een historischen Jezus, is
veeleer daarmede niet te rijmen.
Leest men in den Brief van Barnabas, dat slechts wanneer
Christus in het vleesch verscheen, menschen zijn aanblik
konden verdragen (5 : 10), dan blijkt het vleesch het
voorhangsel (vgl. Hebr. 10 : 20) te zijn, dat voor het
gevaar van het oogverblindend staren in de zon-zelve
behoedt. Maar dan is de Christus-zelf meer hemelsche zon dan
aardsch vleesch. Clemens Alexandrinus 1) noemt
het vleesch, waarin hij openbaar is geworden, het venster
waardoor de Heer zich vertoonde, en blijft aldus op dezelfde
lijn, wanneer men aan de minder doorzichtige vensters der
oudheid denkt.
1)
Clemens Alexandrinus, Paed. I 23, 1.
25
De
vraag, gelijk hij tegenwoordig gesteld wordt: is Jezus een
historische persoon? is
niet
in
den geest van de oudheid. De oude Christenen hebben ons
moderne begrip van historiciteit niet gekend. De
tegenstelling: historisch en niet-historisch bestond niet.
Men stelle zich voor: betoogen pro en contra het bestaan van
Herakles! Noch de Katholiek, noch de Gnosticus of
Christelijke theosoof sprak van een historischen Jezus,
ofschoon zij beiden, zoowel Tertullianus als Marcion, op
hunne eigenaardige wijze de werkelijkheid erkenden van den
Christus der tegenpartij. Marcion heeft de geboorte van
Christus ontkend en hem niet voor een mensch van vleesch en
bloed gehouden; maar Tertullianus heeft toch nooit
aan Marcion verweten, dat diens Christus onwerkelijk
is. Want Marcion kende aan zijn Christus eene hoogere
werkelijkheid toe, die Tertullianus ook liet gelden, eene
metaphysische werkelijkheid, waarop de hoop der verlossing
gebaseerd is. De idee der verlossing verschilt echter bij
den Katholiek en bij den Gnosticus; verwacht Marcion eene
geestelijke, Tertullianus verlangt eene vleeschelijke
opstanding. Juist omdat het Joodsche dogma van de
opstanding des vleesches door de Katholieke Kerk
wordt gewaardeerd, moet Christus vleeschelijk zijn
26
opgestaan en bijgevolg ook vleeschelijk zijn gestorven en
geboren. De concrete, vleeschelijke realiteit van Christus
is postulaat van de Kerk, evenzeer als de metaphysische
werkelijkheid van Christus soteriologisch postulaat van de
Gnostieken is 1).
Deze laatsten verstonden onder opstanding den toestand van
den mensch, die de ware Kennis bezit. Tertullianus 2)
spreekt smalend over hen als over menschen, die met
allegorische verklaring den juisten zin van profetische
uitspraken over de Opstanding verdraaien, zeggende, dat de
dood geestelijk moet opgevat worden en niet als de zichtbare
scheiding van ziel en lichaam, maar als de onwetendheid
waarin de mensch begraven ligt, wanneer hij God niet kent;
de ware opstanding zou volgens hen die zijn, als men in de
waarheid is doorgedrongen en een nieuwen geest en een nieuw
leven in God aanneemt. De kettersche verborgenheden te
leeren kennen, dat is bij hen de opstanding. De ketters
beginnen altijd met verzet tegen het dogma van de opstanding
des vleesches; hieraan te gelooven valt hun moeilijker dan
aan éénen
1)
hermann raschke,
Die Werkstatt
des
Markusevangelisten,
Jena 1924. S. 22 ff.
2)
Tertullianus, de Resurr. Christi 19.
27
God te gelooven. Tertullianus beweert, dat zulke
philosofeerende ketters om die reden de boeken der
Christenen bederven door er volgens hunne eigenaardige
opvatting philosofische leeringen in te schuiven. Tegelijk
verraadt hij echter, dat het verwijt van Schriftverknoeiïng
niet van één kant kwam, als hij zegt: „de ketter verzekert
zonder eenige gewetenswroeging, dat wij het zijn, die
de Schrift bederven en verkeerd verklaren en dat hij
alleen de zaak der waarheid verdedigt. Al is men nog zoo
geconfijt in de kennis der Schrift, er is bij zoo'n dispuut
niets te winnen en men moet geen strijd riskeeren, waarin de
overwinning altijd twijfelachtig zal zijn“ 1).
De Gnostieken konden zich intusschen toch maar beroepen op
het woord van Paulus : ,,God heeft ons, terwijl wij dood
waren in overtredingen, levend gemaakt met Christus en ons
met Jezus opgewekt“ 2), terwijl ook de hymne:
„Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de dooden, en
Christus zal over U lichten“ 3) dezelfde gedachte
vertolkt. Christe-
1)
Tert., de praescr. haer. 17—19.
2)
Eph. 2 : 5 v.; vgl. Col. 2 : 12 v.; 3 : 1; Rom. 6 : 4,
13.
3)
Eph. 5 : 14.
28
nen heeten dan ook menschen, die dood geweest zijn, maar
thans leven. Doch ook de Christus van het vierde Evangelie
kon als een onwraakbare getuige voor de opvatting der
Gnostieken gelden, wanneer hij zegt: ,,Wie mijn woord hoort
en in mijn zender gelooft, heeft het Eeuwige Leven en komt
niet in het gericht, maar is reeds uit den dood in het leven
overgegaan. De ure komt en is reeds daar, waarin de dooden
de stem van den Zoon Gods vernemen en zij die haar vernemen
leven zullen.“ Zoo iemand zal in der eeuwigheid den dood
niet zien. Wie in Jezus, de Opstanding en het Leven in
persoon, gelooft, zal leven, al is hij gestorven 1).
De Katholieke Kerk, die nauwere aansluiting heeft gezocht
bij de Oudtestamentische voorstellingswereld, noemt degenen,
die de opstanding reeds geschied achten, van de waarheid
afgedwaald; hunne prediking heet onheilige beuzelpraat; zij
zullen steeds meer tot goddeloosheid vervallen en hun woord
zal voortvreten als de kanker 2). De Kerk heeft
nog eene andere onsterfelijkheid gewild
1)
Joh. 5 : 24 v.; 8 : 51; 11 : 25; vgl. bij dit alles mijn:
De Wereld van het Nieuwe Testament, Huis ter Heide 1929,
blz. 159 w.
2)
2 Tim. 2 : 17 v.
29
dan die de Gnosis aldus formuleerde: „Wij staan op, als wij
den waarachtigen God hebben leeren kennen“
1).
Het verband, dat de Katholieke Kerk legt tusschen de
vleeschelijke opstanding en het geloof in een vleeschelijken
Christus, blijkt bij Tertullianus 2), als deze
tegen Marcion naar aanleiding van Phil. 2 : 6 w. betoogt,
dat Jezus niet maar een schijnlichaam heeft aangenomen en
aanstonds daarop, naar aanleiding van l Thess. 4 : 16 v.,
dat de Christenen bij zijne komst zullen opstaan.
Karakteristiek voor den betoogtrant van den ketterbestrijder
is ook wat hij zegt naar aanleiding van de
Avondmaalswoorden: „Dit is mijn lichaam] d. w. z. de
figuurlijke voorstelling van mijn lichaam. Eene figuurlijke
voorstelling zou er echter niet geweest zijn, indien er niet
een werkelijk lichaam was geweest. Overigens zou een
ledig ding, zooals een fantasiebeeld is, geen gedaante
kunnen aannemen. Of indien Jezus daarom zijn lichaam als een
brood heeft voorgesteld, omdat het de werkelijkheid van een
lichaam miste, dan had hij dus een brood voor ons moeten
over-
1)
Acta Pauli et Theclae 14.
2)
Tertullianus, adversus Marcionem V 20.
30
geven...
Waarom
echter noemde hij zijn lichaam een brood, en niet liever een
pompoen, die Marcion bezat in plaats van een hart“ 1)?
Afgezien van de spotternijen en grofheden, waarmede de
kerkman den ketter overlaadt, bespeuren wij uit dergelijke
aanhalingen duidelijk, dat de Katholiek zich tot den Doceet
verhoudt gelijk de realist tot den idealist. De bespiegeling
van de Gnosis loopt over schepping, verlossing, wereldeinde,
eersten en laatsten mensch. De Verlosser doorleeft volgens
haar eenzelfde lot als de Kosmos: hij lijdt, sterft en
verrijst; en dit is dan ook weer het lot van den
afzonderlijken mensch. Met de komst van Christus treedt de
Lichtwereld binnen in deze aardsche sfeer; het is de
openbaring van den tot nu toe onbekenden hoogsten,
verlossenden God-Vader, in tegenstelling met de openbaring
van den God-Schepper, een lager wezen, dat slechts tijdelijk
heeft mogen heersenen. Deze hemelsche Christus komt in een
schijnlichaam, gevormd niet uit aardsche stof, doch uit
bestanddeelen van de hoogere wereld; gaat dit lichaam dan
door Maria heen, zoo heeft er eene schijngeboorte plaats
(Valentinus). Anderen laten den hè-
1) t. a. p.
IV
40.
31
melschen Christus bij gelegenheid van den doop in den
aardschen Jezus binnengaan en hem vóór het lijden weder
verlaten (Basileides). Men noemt dit Docetisme d. w. z. dat
Christus geen stoffelijk lichaam bezat, doch slechts een
schijn van menschelijkheid, zoodat zijn geboorte en dood,
zijn eten en drinken slechts schijn waren. Hieronymus 1)
verraadt ons, dat dit Docetisme heel wat ouder is dan de
orthodoxe Katholieke Kerk, ja zoo oud als het Christendom
zelf, wanneer hij schrijft: ,,het bloed van Christus was nog
versch in Judaea, toen zijn lichaam al een phantasma (=
schijn) werd genoemd.“ Dit Docetisme was de consequentie
van de Gnostische gedachte, dat de stof het booze beginsel
is: Christus kan daaraan geen deel hebben. Welke belangen de
rechtzinnigheid bij hare bestrijding van het Docetisme op
het spel achtte te staan, blijkt wel uit het aandoenlijke
woord van Tertullianus tot den Doceet Marcion: ,,spaar de
eenige hoop van de geheele wereld l“ 2)
Want
Marcion's God bevrijdt volgens Tertullianus 3)
den mensch niet ten volle van Marcion.
1)
Hieron., adv. Luciferum 23.
2)
Tert.,
de Carne Christi 5.
3)
Tert., adv. Marc.
I 24.
32
het verderf; Zijne goedheid is onvolmaakt, want Hij behoudt
de menschen slechts naar de ziel, doch laat hen naar het
vleesch verloren gaan, want het vleesch staat volgens hen
niet op. „Vanwaar deze halveering van het behoud, tenzij dan
tengevolge van een tekort aan goedheid? Volmaakte goedheid
zou den ganschen mensch behouden.“ In de 2de eeuw waren de
meesten eenigermate docetisch, maar de Kerk wilde het
anders: Jezus, zittende aan 's Vaders rechterhand, is van
vleesch en bloed 1), gelijk hij ook in het
vleesch is ten hemel gevaren 2).
Marcion liet Jezus volwassen uit den hemel op aarde
nederdalen; hij loochende de geboorte van Christus, opdat
hij het vleesch van Christus loochenen kon, of omgekeerd:
hij loochende het vleesch om de geboorte te kunnen
loochenen; Tertullianus 3) begrijpt, dat deze
twee bijeen behooren; geen geboorte zonder vleesch, geen
vleesch zonder geboorte. Mardon vond namelijk geboren te
worden voor een god onmogelijk of ongepast. Maar zijn
bestrijder gelooft, dat voor God niets on-
1)
Tert.,
de Carnis Resurrectione 51.
2)
Irenaeus, I 10, 1.
3)
Tert.,
de Carne Christi 1.
33
mogelijk is of ongepast, tenzij wat Hij niet wil. Had de
ketter gelijk, dan zou Christus ook niet als ménsch
verschenen zijn, want wie zou, bij het zien van een ménsch
kunnen loochenen, dat hij geboren is ? Nu ondersteunden de
Gnostieken hunne opvatting met een beroep op de
verschijning van engelen, die toch ook zonder te zijn
geboren een menschelijk lichaam hadden. Voor
Cerinthus, een Gnosticus, is de Christus niet als ménsch
„in het vleesch gekomen“, maar slechts als geest voor een
poos in den ménsch Jezus binnengegaan; de bovenwereldlijke
Christus heeft de verlossing gebracht; deze is niet
opgestaan, want hij is niet gestorven en kan niet sterven;
opgestaan is de ménsch Jezus. In deze laatste gedachte moest
eigenlijk de liberale theologie zichzelve terugvinden;
dood en opstanding waren immers volgens
brandt de
eenige vaste gegevens in de Jezusbiografie; hoewel wij,
eenigszins moderner, een herleefden doode ietwat
onwaarschijnlijk achten. Intusschen wordt daarover zelfs
tegenwoordig nog anders gedacht door de Rationalisten
onder de conservatieven, die de opwekking van
Jaïrus' dochtertje, van den jongeling te Naïn en van
Lazarus mogelijk achten voor een krachtigen wil als Jezus
bezat en zich daarbij beroepen op instemming
van medische
34
zijde
1),
helaas! zonder mededeeling van namen dier medici, misschien
wel gedachtig aan de spreuk: ,,namen zijn hatelijk“.
De Katholieke richting spreekt zich tegen De eerste het
Docetisme krachtig uit in den eersten
Johannes.
brief van Johannes. Valsche profeten en antichristen heeten
de Doceten daar 2).
Wie
is de leugenaar (het werktuig van den duivel, de valsche
profeet van Openb. 16 : 13; 19 : 20; 20 : 10), indien niet
hij, die loochent, dat Jezus de Christus is ? Wij hebben
hierbij niet te denken aan de loochening van Jezus'
Messiaswaardigheid, aan het ongeloof van Joden 3);
Schrijver bedoelt de zonde van Christenen, wier
Christusbeschouwing de personen Jezus en Christus scherp van
elkander scheidt op de wijze, waarop wij dit Cerinthus zagen
doen. ,,Elke geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het
vleesch is gekomen, is uit God“ 4). Leerde
Cerinthus 5) niet juist, dat Jezus niet uit eene
maagd is
1)
obbink-brouwer,
Inleiding tot den Bijbel, Amst. 1928, blz.
408 v.
2)
l Joh. 2 : 22.
3)
Tegen windisch,
Katholische
Brief e2
1930, S. 118.
4)
l Joh. 4 : 2.
6)
Irenaeus I 26, 1.
35
ontstaan, doch een zoon uit Jozef en Maria's
verbintenis is geweest, op gelijke wijze als alle overige
menschen, en dat hij slechts rechtvaardiger en wijzer was
dan allen? Na den doop zou op hem van de Authentia
(Souverein) van het Heelal de Christus in de gedaante van
eene duif zijn nedergedaald, en daarna zou hij den
onbekenden Vader hebben verkondigd en krachten gedaan. Tegen
het einde zou de Christus zich van hem hebben verwijderd, en
als geestelijk wezen vrij gebleven zijn van het lijden, dat
Jezus moest ondergaan.
Hoezeer de vleeschelijke opstanding, en bijgevolg het
sterven en de voorafgaande geboorte van Jezus, met het dogma
van de opstanding des vleesches samenhangen, blijkt ons uit
de uitspraken van Pseudo-Justinus 1): „Er zijn
sommigen, die beweren, dat Jezus zelf alleen geestelijk
aanzijn heeft en niet in het vleesch, maar in eene
schijngestalte van vleesch is verschenen, en die eveneens
beproeven, het vleesch van de (heils-)belofte te berooven...
Jezus is in hetzelfde vleesch, dat geleden heeft, opgestaan,
opdat hij de vleeschelijke opstanding zou bewijzen.“
Welsprekend Pseudo-Justinus,
de Resurrectione
2 en 9.
36
zijn in dezen ook de Ignatiaansche brieven 1).
„Hij heeft werkelijk geleden... niet, gelijk sommige
ongeloovigen zeggen, dat hij in schijn geleden heeft, — zij,
die zelven schijn zijn! En gelijk zij denken, zal het hun
ook vergaan, hun, die onlichamelijk en spookachtig zijn...
Na de opstanding at en dronk hij met hen (nl. met Petrus en
de zijnen) als een vleeschelijk wezen, ofschoon hij
geestelijk met den Vader verbonden was... Wat baat mij
iemand, zoo hij mij prijst, maar mijn Heer lastert, door
niet te erkennen, dat hij vleeschdrager is? Wie dat ontkent,
loochent hem volkomen en is zelf een lijkdrager.“ Dit
laatste doelt duidelijk op het ten doode gedoemd zijn van
het vleesch der Doceten.
Leerrijk is ook de Dialoog van Adaman- tius,
waarschijnlijk op het laatst der 3de eeuw
geschreven, waarin deze als vertegenwoordiger van het
rechtzinnig Katholiek geloof disputeert met Marianus, die
het alleronbehoorlijkst vindt om te zeggen van Christus,
dat vlekkelooze wezen, dat hij vleesch van onze substantie
zou hebben aangenomen; z. i. leeren de Schriften
dat het
hemelscb
vleesch was. Het
eigen
Woord
van God kan
1)
Ignatius ad Smyrn. 2-5;
vgl. Ephes. 7:2;
ad Trall. 10.
37
|
|
geen vleesch van eene vrouw aangenomen en slechts in schijn
geleden hebben
1).
Het antwoord van Adamantius luidt: „Als hij in
schijn en niet in werkelijkheid geleden heeft, dan
spreekt Herodes in schijn recht, dan wascht Pilatus
in schijn de handen, heeft ook Judas in schijn verraden,
hebben in schijn ook Kajafas, in schijn ook de Joden hem in
de macht gehad, zijn in schijn ook de apostelen (gevlucht),
werd in schijn ook zijn bloed vergoten, hebben in schijn ook
de Evangelisten het Evangelie gepredikt, is hij in schijn
ook van de hemelen gekomen en in schijn opgevaren, en
(bestaat) in schijn ook het behoud der menschen, en niet in
werkelijkheid. Hoe kan Christus dan zeggen: Ik ben de
waarheid!'' Voor Adamantius is de waarheid dus gelijk aan de
realiteit, het historisch gebeurd zijn, het tastbare en
zichtbare vleeschelijke. Marianus daarentegen beweert,
dat Jezus een lichaam heeft aangenomen op
soortgelijke wijze als de engelen, die bij Abraham aten en
dronken. Maar de ketterbestrijder ziet daarin
onwaarachtigheid, den waarheidsprediker onwaardig;
deze mocht niet schijnen wat hij niet was),
en zich niet in plaats van
1)
Adamantius, Dialoog IU 13, 16; lic 1.
38
voor een god voor een mensch uitgeven 1). De
engelen bij Abraham zijn voorafschaduwingen van Christus;
toen de Waarheid was gekomen, hebben die afbeeldingen
volgens den Apostel opgehouden (Hebr. 10 : 1); als nu echter
de Doceten Christus zelf ook schaduwachtig en
voorspellenderwijze laten gekomen zijn, dan zouden wij
nu iemand anders in werkelijkheid te verwachten
hebben, die ook een Zoon des Menschen is, in werkelijkheid
sterft, begraven en, uit de dooden opgewekt wordt en den
menschen eene werkelijke zaligheid zal geven.
Men ziet, dat het begrip van „werkelijk- heid“ in dezen
tekst eensluidend is met dat van „realiteit“. Het
Oudtestamentisch ver- haal spreekt van iets onreëels en
krijgt pas in het Nieuwe Testament zijne realiteit.
Uitgaande van deze vooronderstelling begrijpt men, hoe
dan stelselmatig en principieel al het Oude in het Nieuwe
tot realiteit moest komen en in vervulling gaan; een
belangrijke aanwijzing voor de herkomst van het
Evangelieverhaal. De Katholiek oordeelt, dat de werkelijke
zaligheid van de menschen, d. w. z. de vleeschelijke
opstanding, pas kan komen door een reëelen, lijfelijken
godmensch, ter-
1)
IIc lic 4.
39
wijl hij den Christus van de Doceten niets meer acht dan
eene Oudtestamentische theophanie, gebrekkig op zichzelve en
haar eigenlijken zin en voltooiing pas vindende in de reëele
verwezenlijking. De alles beheerschende tegenstelling is die
van beeld of gedaante én waarheid. Een geest kan niet
overgeleverd worden of sterven of begraven worden; wanneer
de Schriften den menschen het behoud door dood en bloed van
Christus verkondigen en hij slechts bloed in schijn had, dan
worden wij ook in schijn behouden. De
tegenwoordigheid-in-schijn van de engelen bij Abraham heeft
de wereld ook niet kunnen behouden! „Wij zouden dus wankelen
op het punt van het geloof, daar wij in schijn de hoop en
het behoud deelachtig zouden zijn geworden“ 1).
Met andere woorden: om ons behoud is het noodig, dat
Christus reëel geleden heeft; van een historisch
geconstateerd of constateerbaar feit is hier geen sprake. En
de aanhaling in dit verband van l Cor. 15 : 14: ,,indien
Christus niet uit de dooden is opgewekt, dan is ons geloof
(in de opstanding) ijdel“, toont al weer ten overvloede, dat
het om onze opstanding uit de dooden eigenlijk te
1)
II e 6 vv.
40
doen is en dat deze een vleeschelijken Christus vereischt.
De metaphysische
Christus van de Gnos- tieken is ouder dan de kerkelijke.
Wie de Markushypothese huldigen, en dat doen ver- reweg
de meeste onderzoekers, zien in net
tweede Evangelie het oorspronkelijkste. Welnu, de
onderzoekingen van
hoekstra 1) over de Christologie van het
kanonieke Marcusevangelie hebben reeds in 1871 aangetoond,
dat dit Evangelie gnostisch is. Het wordt geheel beheerscht
door de
extasis-gedachte,
d. w.
z.
door de gedachte, dat Jezus door den Geest in bezit is
genomen; de mensch Jezus wordt bij Marcus verzwolgen door
den Zoon van God 2). „Wat wij bijna geheel
tevergeefs in den Christus van Marcus zoeken, het is het
menschelijke in engeren zin, die menschelijke zwakheid,
die buiten de zedelijkheid omgaat, en alleen uit het gevoel
van beperktheid voortvloeit, gevoel van behoefte aan
deelneming, aan sympathie, aan aansluiting, het persoonlijke
in Jezus' betrekking tot degenen, met welken hij verkeert
3)“. Hij staat bulten en boven den
kring der menschen; met
1)
Tbeol. Tijdschrift,
1871.
2)
hoekstra, blz.
161.
3)
blz. 163.
41
niemand heeft hij een innig rapport en allen blijven scherp
contrasteerend tegenover hem staan, terwijl alle
menschelijke gemoedsbewegingen hem volkomen vreemd zijn.
Zijne verzoeking is een niet te beschrijven strijd tusschen
den Satan en de woestijngedierten (d. i. de duivelen) aan de
eene, en Jezus en de Engelen Gods aan de andere zijde.
hoekstra zegt:
„voor de levensbeschrijving van Jezus heeft dit Evangelie
niet de minste waarde, even veel en even weinig als het
vierde Evangelie, waarmede het uit het oogpunt van
religieuze diepte en innigheid zelfs niet in de verte te
vergelijken is“ 1). M. a. w. de Jezus van Marcus
is geen mensch in den gewonen zin van het woord, geen
historisch persoon in den zin van de personen der Algemeene
of Vaderlandsche Geschiedenis. Slechts daemonen herkennen
hem in zijn goddelijk wezen, als hij in deze wereld komt
sterven tot verlossing van de menschheid.
Houdt men met
meyboom, hilgenfeld e.a. m. i. terecht, het tweede
Evangelie voor jonger dan Matthaeus, dan kan het toch heel
goed dichter dan Matthaeus bij het oorspronkelijke
Gnostische Evangelie zijn gebleven, even goed als Johannes
later komt in den tijd,
1)
blz. 440
41
doch antieker is naar de opvatting. Het oudste Evangelie
kwam volgens mijn leermeester
van manen uit
den kring der Gnostieken, wien het orgaan voor geschiedenis
ten eenenmale ontbrak; in onze Evangeliën vond hij dit door
hem onderstelde historische gegeven door allerlei
speculatiën verknoeid. Reeds het oudste Evangelie was z. i.
met dat wonderlijke en voor zijn nuchter gevoel rare
aangedaan. van manen
wist te onderscheiden tusschen zijn eigen ideaal én
den Christus van het Evangelie; en voor de Oudchriste-
lijke bronnen had hij als wetenschappelijk man te veel
respect dan dat hij ze geweld- dadig tot tolken van
zijn eigen gevoelens zou maken 1). Het oudste
Evangelie zal den in het vleesch geboren Christus hebben
geloochend en derhalve eene geboortegeschiedenis gemist
hebben; maar niettemin verkondigde het wel een werkelijken
Christus, een metafysisch werkelijken Christus. Hier is de
oude tegenstelling van het Christendom: de strijd tusschen
Gnosis en Kerk loopt niet over een historischen,
maar over den vleeschelijken en den geestelijken, den
realistisch voorgestelden en den idealistisch, metafysisch
gedachten
1)
Zie mijne Inleiding tot de Oud-ChristeLijke
Letterkunde,
Amst. 1927, blz. 8.
43
Christus. De Gnosis zegt: Zijne werkelijkheid is niet van
deze wereld, het is eene eeuwige, onvergankelijke,
geestelijke werkelijkheid; deze wereld is slechts schijn.
Het Katholieke Christendom leerde daarentegen en heeft in
dien geest ook de Evangeliën bewerkt: ook deze wereld is
door God geschapen en haar Schepper is dezelfde als de Vader
van Jezus Christus; dus moet Jezus Christus ook aan de
werkelijkheid dezer wereld deel hebben en met onze
vleeschelijke natuur daarin verzonken zijn. De Gnosticus wil
hem geheel los van de wereld denken; de Katholiek vervlecht
hem met deze wereld, omdat hij met deze wereld door Jezus
Christus verlost wil worden. In een opstel over
„Basilides und der Buddhismus“ l) heb
ik trachten aan te toonen, dat de Gnosticus ten dezen minder
redelijk dan de Katholiek dacht, getuige Basileides' lezing
van Rom. 5 : 19 vv. Deze houdt in, dat de Schepping, als
werk van den Demiurg (=
Wereldschepper)
er naar verlangt, de Godskinderen als lastige vreemde
elementen uit te stooten; zij wil hen kwijt zijn en in haar
ouden, natuurlijken en onbewusten staat hersteld worden. De
Katholieke be-
1)
In Aus Indiens
Kultur, Festgabe
für
RlCHARD von garbe,
Erl. 1927, S. 74 ff.
44
werker van den brief heeft deze gedachte gewijzigd en m. i.
verbeterd, toen hij er van maakte, dat de schepping hoopt,
den zegen der kinderen Gods deelachtig te worden en eene
volkomen vernieuwing te genieten.
Men vraagt wel, of het bestaan van Ebio- nieten, die Jezus
een psilos
anthrôpos
(louter
een mensch) achtten, geen bewijs oplevert voor een
historischen Jezus.
hermann bauke 1) waarschuwt ons echter
reeds voor deze voorbarige conclusie, als hij de opmerking
maakt: „Noch de eerste Alonarchianen, noch Paulus van
Samosate hebben ooit getwijfeld aan de geboorte uit eene
maagd of aan de lichamelijke opstanding. Als men beweert,
dat ze Jezus voor een psilos
anthrôpos
hebben gehouden, mag dit heelemaal niet in modernen zin
verstaan worden.“ Zou dit laatste van de oudere Ebionieten
ook niet gelden? Er waren volgens Origenes 2)
twee soorten van Ebionieten: zoodanigen, die de geboorte van
Jezus uit eene maagd verwierpen, maar ook zulken, die deze
geboorte aannamen. De eerste soort gewaagde van een Engel,
die in Jezus sprak, dus ook zoo iets als het goddelijk
Pneuma, dat bij den Doop zich met hem
1)
in Rellgion in Geschichte
und Gegenwartz
I 1641. 2) Origenes,
c.
Celsum V 61.
45
vereenigde; die Engel gaat in hem, den natuurlijk verwekte,
binnen
1).
Het was de streng monotheïstische Godsidee, die deze
menschen weerhield om Jezus in den letterlijken zin als Gods
Zoon te beschouwen; Zijne goddelijkheid is de vrucht van den
in hem nederdalenden Geest; alweer een dogmatische en niet
een historische gedachtengang. Overigens is een door den
Heiligen Geest verwekte en uit de maagd geboren Jezus voor
het bewustzijn van de oudste Christenen zeer goed als
werkelijkheid denkbaar; wij als 20ste eeuwers kunnen daar
niet bij. De metaphysische behoeften vonden destijds
bevrediging in sagen gelijk thans in bespiegelingen.
Wonderen kon men gemakkelijk plaatsen, omdat men van de
kennis van natuurwetten geen last had; zoo was het wonder
iets volmaakt natuurlijks.
hermann raschke
2) formuleert de zaak aldus: het
hedendaagsche bewustzijn verhoudt zich tot het antiek gelijk
de natuurwet tot de magie. Astrologie en daemonologie
stonden voor de Ouden vast als voor ons de wet der
zwaartekracht. Ploti-
1)
Vgl. Tert., de Carne Christi 14; de virg. vel. 6; Ephiph.,
Haer.
XXX
14.
2)
hermann raschke,
Die Werkstatt
des
Markusevangelisten,
Jena 1924, S. 23.
46
nus leerde, dat de mensch zich met de godheid kan vereenigen
en dan god of daemon wordt. In Hand. 14 : 11 w. lezen wij
als geloof van de heidenen te Lystre, dat de goden aan de
menschen zijn gelijk geworden en tot de menschen afgedaald;
men noemde Barnabas Zeus en Paulus Hermes. Duidelijk wordt
hier voorondersteld, dat goden menschen kunnen worden.
Destijds had de vraag: is Jezus Christus mensch? een heel
anderen zin dan thans, nu wij haar als moderne en
historisch-geschoolde menschen stellen. Voor het besef dier
dagen kan hij ook als niet-mensch, als god, geleefd hebben,
zooals Herakles. Over vermenschelijkte goden kon men juist
zóó vertellen als in de Evangeliën over Jezus verteld wordt1).
Jezus is werkelijk, ook zonder vleeschelijke realiteit te
hebben; werkelijk op de wijze waarop de godheid werkelijk
is. Noch Tertullianus noch Marcion heeft in de 2de eeuw van
een historischen Jezus gesproken. De Leben-Jesu-Forschung
heeft onkritisch aan het Oudchristelijke
werkelijkheidsbegrip onzen modernen zin ondergeschoven; er
is namelijk van eene andere soort werkelijkheid
1)
Vgl. mijne Inleiding tot de O ud-Christelijke
Letterkunde, Amst. 1927, blz. 173 w.
47
sprake in de Evangeliën. Zoowel Origenes als Celsus vatten
in hun strijd pro en contra het Christendom Jezus'
goddelijkheid realistisch op. Ondanks alle
verstandsverlichting achtte men het toen toch mogelijk, dat
een mensch een god was.
Wel
is Celsus ten aanzien van den Heer der Christenen een beetje
wantrouwend; diens eten en drinken haalt hij er bij, omdat
daaruit scheen te volgen, dat hij toch niets
meer
dan een mensch geweest was. Maar de quaestie tusschen
Origenes en Celsus loopt niet over het bestaan van Jezus,
doch slechts over de vraag of de bestaande Jezus mensch of
god is geweest; de ongeloovige Celsus moest het goddelijke
aan Jezus wel ontkennen. Origenes leert eene veelvuldige
verschijningswijze van Jezus. Zijne ware, absolute
verschijning kunnen wij niet vatten, even weinig als die van
God. Hij is de Logos, die alles doortrekt en door alle
gestalten heenschijnt. Ook na de menschwording is hij voor
hen, die de scherpstziende oogen der ziel hebben
theoprepestatos, d. w. z. van hoogste goddelijke
heerlijkheid 1).
Marcion en de zijnen, Doceten en tegen het Jodendom gekant,
weigerden omtrent het goddelijke aardsche en Joodsche dingen
te den-
1)
Origenes, c. Celsum 3 : 14.
48
ken. Christus was hun in zekeren zin Godzelf; het offer aan
het kruis een mysterie, niet reëeler dan dat van Osiris. De
naïeve geloovigen, die volgens Tertullianus altijd in de
meerderheid zijn, geloofden in reëele hellestraffen, door
daemonen in het hiernamaals toe te dienen, en wilden daarvan
bevrijd worden door de even reëele offerande van Christus.
Daartoe was Christus' mensch-zijn noodig, en dit vereischte
weer zijne geboorte uit eene sterflijke vrouw. Te
merkwaardiger, dat het denkbeeld „eengeboren Zoon“ in het
vierde Evangelie en in de latere Kerkleer zich gehandhaafd
heeft, — de term zal namelijk volgens de jongste
onderzoekingen, beteekenen : geboren enkel uit God, zonder
menschelijke medewerking 1).
Het Katholieke denkbeeld, dat Jezus, de Christus, uit eene
vrouw geboren is, kwam in strijd met de uitspraak van Jezus'
zelven, dat Johannes de Dooper de grootste was van degenen,
die uit vrouwen geboren waren. Een Johannesleerling zal zich
dan ook op Jezus als getuige hebben beroepen voor het
geloof, dat zijn leermeester de Christus was; had
Jezus zelf niet betuigd, dat Johannes
1)
E. böklen
in Theol. Studiën
und
Kritiken
1929, S. 55 ff.
49
grooter was dan alle menschen en profeten? Daaruit moest
immers volgen, dat Johannes ook grooter was dan Mozes en
Jezus zelf
1)!
Denzelfden gedachtengang vinden wij elders, als de
leerlingen van Johannes zeggen, dat deze grooter dan
Christus is, die dit immers zelf heeft betuigd met de
woorden: er is geen grootere onder de uit een vrouw
geborenen dan Johannes 2). Een Gnostisch Christen
zou echter met het oog op Mt. 11 : 11 en Lk. 7 : 28
geantwoord hebben: Jezus is zelf niet uit eene vrouw
geboren; en Johannes alléén wordt vergeleken met hen, die
aldus geboren zijn. Marcion bv. zal de genoemde teksten
volkomen juist verklaren als hij zegt, dat de Dooper de
geringere is geweest ten aanzien van hen, die tot het
Godsrijk behooren, omdat dit het rijk is van een anderen god
dan dat, waarin vrouwen kinderen baren 3). De
latere Manichaëers en Katharen hebben dan ook aan Jezus'
geboorte uit eene vrouw aanstoot genomen 4); zij
zijn in dezen de voortzetters van oude traditiën.
1)
Clemens, Recogn. I 60.
2)
Ephraem Syrus, Evangelii concordantis Expositio ed.
Moesinger, p. 288.
3)
Tertullianus, adv. Mare.
IV
18.
4)
Vgl. prosper alfaric,
Leo Ecritureo Mani-
50
De nadruk, dien de wordende Kerk tegenover de Doceten op het
vleesch, op de menschelijkheid, legde, moest noodzakelijk
leiden tot wat wij noemen historiseering van de idee. De
geschiedenis heeft moeten dienen voor dogmatische
doeleinden, om Gnostische vervluchtiging en willekeur tegen
te gaan. De Evangelische fantasie heeft den blik afgeleid
van den Paulijnschen en Gnostischen Christus. Paulus spreekt
veel duidelijker over eene zuiver metaphysische grootheid in
den zin van het antieke daemonengeloof. Als wezen van eene
hoogere wereld is juist de Gnostische Christus waarachtig
werkelijk; de zichtbare en tastbare werkelijkheid was
slechts eene afgeleide en secundaire. Om de menschen te
verlossen heeft de oudheid een werkeiijken
Christus
noodig, maar niet in den zin van ons modern
geschiedkundig onderzoek. Men meene vooral niet,
dat de Doceten, een lichaamloozen Jezus voordragende,
de libe- rale opvatting aangaande Jezus
bestreden; die opvatting werd toen door niemand verkondigd.
Het is niet zóó, dat het dogma de geschiedenis heeft
verdrongen; het dogma
chéennes,
II
Paris 1918, p. 172; Realencyclopadie
für Prot. Th. u. K.2
XIII
765.
51
heeft integendeel de daarbij passende geschiedenis noodig
gehad en geschapen. De Gemeente voltrok de omzetting
van het mythische in het dogmatische; de polemiek dwong
haar tot formuleering van haar geloof in begrippen, en de
zending eischte noodzakelijk, dat zij de idee door het
verhaal aanschouwelijk maakte. Paulus (l Cor. 3 : l v.)
spreekt niet als tot geestelijken, maar als tot
vleeschelijken, als tot jonge kinderen in Christus, die hij
met melk en niet met vaste spijs heeft gevoed. De Kerk heeft
deze methode stelselmatig toegepast. Het Evangelie is eene
gelijkenis over het Christelijk mysterie. De
hemelsche mensch van Paulus en van het oorspronkelijk
Evangelie kreeg langzamerhand een steeds meer uitgewerkt
aardsch leven, hetgeen den indruk van historische zekerheid
wekken moest. De Docetische Christus is tot zuivere
menschelijkheid gewijzigd onder den invloed van Joodsch en
Romeinsch realisme; de nadruk op dit menschelijk karakter
gelegd heeft er veel toe bijgedragen, Jezus te doen
zegevieren over andere verwante Heilandgestalten. Mythische
helden moesten het , afleggen tegen de godmenschelijke
gestalte, waarvan het dogma uitdrukkelijk leerde, dat zij in
een bepaald punt des tijds en met de historie vervlochten
verschenen was (Gal.
52
4 : 4). Zeer juist heeft
johannes weiss
1) ingezien, dat het Christendom een voorsprong
op andere godsdiensten heeft gehad reeds hierdoor, dat het
niet louter de dienst van een hemelschen Christus was; van
den beginne was het geloof aan dezen verbonden met het beeld
van den mensch Jezus. Men beweert gewoonlijk, dat de Kerk
het op haar tegenstanders, bv. op het Mithracisme gewonnen
heeft door zich tegen elk compromis te ver- zetten, — dit
heeft zij veeleer bereikt door haar realisme, dat
van Joodsche en Romeinsche herkomst is en zich in de
aanvaarding van het Oude Testament als Christelijke Heilige
Schrift (continuïteit der Godsopenbaring) en in de erkenning
van een, niet maar Docetisch, doch inderdaad vléésch en
historisch persoon geworden Godszoon uitsprak.
WESTphal
2)
zegt: ,,de geschiedenis van Mithras is geen geschiedenis,
zij is legende“ en dat noemt hij dan ,,het groote tekort“.
Daarop geeft hij eene schoone beschrijving van de
geestelijke behoeften der Mithrasdienaren en van de
bevrediging daarvan, die de mysteriën
1)
Jesus
im
Glauben des Urchristentums,
Tübingen 1910.
2)
westphal,
Mithra el Ie Christ,
Paris 1911, p. 119 v.
53
beloofden om dan ineens kort maar krachtig te besluiten met:
,,toch waren hunne godsdienstige belevingen even ijdel als
hunne verwachtingen, want Mithras was maar een
fictie.“ Uit een dergelijk citaat blijkt dan, hoeveel
het historische voor de menschen kan beteekenen en hoe de
Katholiek wordende Kerk dit noodig had, wilde zij
millioenenkerk worden. Tegenover Gnostieke fantasten, die de
Wet verwierpen, bevestigde de Kerk deze Wet door het
gezag van den Messias, 't Johannes-evangelie is dan eene
concessie van de Kerk aan hare geestelijke moeder,
de Gnosis, geweest.
In de 18de eeuw heeft een geleerde als
mosheim
Mithras en Mercurius nog voor historische figuren
gehouden. Nu is het juist, dat achter elke godsvereering een
historisch proces ligt, dat het veroorzaakt heeft; maar het
is niet de historiciteit van een god of halfgod, wiens naam
in het centrum van die vereering staat: geen
historische Herakles of Hermes, geen historische Horos of
Dionysos. De Psalmen van het Oude Testament zijn zeker
geïnspireerd, maar niet door een historisch persoon, Jahwe
geheeten, even weinig als de hymne van Hippolytos op,Artemis
bij Euripides het geschiedkundig bestaan van eene
vrouw Artemis bewijst. Toch waren de 54
vereerders van Adonis, Attis en Herakles van de
werkelijkheid van hun held ten volle verzekerd: hij had
geleefd, hij was gestorven en opgestaan. Geschiedkundige
personen worden zij door dat geloof niet. Stellig heeft het
Christendom een historisch punt van uitgang gehad, evengoed
als de Heraklesvereering onder de Stoicijnen. Wie echter op
grond van het bestaan van een Heraklescultus zou willen
besluiten tot eene historische figuur Herakles zou zich
belachelijk maken.
Wat
de Grieken ook over hem vertellen, Herakles blijft een
zonnegod. De Jezus van het Evangelie is de
aanschouwelijkheid van den Christus der idee, den eeuwigen
Christus, des Vaders eeuwig stervenden en wederkeerenden
Zoon (bolland).
Zoo maakt het Christendom in eene beeldrijke
geschiedenis de geschiedenis aanschouwelijk, de
eeuwige historie Gods en des menschen.
Voor de Katholieke Kerk gaat het gedicht een feit worden :
men spreekt van heilsfeiten,
waarbij men dan gaarne de klemtoon legt op de tweede helft
van het woord en de feitelijkheid proclameert. De Kerk wil
tegenover Gnostische fantasterij en Wetsverwerping het
geloof aan Gods liefde door een aanschouwelijk Heilandsbeeld
en de waarde en beteekenis van de Wet door het gezag van den
Messias
55
handhaven. De Evangeliën dienen om het geloof in Jezus te
wekken (Joh. 20 : 31); zij laten dit geloof niet
berusten op mystiek weten, zooals de Gnostieken deden,
maar op het eenvoudige feit, dat de Middelaar Gods en
der menschen vleeschelijk op aarde heeft geleefd en zich den
Messias betoond heeft door woord en daad. Bij Markus
schemert de Gnostische oorsprong van het Jezusbeeld nog
duidelijker door, gelijk wij boven hebben gezien; maar ook
Matthaeus is er niet vreemd aan. Lukas bovenal wil den
indruk geven van een geschiedkundig bericht, o. a.
door nadrukkelijk zijne gegevens in een wereldhistorisch
raam te plaatsen. Johannes tracht den Gnostischen Heiland,
die als menschwording van den Philonischen Logos optreedt,
met den Jezus der Synoptische Evangeliën samen te smelten.
Reeds loman
heeft er op gewezen, dat de opneming van dit Evangelie in
den kanon na de Synoptische Evangeliën, wat
immers eene concessie van de Kerk aan hare geestelijke
moeder, de Gnosis, beteekent, bewijst, hoe weinig gescbiedkundig
de oude Christenen de Evangeliegeschiedenis
beschouwden; naar hunne opvatting was zelfs in de
Synoptische Evangeliën geen sprake van geschiedenis in
den zin, dien wij daaraan hechten.
56
Zegt Paulus 2 Cor. 5:16: ,,Indien wij Christus al naar
het vleesch gekend hebben, nu kennen wij hem niet meer naar
het vleesch,“ — dan doet het er weinig toe, of „naar het
vleesch“ bij Christus behoort of bij ,,kennen“ 1)
— in beide gevallen toch is er sprake van een lageren,
ongeestelijken vorm van Christendom, dien Schrijver meent te
moeten bestrijden. Hier wordt de reeds opgekomen
historiseering van het goddelijke verhaal afgekeurd. Eene
waarschuwing van de Gnosis tegenover het Katholicisme,
waarbij hypothetisch wordt gesproken; want Paulus
heeft nooit den vleeschelijken Christus of
den Christus vleeschelijk gekend; — maar zulke kennis is in
elk geval inadaequate, onvoldoende kennis; Jezus heeft
geleefd, toen en daar; zijn leven is zoo en zoo verloopen;
wij kennen bijzonderheden uit zijn aardsch bestaan, een
soort van uitgewerkt Evangeliebericht. Hiertegen protesteert
Paulus, en gelijk meermalen laat de Katholiek bewerkte tekst
hiermede nog een Gnostisch denkbeeld doorschemeren. Het
Katholicisme is immers juist het ,,elck wat wils“, de
verzoening van tegenstellingen; gemeenzaam uitgedrukt: het
1)
Zooals joh.
„WEISS
o. a. wilde in Paulus
und Jesus,
Berlin 1909, S. 25.
57
sparen van de kool zoowel als van de geit. Toen 2
Cor. 5 : 16 werd geschreven was dus het
historiseeringsproces al aan den gang. Maar dat is dan
heel iets anders dan uit dezen tekst een getuigenis te lezen
voor de historiciteit van den Jezus der modernen! Uit
het dogmatische treden wij niet uit. ,,Jezus heeft
menschelijk, geschiedkundig geleefd“ is even goed dogma als
„Jezus is de Zoon Gods“ of ,,de Heer is de Geest“; beide
tezamen verbonden zijn immers de orthodox-Christelijke
opvatting geworden en gebleven tot op den huidigen dag toe.
Leerde de Gnosis, dat Christus God was en niet echt mensch;
de Katholieke Kerk noemde hem God én mensch; het liberalisme
der 19de eeuw hield hem voor mensch en niet voor God.
Joden hebben nooit het historisch bestaan van Jezus ontkend,
zegt men. Maar werd dat historisch bestaan dan ook met
zooveel woorden beweerd? De Christenen leerden het
bestaan van hun goddelijken Christus, voor wien zij het
heilig Avondmaal vierden, in wiens naam zij hunne kinderen
doopten en wien zij als eenen god in hunne bijeenkomsten
beurtzangen toezongen. GOGUEL 1) heeft ge-
1)
goguel, Jésus
de Nazareth,
Paris 1925, p. 83.
58
lijk met de opmerking, dat de tegenstanders van het
Christendom in den ouden tijd den nadruk leggen op de
gebrekkige ontwikkeling van de Evangelisten, op het gemis
aan samenhang in hunne verhalen, op tegenspraak en
onwaarschijnlijkheden, maar dat zij nooit spreken van
Louter fictie. Slechts trachten zij uit Jezus'
geschiedenis het „wonderlijke en bovennatuurlijke te
verwijderen en haar menschelijk te verklaren; de realiteit
daarvan betwisten zij niet. Nu verzwakt
goguel echter
de kracht van zijn betoog, als hij dit voor de historiciteit
van Jezus wil aanvoeren, met de opmerking: de geheele
polemiek is afhankelijk van de Christelijke traditie. Juist!
Vooren tegenstanders beiden gaan uit van die Christelijke
traditie, zonder eenige historische kritiek; de quaestio
de facto, de vraag naar wat er feitelijk is gebeurd,
bestaat voor hen eenvoudig niet.
guignebert
1)
erkent volkomen, dat de zoogenaamde getuigenissen aangaande
Jezus van heidensche en Joodsche zijde niets te beduiden
hebben en dat Josephus' stilzwijgen niet gunstig is voor de
historiciteit van het Evangelieverhaal; dat het voorts
moeite kost, een
1)
guignebert,
Le problème de Jésus,
Paris, p. 149.
59
en ander te rijmen met den indruk, dien bv. Markus ons wil
geven. Maar, zegt GuiGNEbert
dan verder: het menschelijk bestaan van Christus
behoeft daarom niet noodwendig weg te vallen (daarom,
d. w. z. omdat er op de Evangeliën als
historiebronnen heel wat valt aan te merken); de Evangeliën
bevatten weliswaar heel weinig historie; de vraag is
echter of zij in het geheet geen historie kunnen
bevatten. Hier blijkt
guignebert de formule van onzen VAN
loon onbekend.
Deze groote geleerde heeft weinig gepubliceerd, maar wat hij
ten opzichte van het zuivere stellen van het probleem heeft
gedaan is grondleggend geweest. Hij vraagt niet naar Jezus'
historiciteit, niet naar de geheele of gedeeltelijke, zelfs
minimale betrouwbaarheid van de Evangeliën, maar alleen naar
het karakter der Evangeliegeschiedenis als
zoodanig. Het aannemen van een historischen Jezus ondanks
de Evangeliën en de Paulusbrieven is eene gewaagde
hypothese, en elke maatstaf ontbreekt ons om in de
overlevering aangaande Jezus het historische van het
onhistorische te scheiden. De eenige vraag kan slechts zijn:
welke hypothese verklaart de feiten het best? Wat de
liberale theologie tot nog toe geboden heeft zijn min of
meer willekeurige pogingen geweest om een Jezus naar haar
persoonlijken
60
smaak uit de Evangeliën op te diepen, die in geen geval op
historische waarde aanspraak mag maken. Dit alles heeft J.
VAN loon
betoogd in zijne beoordeeling van W.
brandt's
overigens geavanceerde kritiek, welke hem toch onbevredigd
liet, omdat hij eene andere houding tegenover de
Evangeliegeschiedenis geboden achtte; hij kende haar een
andersoortig karakter dan het historische of
minimaalhistorische toe. Het Paradijsverhaal en het sprookje
van Roodkapje zou men met behulp van de liberalen
aftrekmethode ook tot historische gegevens kunnen herleiden.
Wat
zou men echter zeggen van den verklaarder van Genesis, die
de slang niet zou willen laten spreken, maar overigens Adam
en Eva wel voor geschiedkundige personen zou willen laten
doorgaan? Het is toch geenszins onmogelijk, dat er eens een
man heeft geleefd, die in een vruchtbaren hof woonde en o.
a. aan dieren namen gaf; dit laatste hebben
cuvier en
buffon ook wat
dikwijls gedaan l En wat zou men zeggen van den lezer van
Roodkapje, die de dialogen tusschen kind en wolf, en vooral
het moment van het opengesneden beest, waaruit de opgeslokte
grootmoeder met haar kleinkind ongedeerd te voorschijn
treden, naar het rijk der fabelen zou verwijzen, maar een
meisje met een rood fluweelen
61
kapje en eene oude grootmama, die in het bosch woont,
toch met alle geweld als vaststaande geschiedkundige
data zou willen handhaven? Op zuiver
wetenschappelijke gronden is de Hollandsche radicale school
1)
sceptisch komen te staan tegenover dergelijk rationalistisch
bedrijf der „Aufklärung“.
In volkomen onafhankelijkheid van alle kerkelijke,
dogmatische of sentimenteele vooroordeelen heeft zij zich
opgewerkt tot het inzicht, door
van loon zoo
juist geformuleerd: dat het karakter der
Evangeliegeschiedenis vastgesteld moet worden vóór en alleer
wij mogen overgaan tot de nuchtere onderscheiding van
„waarheid“ en „verdichting“. Deze school eerst is het
Rationalisme en Scepticisme van de Leben-Jesu-Forschung
definitief te boven gekomen. Blijkens de geschiedenis van
het Rationalisme is immers het eigenaardige van dit
verschijnsel altijd dit geweest: dat het iets positiefs
verlangde, de fantasie met dwaling gelijk stelde en het
overgeleverde net zoolang wendde en keerde tot het
gebeurlijk werd, om het dan als gebeurlijk ook
gebeurd te achten.
Hoe bitter weinig
WlNDISCH
van de radi-
1)
Hare geschiedenis gaf ik in mijn boek: Die Holländischer
radikale Kritik,
Jena 1912.
62
cale opvattingen begrijpt, al zegt hij ook: ,,ik begrijp het
radicale betoog ten volle; niettemin wijs ik het af,“ 1)
blijkt, wanneer hij na eene opwarming van de argumenten van
schmiedel,
waarop ik straks uitvoeriger terugkom om ze in hunne
nietswaardigheid aan de kaak te stellen, laconiek schrijft:
,,de radicale hypothese zou alleen dan geoorloofd
zijn, zoo wij op goede gronden de overtuiging hadden
verkregen, dat wij in de evangeliën op zuiver
mythische bodem staan en dus uitsluitend met verhalen
te doen hebben, waarbij van geloofwaardigheid in
geschiedkundigen zin geen sprake kan zijn.“ Maar dan kunnen
wij ook uit een apocrief evangelie eene bloemlezing van
historische bestanddeelen maken, om nu maar niet weer op
Roodkapje terug te komen.
De zoogenaamde „formgeschichtliche“ methode van tegenwoordig
begint overigens hiervan iets te beseffen. Men hoore
dibelius, als
hij zegt: ,,de oude wijze van beschouwen, die op elk punt
van de geschiedenis van Jezus eenvoudigweg het alternatief
stelt „geschiedkundig of niet“ en op deze wijze niet uit het
subjectieve loskwam, wordt door eene nieuwe
1)
Christusprobleem2,
blz. 18. 2) blz. 31.
63
methode vervangen, die vóór dit alternatief eerst de vraag
stelt: op welke wijze overgeleverd? deze vraag
overeenkomstig den vorm en den stijl van den tekst in
kwestie tracht te beantwoorden en uit dit antwoord een
oordeel over soort en waarde der overlevering wint.“
1)
Intusschen komt deze „formgeschichtliche“ methode
dus handelend het gevreesde subjectivisme nog niet te
boven. Als nl.
dibelius op philologische gronden verschillende
Evangeliewoorden op Jezus' naam aan dezen ontzegt en tot
scheppingen van den Evangelist verklaart, die het raam en de
samenvatting heeft geleverd, dan tracht hij door een
achterdeur weer binnen te halen, wat hij door de voordeur
heeft uitgejaagd, wanneer hij ze toch verklaart voor de
volmaakte uitdrukking van onloochenbare trekken van Jezus'
werkzaamheid 2). Allerlei verhalen en woorden
worden als verdichting in den dienst van actueele vragen van
het Gemeenteleven herkend 3); aan wat men niet
als zoodanig kan plaatsen kent men dan geschiedkundige waar-
1)
martin dibelius,
Evangelium
und Welt, 2te
Aufl., Gött. 1929, S. 34.
2)
dibelius, S.
35.
3)
Vgl. karl
kundsin, das
Urchrijtentum.
im
Lichte der Evangelienforscbung,
Giessen 1929.
64
de toe. Het is de oude aftrekmethode in een verjongden vorm.
Toen arthur drews
in 1909 zijne Christusmythe
had uitgegeven, verwekte dit boek een geweldigen storm in
Duitschland, en deze groeide nog aan, toen hij bovendien
door openbare voordrachten zijne denkbeelden in steeds
breederen kring verspreidde. De Monistenbond had op 31 Jan.
en l Febr. 1910 eene bijeenkomst op touw gezet, het
zgn. Berlijnsche Godsdienstgesprek, waartegenover de
orthodoxie toen een protestvergadering belegde in het Circus
Busch en in den Dom van Berlijn; in tegenwoordigheid van den
Pruissischen Minister van Eeredienst kwam de rechterzijde
daar tot de conclusie: Jezus leeftl Haar pers kwalificeerde
dit als „een waarachtig bevrijdende en hartverblijdende
Christelijke daad.“
drews 1) zelf heeft het een
sophistischen kunstgreep genoemd. Daarmede heeft hij
niets te veel gezegd; want de Jezus der Kerk, die leeft,
nu nog leeft, eeuwig leeft, is niet de
historische, die in de eerste drie tientallen jaren van onze
tijdrekening in Palestina zou hebben rondgewandeld.
1)
arthur drews,
Die Leugnung der Geschichtlichkeit
Jesu
in Vergangenheit
und Gegenwart.
Karlsruhe, 1926 S. 156 f.
65
Overigens hebben de orthodoxen gelijk, wanneer zij
zeggen: Jezus leeft
!
en zich onbevredigd gevoelen door de opvatting van
vele modernen, dat Jezus alleen maar geleefd hééft. Zij
bedoelen met Jezus dan blijkbaar den Heer Jezus Christus
uit de geloofsbelijdenis. Indertijd beweerde ten onzent Dr.
J. H. gerritsen,
dat het feit van Christus opstanding door de eeuwen
heen tot op dit oogenblik voortduurt. Deze uitspraak heeft
inderdaad zin, als men aan bedoelden Christus der Kerk
denkt, aan den metafysischen Godszoon. Denkt men echter aan
het altijddoor lichamelijk opstaan uit zijn graf van een
historisch persoon, dan moet den historicus, die zich met
hem bezig houdt, wel hetzelfde benauwde gevoel
overmeesteren, dat mij bij de bekende schilderij in het
Wiertzmuseum te Brussel beving, toen ik door een kijkgaatje
in alle griezeligheid te aanschouwen kreeg het beeld van
een schijndoode, die wanhopige pogingen aanwendt om zich uit
zijn graf te bevrijden door het deksel van zijn kist te
lichten. De Jezus, die leeft, aldoor, eeuwig, is niet de
eventueel ingeschrevene in den burgerlijken stand van
Bethlehem.
Hoezeer EDUARD VON HARTMANN gelijk heeft
gehad met zijne opmerking, dat de moderne Jezusvereering
een nawerken is van 66
den ouden zuurdeesem der orthodoxie, die, veel logischer,
de tweede persoon uit de H. Drieëenheid vereerde, blijkt
juist uit het feit, dat voor menigen moderne de Jezusvraag
nog iets meer dan een zuiver geschiedkundige vraag
is. Door de historiciteit van Jezus worden bij hen
gemoedsbehoeften bevredigd.
windisch
1) vindt, dat de idee eerst recht levend wordt, als
zij zich in een reëel persoon belichaamt. Hoe jammer dan,
nietwaar? dat die reëele persoon bijna twintig eeuwen vóór
ons heeft geleefd en -wij thans nog zóó slecht omtrent
hem zijn ingelicht, dat er pro en contra
zijn geschiedkundig bestaan kan worden gestreden. Verder
erkent windisch
dat hij zich armer zou gevoelen, zoo er geen Jezus
als reëele persoon, als reëele drager van eene grootsche
Godsvisie ware geweest. Hier wringt de schoen
van de Leben-Jesu-Forschung. Dat dit zoo is werd mij
opnieuw bevestigd, toen ik in briefwisseling trad met den
bekenden philoloog
eduard norden; deze schreef mij namelijk, dat de
historicus eduard
meyer 2) over Jezus' leven heeft gezegd
wat
1)
H. windisch,
Christusprobleem?.
Assen, 1925, bk. 57.
2)
eduard meyer,
Urtprung und Anfänge
des
Chritentums,
II
Stuttgart—Berlin 1921.
67
daarvan te weten valt: veel is het niet, voegt hij er aan
toe, maar het geeft toch het raam aan en „het beeld mag
ieder zich in zijne fantazie construeeren“.
„Kent Gij“, vraagt hij mij, „het slot van Frenssen's
Hilligenlei? Zóózagde dichter het, een schoon droombeeld1).“
Wanneer eduard norden
van een philologisch student eene scriptie, laat ons
zeggen over Seneca verlangt, zal hij wel iets anders
bedoelen dan dat deze zich het beeld van den
staatsmanwijsgeer naar believen construeere in zijne
fantazie! Ten opzichte van Jezus wil ook deze Duitsche
philoloog anders gehandeld zien; hier komen
gemoedsbehoeften, hier komt iets van godsdienstig geloof
in het spel. Hier werkt nog iets na van vrome gevoelens
en stichtelijkheid, die aan de historische kritiek het
zwijgen willen opleggen, als deze zich met het ,,kritiekst“
geachte gaat bemoeien. Met het al te schamele restant, dat
het rationalistische onderzoek van den Christus naar de
Schriften heeft overgelaten, kan de gemoedelijkheid geen
vrede hebben, en zoo kleedt dan de vrome fantazie den door
het nuchter verstand uitgekleeden Christus der traditie weer
aan tot een min of meer modernen heilige.
Wie
bespeurt hier niet de nawerking van de
1)
Theologische Rundschau, 1929, S. 271.
68
tot eene geheel andere sfeer behoorende en nu toch eigenlijk
volkomen verouderde voorstelling, alsof ons ideaal van
volmaakte menschelijkheid zich noodzakelijk moet betrekken
op eene historische figuur uit het begin onzer tijdrekening?
Nog onlangs heeft
windisch aan Duitsche lezers als iets
verbazingwekkends medegedeeld, dat in Holland de radicale
theologie zelfs in eenige theologische faculteiten hare
intrede heeft gedaan (LOMAN
te Amsterdam; VAN
manen te Leiden), 't Is lang geleden en het zal zich
niet zoo spoedig herhalen, zelfs niet als de liberale
windisch er
iets in te zeggen had, ofschoon toch iemand als Prof.
groenewegen,
zij het slechts in theorie, verklaard heeft, dat de radicale
kritiek op het Nieuwe Testament eene plaats in ons Hooger
Onderwijs verdient, zoolang zij wetenschappelijk blijft
arbeiden. Maar naar Duitsche opvatting — en wij geraken in
dit opzicht in Nederland ook wel wat verduitscht— mag eene
theologische faculteit blijkbaar niets radicaals aan zich
hebben; gematigd, vooral gematigd l is daar het wachtwoord.
En „WlNDISCH zelf moge zich gedurende zijn verblijf hier te
lande op prijzenswaardige wijze verdiept hebben in de
geschriften van Hollandsche Radicalen, zijne geestehouding
is daar-
69
door niet gewijzigd: hij is Duitscher gebleven, in zoover
hem de Jezusvraag altijd nog iets anders en iets meer is dan
een zuiver geschiedkundige vraag. De historiciteit van Jezus
dient hem tot bevrediging van gemoedsbehoeften. Als hij
getuigt van ,,den geest van God, die in alle profeten
geweest is en in hoogere mate in Hem, in wien de discipelen
de vervulling aller profetie zagen1),“ dan
verraadt de door mij vetgedrukte hoofdletter reeds, dat men
slechts cum grano salis heeft te nemen, wat hij elders
2) van ,,de Jezustheologen“ zegt, waartoe hij
zichzelven rekent, „die de heele kwestie van het al of niet
bestaan van Jezus onbevooroordeeld kunnen onderzoeken,
misschien de eenige groep, die in deze kwestie door
vooroordeelen, wenschen en behoeften weinig of niet
belemmerd worden.“ Want zelf geeft hij toe: ,,zonder belang
voor de uitbeelding van ons Christelijk geloof lijkt mij
onze positieve houding ten opzichte van het Jezus-probleem
geenszins3).“ Zoo iets zou Ik nooit willen
onderschrijven. Maar WINDISCH
keert de rollen om en noemt de Radicalen volkomen verouderd
en daaren-
1)
Christusprobleem3,
blz. 62.
2)
t. a. p., blz. 57.
3)
De Stroom, 29 Maart 1925.
70
boven bevooroordeeld!
Zij gelooven z. i. niet aan een historischen Jezus, omdat
die hen hinderen zou ,,in het uitleven en uitbouwen“ van hun
„persoonlijk Godsleven“ 1). Ik verzeker collega
windisch
nogmaals, dat een historische Jezus even weinig als een
historische Pythagoras of een historische Boeddha mijn
religieus geloof schaden of baten kan. Hoe zou mijn
„persoonlijk Godsbeleven“ zich ooit richten naar
gebeurtenissen en beschouwingen van bijna tweeduizend jaren
geleden? Mijn geloof heeft veeleer de geestelijke
zelfstandigheid bereikt, die volgens het woord van
kant 2)
aan den leiband der historie is ontgroeid; en het geheele
historisch apparaat, dat tot opbouw van den bestaanden
godsdienst heeft gediend, de persoon van den stichter
inbegrepen, heeft voor mij nog enkel historische beteekenis.
De Jezus van de liberale theologen moet geleefd hebben. Dat
hij nog leeft kunnen zij onmogelijk laten gelden. Mijn
ambtgenoot A. H. DE
hartog zag in de ontsteltenis van de theologische
wereld over de Radicale kritiek het duidelijkste bewijs, hoe
weinig er, wat hij .
1)
Christusprobleem?2,
blz. 57, noot 1. 2) Religion
innerhalb
der Grenzen der blossen
Vernunft,
ed. Kehrbach, S. 130.
71
noemt „uit den eeuwigen Christus“ geleefd wordt. „Ook al
ware de verschijning van Jezus Christus verdicht,“ schreef
hij, „dan zou zij nog geenszins geboren zijn uit
willekeurige phantasie, dan zou ze toch ook als zoodanig
(nl. als verdichting) vrucht van goddelijke openbaring
wezen“ 1).
Nog eens: de vraag naar een historischen Jezus is een zuiver
historische vraag en moet dat blijven; daarom kan zij
slechts historisch worden uitgemaakt. Geene dogmatische of
metafysische overwegingen mogen daarbij ook maar één woord
meespreken. Innerlijke overtuiging, beleving, gevoel zijn
bij dit nuchtere onderzoek naar feiten contrabande. Schiller
legt zijn Wilhelm Tell vaderlandslievende woorden in den
mond, die de harten van brave Zwitsers goed doen en ook
zedelijke uitspraken, die een nog ruimeren kring van
menschen kunnen treffen, maar op grond van die woorden kan
men toch Tell's bestaan niet bewijzen? Luther heeft den
duivel beleefd, zegt DREWS tersnede 2), anders
had hij hem zijn inktkoker niet naar het hoofd gesmeten.
Iets beleven beteekent: iets als onmiddellijken in
1)
A. H. DE hartog,
Noodzakelijke Aanvulling tot Calvijn's
Institutie II, blz. 147, 204 noot.
2)
???
72
houd in zijn bewustzijn hebben. Of die inhoud reëel of
ingebeeld is, — daarover beslist het beleven op zich zelf
niet. Het pleit niet voor den bloei der wijsgeerige
bezinning, wanneer de menschen met dat woord „beleven“ zoo
in de weer zijn. Intusschen blijft het gemakkelijk: niet
denken, niet wetenschappelijk onderzoeken, — maar enkel
beleven. Zulke wijsgeerige slapheid verwijt dan aan de
Radicalen, dat zij radicaal zijn op grond van eene
vooropgezette philosofie, van een monisme, dat geen groote
persoonlijkheden erkennen kan. Ik meende anders, dat Hegel
juist de beteekenis der groote persoonlijkheden zoo goed had
erkend ! En wij zagen, dat de monist
von hartmann
tegenover kalthoff
de historiciteit van Jezus verdedigd heeft. De
telkens herhaalde opmerking, dat de Hollandsche radicale
kritiek sterk beïnvloed zou zijn door Hegeliaansche
opvattingen, is bezijden de waarheid. Wel is
bolland, die
onder ons de beteekenis van Hegel in het licht heeft
gesteld, vertegenwoordiger van de radicale kritiek geweest,
maar dit was hij reeds in het begin van zijne akademische
werkzaamheid, toen hij nog in de banen van
von hartmann
ging. loman en
van manen o.
a. hadden hem overtuigd. Ten slotte is de Leidsche wijsgeer,
wat zijn theologisch radicalisme betreft, een uit velen ge-
73
weest. Tegenover dezen éénen Hegeliaan staat toch eigenlijk
de geheele Hollandsche radicale school als volslagen
„Hegelloozen“, om eene uitdrukking van
bolland zelven
te gebruiken. Niemand zal
allard pierson
het etiquet „Hegeliaan“ willen opplakken.
van manen was
van alle „Hegeliaansche smetten“ vrij. A. D.
loman heeft
zich nooit voor een aanhanger van het Duitsche Idealisme
uitgegeven; J. van
loon en S. A.
naber evenmin. En nu komt nog het merkwaardigste: een
Hollandsch theoloog, van wien men niet zonder eenig recht
kan zeggen, dat hij den invloed van Hegel heeft ondergaan,
J. H. scholten
is juist de overtuigde bestrijder van de Radicalen geweest]
Wel verre van, door vooropgezette wijsgeerige opvattingen
beheerscht, het Oudchristelijk verleden te zijn gaan
construeeren naar een eenmaal vastgesteld schema, zijn onze
Radicalen juist modern-wetenschappelijk georiënteerd en
slechts langs den weg van zuiver historisch-literair
onderzoek tot hunne afwijkende resultaten gekomen. Dat zij
sceptisch tegenover de overlevering zijn komen te staan,
daartoe heeft niet eene wijsgeerige conceptie van de
geschiedenis, doch het karakter dier overlevering zelve
aanleiding gegeven. Zij zijn begonnen met op het
traditioneele standpunt te
74
staan en hebben dit niet dan na veel aarzeling verlaten.
Voor Duitsche theologen noemde ik den historischen man Jezus
van Nazareth een geloofsartikel. In den ouden tijd maakte
het geloof in de godheid van Christus iemand aannemelijk,
thans is het geloof in een historischen timmermanszoon het
sjibboleth der moderne theologie. Wel heet de vrome Joodsche
rabbi, waarmede vroegere geslachten van liberalen plachten
te werken, tegenwoordig te hebben afgedaan, maar de
emendatie, die
windisch meent te geven als hij spreekt over een
„door religieuze intuïties gedragen profeet“ is geen haar
beter; zelfs dien profeet kan ik in onze Evangeliën niet
geteekend vinden, althans niet zonder toepassing van een
willekeurig aftrekkingsprocédé, waartegen mijn
wetenschappelijk geweten protesteert. Niet zonder humor is
het, wanneer in den laatsten tijd het radicale standpunt,
dat onder ons voor de uiterste linkerzijde gold, waarvoor de
tijd nog niet rijp scheen, voor een verouderd scepticisme of
rationalisme wordt verklaard 1). Iedereen weet,
dat geloovigen van allerlei schakeering eeuwen en eeuwen
lang de Evangeliegeschiedenis voor het au-
l)
Vgl. H. windisch,
Christusprobleem2,
blz. 31.
75
thentieke bericht hebben gehouden omtrent den in de wereld
gezonden Godszoon, een zuiver bovenmenschelijk wezen. De
twijfel, dien het scepticisme en rationalisme van de
Aufklärungsperiode daartegen voelde opkomen, heeft toen tot
de Aftrekmethode geleid, die tusschen den Christus der
geloovige verbeelding en den Jezus der feitelijke
geschiedenis onderscheiden ging. Daartoe was inderdaad
aanleiding in zooverre het rationalisme ook eene wijze is,
waarop de geest zich van onredelijk gezag tracht te
bevrijden, al ging men gewelddadig te werk met het
Evangelieverhaal, toen men den Christus uitschakelde om den
historischen Jezus over te houden.
Lessing heeft reeds principieel de beteekenis van het
feitelijke voor de religie geloochend, met name in verband
met de wonderen, toen hij het beroemde woord sprak:
„toevallige geschiedkundige waarheden kunnen nooit het
bewijs voor noodwendige redewaarheden worden.“ Het
historische als zoodanig kan nooit grondslag van het geloof
en van de verzoening zijn. Anders zouden immers geloof en
verzoening afhankelijk wezen van de eerste de beste
kritische werkzaamheid. Aanhoudend staat de geschiedenis
bloot aan de twijfelingen der kritiek; daarom heeft Lessing
het Christendom willen losmaken van de ge-
76
schiedenis. Hij wil het recht der kritiek handhaven en toch
aan het geloof volkomen zekerheid laten en de eeuwigheid
niet ophangen aan een spinrag. Zelfs al ware er van de
zoogenaamde historische feiten der heilsgeschiedenis niet
één werkelijk gebeurd, dan zou daaronder de waarheid der
Christelijke leer niets lijden; die leer spreekt voor
zichzelve.
Op dezen weg ging
kant voort, toen hij Kant zeide, dat het
geschiedkundige in den godsdienst slechts tot
illustratie, niet tot demonstratie van het geloof
dient. Het geloof aan eene gebeurtenis, welke deze dan ook
zijn moge, is volgens
kant niet religieus,
maar historisch.
fichte
leerde, dat het historische niet zalig, doch enkel
verstandig maakt. Voor
schelling is
Christus het symbool der eeu- geest, wige menschwording
Gods. Ook volgens
hegel is de heilsgeschiedenis goddelijke
geschiedenis; voor de voorstelling geldt zij als
geschiedenis, waar zij heeft het goddelijke tot
inhoud: goddelijk doen, tijdeloos gebeuren, absoluut
goddelijke handeling. Het is eenzijdig, het proces der
verzoening voor te stellen als een feit, éénmaal en aan
éénen mensch geschied. Eigenlijk beteekent dit „éénmaal“
altijd, en dit ,,één mensch“ alle menschen. De Gemeente
gelooft aan de in en door Christus volbrachte verzoening als
gebeurd feit, als
77
voorbijgaande geschiedenis. Dat is het geloof aan het
verleden van Christus, hetgeen dan aangevuld wordt met het
geloof aan Christus' toekomst, diens wederkeer en de
stichting van het duizendjarig rijk. Zóó vergeestelijkt men
Christus niet; zóó maakt men hem eindig en tijdelijk.
Voorwerp van het geestelijk geloof is de eeuwige Christus,
de Gemeente zelve, het Godsrijk op aarde, welks burgers
volmaakt één zijn in geloof en in liefde. Zoo is de
zinnelijke geschiedenis voor
hegel niet
meer dan punt van uitgang. Als de menschelijke geest verder
komt, dan verandert het geloof de beteekenis van die
uitwendige historie: uit een zinnelijk, empirisch te
constateeren object wordt iets goddelijks en geestelijks,
dat niet langer aan de geschiedenis, maar aan de
wijsbegeerte zijne zekerheid ontleent. Hierbij sluit zich
dan de bekende uitspraak van DAVID FRIEDRICH STRAUSS 1)
aan: ,,het ligt niet in den aard van de Idee, om, als zij
zich verwerkelijkt, haar vollen inhoud in één enkel
exemplaar uit te storten en tegenover alle andere karig te
zijn, in dit enkele exemplaar zich volkomen, in alle overige
echter steeds slechts onvolkomen af te drukken; —
1)
D. F. strauss,
Das
Leben Jesu.
2. Aufl. Tüb. 1837,
II
S. 739 f.
78
de Idee pleegt integendeel haar rijkdom te ontvouwen in eene
menigte van exemplaren, die elkaar wederkeerig aanvullen, in
de afwisseling van optredende en zich weer opheffende
individuen. Dat is de ware werkelijkheid der Idee. De Idee
der eenheid van de goddelijke en de menschelijke natuur is
in oneindig hoogeren zin werkelijk, wanneer ik de geheele
menschheid als hare verwerkelijking begrijp, dan wanneer ik
één enkelen mensch als zoodanig van de rest afzonder. De
menschwording Gods van eeuwigheid her heeft hoogere
werkelijkheid dan eene in een afgesloten punt des tijds. De
sleutel der geheele Christologie is dit: als subject van de
praedicaten, die de Kerk aan Christus toekent, stelle men in
plaats van een individu eene Idee, maar eene waarachtige,
geen onwerkelijke. In een bepaald wezen, een Godmensch,
gedacht, zijn de eigenschappen en functiën, die de Kerkleer
aan Christus toeschrijft, met elkander in strijd; in de Idee
der Menschheid passen zij goed bij elkander.“
Merkwaardig, dat deze wijsgeerige be- schouwingen
van strauss
vrijwel over het hoofd zijn gezien door zoovelen,
die zijne scheiding tusschen mythische en historische
bestanddeelen in de Evangeliën hebben voortgezet.
Zoekende naar het geschiedkundige
79
in de Evangelieberichten heeft de 19de eeuw over het
algemeen juist in dat geschiedkundige de grondwaarheid van
het Christendom meenen te vinden. Van rechtzinnige zijde
heeft men het verbreken van de eenheid JezusChristus terecht
het zwakke punt der LebenJesu-Forscher genoemd en in het
handhaven van die eenheid de sterke zijde gezien van de
hedendaagsche mythologen, die in de Evangeliën geen mensch
van vleesch en bloed vinden. De mannen, die een leven van
Jezus willen schrijven, hoe bescheiden van afmeting dan ook,
houden vast aan het feit en laten de Idee los; de mannen van
den mythischen Christus houden vast aan de Idee en laten het
feit los; ten onzent heeft Prof. H. M. VAN
nes 1)
tot een derde groep willen gerekend worden, die vasthoudt
beide aan feit en Idee, wier eenheid zij in de
persoonlijkheid van Jezus Christus aanschouwt, daar zij de
Idee belichaamd acht in het feit en aan het feit waarde
hecht juist terwille van de Idee.
dunkmann
2) in Duitschland heeft diezelfde onderscheiding
gemaakt. Bij deze voorstel-
1)
H. M. van nes,
Historie,
Mythe en Geloof.
2)
K. dunkmann,
Der historiche
Jesus,
der mythologische Christus
und Jesus
der Christ,
2. Aufl. Lpz. 1911.
80
ling van zaken heeft het dan den schijn, alsof de
laatstgenoemde opvatting, die der orthodoxie, de synthese
van de beide vorige is. Om dezen schijn tot waarheid te
verheffen, zou echter eerst het onmisbare van de
feitelijkheid, van de „Einmaligkeit“, aangetoond moeten
worden. Toevallige waarheden der geschiedenis kunnen nooit
het bewijs worden voor noodwendige waarheden der rede en de
eeuwige Godszoon is niet een afzonderlijk mensch in de
historie geweest. van
mourik broekman 1) onderscheidt zuiver,
als hij schrijft: „het orthodoxe Protestantisme bindt zijn
geloof aan eene historie, die in eens afbreekt; het
orthodoxe Katholicisme bindt zijn geloof aan eene historie,
die tot op den huidigen dag het kenmerk van goddelijke macht
draagt; het vrijzinnig Protestantisme bindt zijn geloof aan
geen historie, omdat het daarin geen bovennatuurlijke
zekerheid vermag te vinden.“
Waarom
hechten de menschen zooveel gewicht aan de feitelijkheid?
Omdat zij „waarheid“ en „werkelijkheid“ met „gebeurd zijn“
verwarren. Het Scheppingsverhaal van Genesis I geldt bij
bekrompen geloovigen als een gebeurd feit ; bleek het dit
niet te zijn, zij zou-
l)
t. a. p., blz. 190.
81
den van bedrog spreken en een boek met dergelijke verzinsels
een leugenboek achten. Maar aldus sprekende zouden zij
onkunde verraden aangaande genres
in de literatuur. Een geschrift kan waar zijn zonder dat het
geloofwaardige feiten vermeldt: Dante's Hel en Shakespeare's
drama's zijn niet gebeurd maar waar. Reeds Aristoteles heeft
de poëzie de meerdere geacht boven het geschiedverhaal.
De
meening, alsof het feitelijk gebeuren onmisbaar zou zijn
voor de waarheid en wer-
kelijkheid, wordt door het wezen van de ge-
gelijkenis
reeds weerlegd. Volgens Markus
4 :
34 sprak de Heer nooit anders dan in gelijkenissen. Men
overwege eens goed wat dit wel inhoudt! Gelijkenissen zijn
geen betrouwbare geschiedkundige mededeelingen, geen
verslagen van gebeurtenissen, geen relaas van feiten.
Gelijkenissen zijn verdichte verhalen. Jezus zal zich dus
volgens Markus bij zijne prediking uitsluitend van
dergelijke verdichtsels bediend hebben. Deed hij het nu,
onder ons, dan zou menig hoorder aanstonds vragen: is het
wel gebeurd, wat Gij ons daar vertelt? anders bedriegt gij
ons.“ Maar den prediker in gelijkenissen of verzonnen
verhalen is het te doen om menschen
wijs
te maken, en niet om hun
iets
wijs
te maken; hij spreekt
82
in dezen trant ook niet voor tijdverdrijf, gelijk men 's
winters bij den haard verhaaltjes vertelt; hij spreekt in
gelijkenissen niet voor tijdverdrijf maar voor
eeuwigheidsgewin.
Gelijkenissen zijn vergelijkingen; haar inhoud geeft zich
niet als gebeurtenis. Behoeft de gelijkenis daarom minder
waar te zijn? Nuchtere verstandelijkheid zegt: iets is
gebeurd of het is niet gebeurd; eene derde mogelijkheid
bestaat niet. Maar nu blijkt ons, dat de derde mogelijkheid
juist de waarheid, de geldigheid van de gelijkenis is. Hier
is het verhaal niet meer dan voertuig voor de idee; het
verhaal-als-zoodanig verricht slavenwerk. Het zou dwaas zijn
om naar aanleiding van de gelijkenis van den Verloren Zoon
te vragen : hoe was het signalement van dien zoon ? waaraan
is zijne moeder gestorven? hoeveel jaar verschilde hij met
zijn oudsten broeder? Toch las ik, dat in het Heilige Land
op fooien beluste gidsen den reiziger zelfs het huis van den
Rijken Man uit de gelijkenis aanwijzen. Dat is dan eene
historiseering van eene gelijkenis, die ons allen
belachelijk voorkomt.
Redelijke menschen zeggen: er is blijkbaar heel wat waar,
dat nooit is gebeurd. De begrippen waarheid en gebeuren
dekken elkander niet. De waarheid van het Paradijsverhaal is
eene andersoortige dan die van Al
83
brecht Beiling's begrafenis bij levenden lijve. Thomas
Aquinas 1) leerde: „Niet al wat men verzint, is
leugen; maar een verzinsel zonder zin, dat is leugen; moet
het verzinsel dienen om iets te beteekenen, dan is het geen
leugen, maar zinnebeeld van de waarheid; anders zou al wat
wijze en heilige mannen of ook de Heer zelf beeldsprakig
hebben gezegd, leugen moeten heeten.“ Inderdaad, de
onbeschaafde mensch hecht meer aan het gebeurde dan aan het
verdichte verhaal. De Christus van het Evangelie zegt er
nooit bij, dat de inhoud zijner gelijkenissen niet gebeurd
zijn in den alledaagschen zin van het woord. Dit is juist de
eigenaardigheid van de gelijkenis, dat zij den schijn der
feitelijkheid aanneemt; niet om de menschen te bedriegen,
maar gedreven door het alleszins juiste besef, dat het hier
veel méér dan tijdelijk gebeuren, dat het hier een eeuwig
gelden van tijdelooze waarheid be't Is er mee als met fabel
en sprookje. Het kind hoort ze gaarne en wijze hoort ze ook
weer gaarne. Maar er komt licht een oogenblik in het leven
van een mensch, dat hij ze mal gaat vinden. De
kwajongen, te groot voor een servet geworden, maar voor een
tafellaken nog te klein, zegt dan, dat de
1)
Summa Theologiae 3 : 55, 4.
84
dieren niet kunnen spreken en dat het maar een fabel
is en hem daarom niets waard. Alsof de ongebeurde en
ongebeurlijke fabel niet juist de wijsheid der eeuwen in
zich bergen kan! Menigeen blijft naar den geest kwajongen,
zijn leven lang, en begeert daarom feiten. „Het feit
als zoodanig is echter de onhoudbaarheid als zoodanig: al
wat tot feit wordt, gaat voorbij en houdbaar is
alleen de waarheid, die zich niet laat vaststellen. Een feit
is een feit en geene waarheid; duizend feiten zijn nog niet
ééne waarheid. De juistheden van verhalen zijn geen
waarheden, en feitenkenners geen wezenkenners“ 1).
De waarde van
goethe's Faust is niet afhankelijk van de
historiciteit der Faustgeschiedenis gelijk hij die geeft,
noch zelfs van het historisch bestaan van een zekeren Doctor
Faustus. Als niet-gebeurd sprookje is
van eeden's
Kleine Johannes meer waar dan de gewaarmerkte acten van den
burgerlijken stand op het gemeentehuis onzer woonplaats. Wie
de werkelijkheid van het geestelijke afhankelijk maakt van
eene zinnelijke belichaming, valt, naar
rudolf eucken's
woord, in de denkwijze der Middeleeuwen terug.
1)
G. J. P. J. bolland,
De Boeken der Spreuken, Leiden 1915, bl. 8.
85
romain rolland
zegt: „de werkelijk religieuze geesten herkennen den
levenden God evengoed in het merkteeken, dat hij heeft
achtergelaten in de herinnering van een volk als in de
realiteit van eene Incarnatie. In de oogen van den
intens geloovige, voor -wie al wat werkelijk is, God is,
zijn het twee gelijksoortige werkelijkheden. En hij is er
zelfs niet zeker van, of degene, die de schepping is van een
volk of een tijd, niet de meest indrukwekkende is van
beiden.“ Hij wijst in ditzelfde verband er op, dat de door
hem zoo schoon uitgebeelde geloofshelden
ramakrishna
en vivekananda
het historisch bestaan van de persoonlijkheden, die zij als
goden vereerden, van secundaire beteekenis achtten.
Waarheid ging hun boven realiteit.
ramakrishna
leerde: „Zij, die zulke ideeën hebben kunnen vormen,
hebben ze zelf moeten zijn“ ; en
vivekananda,
die twijfelde aan het reëele bestaan van Krishna, erkende
dezen toch als de meest volkomen Avatar of incarnatie van de
godheid en vereerde hem 1). In welken zin
Jezus leeft! Maar in dien zin leeft ook Job, leeft ook
Faust. Niet de held van het Israelie-
1)
romain rolland,
Het Leven van Ramakrishna
vert. door J. dutric,
Arnhem 1929, blz. 259.
86
tische meesterstuk is geschiedkundig persoon, wel de
schrijver;
de lezer voelt, dat er een mensch achter zit, en dat gevoel
bedriegt niet, al is die mensch zeker niet Job, maar de
dichter van de Jobeïde. En achter de Faust, die grootsche
uitbeelding van den modernen mensch, steekt niet de
middeleeuwsche Doctor Faustus, die al of niet kan hebben
bestaan, maar de mensch
goethe,
schepper van eene figuur, die levend is geworden en nog
dagelijks spreekt tot wie in het land van den dichter kunnen
gaan, maar die niettemin onhistorisch is. En de waarde van
deze Job- of Faustfiguur voor ons zou er niet bij winnen,
als zij lichamelijk op aarde had rondgewandeld.
Wie
dan echter de werkelijkheid van het geestelijk gebeuren in
den denker of den dichter als maar verbeelding meent
te kunnen geringschatten, die heeft nog te leeren, dat
Homerus en Dante, Shakespeare en Goethe alleen door hunne
verbeelding de menschheid hebben vooruitgebracht. Hun werk
behoort echter meer tot de wereld der sprookjes dan tot die
van de geschiedenis.
Niet alleen het bestaan van een mensch, ook de uitgave van
een boek, dat een Godmensch teekent, mag als eene
historische gebeurtenis worden beschouwd.
bolland
antwoordt op de vraag: „Wat
blijft er over van
87
het Evangelie, wanneer aan het verhaal niet meer wordt
geloofd?“ — ,,De zinrijke voorstelling eener voorbeeldelijke
verschijning van het goddelijke in het menschdom.“ Het
uiterlijke moet herleid worden tot zijne innerlijke waarde,
die vrucht is van den menschelijken geest. Als de theologie
echter alle bespiegeling en metafysica van haar terrein
uitbant, dan komt zij als vanzelf tot den cultus van het
nuchtere feit. Dan wordt het historisch gegevene, dat
toevallig in eene persoonlijke gemoedservaring weerklank
vindt, het een en al van de religie. De Radicalen moeten op
menschen van dit slag ontstellend werken. Want deze menschen
hebben hun godsdienst op het historische gebouwd, — blijkt
dit een zandgrond te wezen, dan wordt de val van hun
godsdienstig gebouw groot !
Intusschen behoudt het in de Evangeliën geteekende
Jezusbeeld meer invloed op de geesten dan de nauwkeurigste
pogingen om het historische leven van Jezus van Nazareth te
reconstrueeren. Als de representant van goddelijke
menschelijkheid kan de Christus geen empirisch individu,
maar slechts eene algemeene persoonlijkheid zijn; geen
ideeele persoon, maar het ideaal der persoonlijkheid zelf.
Psychologisch is de waardeering van de Evangelische waarheid
in den vorm van fei-
88
ten wel te verklaren; er ligt daaraan wel iets meer dan
lettergeloof of behoudzucht alleen ten grondslag. Wie feiten
verlangt, bedoelt eigenlijk, dat zijn geloof iets meer is
dan waan, inbeelding of subjectieve meening, waaraan geene
werkelijkheid beantwoorden zou. Nu wij aan het begrip van
de Gelijkenis feitelijkheid en werkelijkheid hebben leeren
onderscheiden, zullen wij ons wel wachten voor zoo
naïeve verwarring van twee ongelijksoortige
grootheden. Als de innerlijke waarde van het overgeleverde
wordt doorvoeld en doordacht, komt de vraag naar de
feitelijkheid niet eens op. In een overgangstijd van twijfel
en onzekerheid wordt de feitelijkheid gewaardeerd boven het
symbool. Maar de Christelijke vrijheid heeft het recht om
voort te gaan op den weg, dien de vierde Evangelist heeft
gebaand, toen hij de stof zijner voorgangers omzette en
wijzigde, opdat hij aldus des te beter geloof zou wekken in
de harten zijner lezers.
Wij
mogen niet minder vrij staan tegenover de traditie dan hij.
Niet door feiten wordt de mensch behouden, maar door de
Idee, die, als Gods Geest medegetuigt met 's menschen
geest, het feit, het allesbeheerschende feit in
zijn leven wordt. In het vreugdevol beleven van de
gemeenschap des Heiligen Geestes ligt niet analytisch
opge-
89
sloten, dat dit beleven zonder een historischen Jezus
onmogelijk zou zijn. Maar de Evangeliegeschiedenis wordt er
niet minder om, als zij blijken mocht geen historie, doch
een door God aan de menschheid geschonken gedicht te
wezen;
eene gelijkenis, waarin God,
Wereld
en Menschenziel hun onderling verband openbaren.
De oudste Christenen, gevormd in de school van een ideëelen
Meester, die levenslang verdichte verhalen heet te hebben
gebezigd om eeuwige waarheden te vertolken (Mk. 4 : 34),
doen ons van te voren reeds verwachten, dat ook zij
gelijkenissen vertellen, wanneer wij aan geschiedenis
denken. Zien wij dit in, dan zullen wij trouwens niets
verliezen; want de gebeurtenis van het Penningske der Weduwe
of van den Rijken Jongeling kan ons niet meer leering bieden
dan wij uit eventueele gelijkenissen van dien naam zouden
kunnen opdelven.
Het beeld van den Heiland is ontroerend, omdat dit verheven
gedicht uit de ziel der menschheid is opgegroeid. Het
godsdienstig denken van eene geheele periode vindt hierin
zijne afsluiting. Niet uit de fantazie van één enkelen
dichter is het Evangelie te verklaren ; hij is de vocaal
geweest van wat er leefde in een kring. Vandaar het
mythische karakter.
90
Wanneer latere tijden de mythe met wijsgee- rige
bespiegeling vermengen ontstaat het dog- ma. Maar de tijd
van mythe en dogma gaat onherroepelijk voorbij, — dan breekt
de tijd van het begrijpen aan. Voor ons, die in dezen
nieuwen tijd geestelijk thuis behooren, bestaat het
persoonlijk godsdienstig leven niet in geschiedkundige
kennis van het verleden. Toch erkennen wij dat de Kerk aan
het wijsgeerig-godsdienstig bewustzijn van de oude
Christenen den vasten ondergrond van de historie heeft
willen geven om zoo het gevaar van Gnostischen willekeur en
vervluchtiging der waarheid tegen te gaan 1).
Tot onze symbolische waardeering van de
Evangeliegeschiedenis is het zonder het middeleeuwsche en
nog oudere Christendom niet kunnen komen.
Wij
zijn de erfgenamen van
het verleden, en zelfs ons loslaten van de
historiciteit is historisch bepaald. Maar hiermede
wordt niets beslist ten opzichte van de vraag, of de
abstractie van de „Aufklärung“,
de mensch Jezus, heeft geleefd ondanks de Evangeliën, die
ons een bovenmenschelijken Jezus Christus voor oogen
stellen.
1)
Vgl. ernst
krieck, Die neueste
Orthodoxie und das
Christusproblem,
Jena 1910, S. 6.
91
Ook bij eene symbolische opvatting van de
Evangeliegeschiedenis wordt het historische allerminst
uitgeschakeld. De dichter van het oorspronkelijke
Evangelie,
die in zijn gedicht in Gnostischen trant uitbeeldde wat
stellig, ofschoon minder bewust, in den kring zijner
geestverwanten leefde, is óók historisch en heeft historie
gemaakt, al is achter zijn werk zijn naam schuil gegaan.
Beminnelijke bescheidenheid, die hem tot waarachtigen
Christen stempelt! In zijn kring is ook iets gebeurd;
geestelijk gebeurd, en zijn boek is op zijne beurt eene
gebeurtenis geworden. Zooals het verschijnen van den roman
Hilda van Suylenburg voor de jonge meisjes nu ruim dertig
jaar geleden eene gebeurtenis werd, inzooverre de heldin
van het boek sluimerende gevoelens wekte, vage stemmingen
verhelderde tot bewust inzicht en daden uitlokte. De
invloed, door dit geschrift geoefend, kan intusschen nooit
als bewijsmiddel dienen voor de historiciteit van dit
freuletje. De idee, in hare figuur geteekend, is niet zonder
historisch aanzijn geweest; om te beginnen in de persoon van
de Schrijfster, maar ook in de kringen, waarvan zij de
gevoelens vertolkte en waarin zij sympathie gevonden heeft.
De idee van de bewustwording der vrouw heeft zich hier in de
geschiedenis geopenbaard, en
92
wel in eene persoon, maar niet zóó, dat de romanheldin er
eene geschiedkundige figuur van wordt. Als de volheid des
tijds is gekomen, openbaart God zich in de historie als
mensch, doch niet in dien zin, dat de Godmensch van het
Evangelie daardoor eene historische persoon zou worden.
Buiten allen twijfel beteekent het een keerpunt in de
geschiedenis, wanneer de werkelijkheid der
godmenschelijkheid wordt beleefd en ervaren; of echter de
historiciteit van den Christus van het Evangelie daarmede
te bewijzen valt? Werkelijkheid is nu eenmaal een ander
begrip dan realiteit; de werkelijkheid van den
Christus ligt op de lijn van de werkelijkheid Gods. Die toch
ook niet als een historisch persoon mag worden opgevat. Wat
heeft de lijdende knecht des Heeren bij den tweeden Jezaja
een geweldigen invloed geoefend; hoe heeft hij het
Christelijk geloof eeuwen lang beheerscht!
Wat
de profeet echter over dien lijdenden knecht schrijft, wordt
daarmede niet tot een geschiedverhaal gestempeld 1).
Wie naar een historischen Jezus vraagt, hetzij hij dezen
houdt voor den edelen Jood-
1)
Vgl. mijn: Christologie en Triniteit, 2de om-
gewerkte en vermeerderde druk. Assen, Van
Gorcum & Co., 1927.
93
schen rabbi uit Nazareth, gelijk onze moderne vaderen
plachten te doen, hetzij hij hem in den trant van heden als
een door religieuse intuïtie gedragen profeet voorstelt
(gelijk WINDISCH
wil; ik kan het verschil niet zoo heel groot
vinden), — wie naar een historischen Jezus vraagt, stelt een
probleem van dezelfde soort als elk ander geschiedkundig
probleem, bv. moeten wij
Wilhelm
Tell
voor eene historische figuur houden? of drukt hij de
nationale gedachte van de vrijheidlievende Zwitsers uit?
Zoo'n vraag heeft een geschiedvorscher onbevooroordeeld te
onderzoeken; kritisch leest hij de bronnen, die hem de
kennis van het feitelijk gebeurde kunnen verstrekken. Heeft
hij dat gevonden, dan is hij verheugd over zijn resultaat.
Zijne kennis is verrijkt. Misschien heeft hij zich
tevoren in het bezit van een bekoorlijken schijn, een vrucht
van de verbeelding, verheugd; misschien blijkt hem thans de
werkelijkheid minder romantisch en poëtisch; — hij is er man
der wetenschap voor om zich daarover te verblijden;
immers de eenige wensch van den beoefenaar der
wetenschap luidt: van de onkunde en van den waan verlost te
willen worden. Is de wetenschappelijke mensch dan nog
bovendien vrijheidlievend Zwitser, dan begrijpt hij dat,
wanneer de Tellgeschiedenis eene Tellsage blijkt te
94
zijn, ook die sage als zoodanig hare werkelijkheid heeft, ja
zelfs hoogere dan louter feitelijke in zich bevat: de idee
nl. van de politieke vrijheid. Vraagt men naar de
historiciteit van Jezus, dan beginne een objectief
onderzoek; de bewijslast rust op hen, die met de hypothese
van den louter menschelijken Jezus werken, op de mannen dus
van de Aftrekmethode, welke niemand meer in bescherming
durft te nemen, maar waaraan allen toch nog maar leelijk
vastzitten.
Wordt
het resultaat negatief, dan is de kennis verrijkt, dan leeft
men niet langer in een sfeer van waan, misverstand en
wanbegrip. Is men behalve wetenschapsman ook nog Christen,
dan begrijpt men, dat de waarde van het Christelijk geloof
niet van een mensch Jezus aan den aanvang onzer jaartelling
afhangt, maar dat de geheele Evangeliegeschiedenis, als
gelijkenis beschouwd, dezelfde waarde behoudt, die zij als
geschiedenis maar heeft kunnen bezitten. Zoo iets kan echter
een Duitsch theoloog van
heden niet begrijpen. Een beter wijsgeerig on- derlegd
theoloog van de vorige generatie,
otto pfleiderer,
overigens geen Radicaal, heeft gewaarschuwd tegen
de verwarring van een modern gestyleerd Christusbeeld met
het antieke. Men moest zoo nuchter en eerlijk zijn toe te
geven, dat beide Christusbeelden,
95
het moderne en het antieke, evenzeer scheppingen zijn van
den algemeenen godsdienstigen geest van hun tijd,
ontsprongen uit de natuurlijke behoefte van het geloof, zijn
eigenaardig beginsel in eene typische gestalte vast te
leggen en aanschouwelijk te maken; het onderscheid van beide
Christusbeelden weerspiegelt echter het verschil der tijden:
oudtijds een naïef-mythisch epos, nu eene
sentimenteel-gereflecteerde romantiek
1).
Elders 2) schreef dezelfde wijsgeerige
theoloog naar aanleiding van eene radicale kritiek op de
moderne Jezusvereering: „dat de zwakke punten van de
tegenwoordig schijnbaar zegevierende theologische richting
door een onbevooroordeeld niet-theoloog met zoo niets
ontziende scherpzinnigheid zijn blootgelegd, kan voor
theologie en kerk slechts heilzaam zijn, want zelfkennis is
het begin van alle genezing. Daaraan ontbreekt het echter in
bedenkelijken graad bij eene theologie, die den ver-
1)
otto pfleiderer,
Das
Christusbild
des
urchristlichen
Glaubens
in religionsgetschichtlicher
Beleuchtung,
1903, S. 67.
2)
otto pfleiderer
in Protestantische
Monatshefte
1906, S. 176, eene bespreking van
wilhelm VON
schnehen,
Der moderne Jesuskult.
Frankfurt a/M. 1906.
96
bazingwekkenden moed heeft te beweren, dat zij
eindelijk het wezen van het Christendom aan het licht heeft
gebracht, nadat het 18 eeuwen lang vervalscht, verdraaid en
verborgen is geweest. Dezen aanmatigend en waan, dien
toekomstige nuchtere geslachten nauwelijks meer zullen
begrijpen, grondig te vernietigen, is inderdaad evenzeer in
het belang van den godsdienst en van de Kerk als van de
wetenschap.“
Het sentimenteel-gereflecteerde Jezusbeeld waarvan
pfleidërer
sprak, doet in onze dagen weer opgeld. De Giessener
hoogleeraar georg
bertram schrijft: „als van den Bergh van Eysinga
meent, tegenover het vraagstuk der historiciteit van Jezus
zich met koele objectiviteit te kunnen plaatsen dan
beteekent dat eene historisch-methodologische onklaarheid“
1). Wil
bertram liever warme objectiviteit? Eene
zekere warmte is bij alle wetenschappelijk onderzoek
voorondersteld, warme belangstelling voor de vraag als
zoodanig, warme toe-wijding aan de taak van het
onderzoeken-zelf. Maar de warmte mag niet storend werken op
het denken; het hoofd blijve koel! Doch
bertram wil
geene warme
1)
Religion
in Geschichte
und Gegenwart.
2. Aufl. I Sp.
1533.
97
objectiviteit, hij acht objectiviteit ten eenenmale
onmogelijk. ,,De geschiedvorscher van het oudste
Christendom,“ zegt hij eene bladzijde verder, „heeft tot
taak, ons tot dat punt te brengen, waar de geloofsbeslissing
valt.“ „Tegenover het probleem van het ontstaan des
Christendoms bestaat er geene objectieve houding, doch
slechts eene waardeerende. De historicus mag de kern van de
kwestie niet verheimelijken. Moge deze luiden: Heeft Jezus
geleefd? of: was hij de Messias? óf algemeener uitgedrukt:
wat is openbaring in het Nieuwe Testament? — pas in deze
vragen wordt duidelijk, dat bij het historische
waarschijnlijkheidsbewijs, dat hier in den steek laat, het
moment der overtuiging te hulp moet komen.“ Prachtig! De
beslissing in de kwestie van Jezus' historiciteit behoort
niet aan de wetenschap, maar aan het geloof. Naar dezen
maatstaf is eene theologische belangstelling in het ontstaan
van het Christendom eene andersoortige belangstelling dan
die van den geschiedvorscher. Des te erger voor den
theoloog, die aldus immers ten achter blijft in
objectiviteit bij den geschiedvorscher.
WINDISCH 1),
die zich voorzichtiger dan
bertram
uitdrukt, erkent, dat onze wijsgeerige
1)
Nieuw Theol. T. 1926, blz. 207.
98
en evenzeer onze theologische overtuigingen van bepaalde
geschiedkundige overleveringen1 en gebeurtenissen
niet afhankelijk zijn. „Het dunkt ook mij onmogelijk, aan
bepaalde historische gegevens demonstratieve
kracht toe te kennen. Maar daarmee is niet afgedaan de
lllustratieve functie der historie om te inspireeren en
om enthousiasme op te wekken.“ Zeker, maar ook de fantazie
doet hetzelfde. Ik word geïnspireerd en geënthousiasmeerd
door ibsen's
Brand, die eene onhistorische tooneelfïguur, door
gorki's
Moeder, die eene romanheldin is. Ja, de historie zal ons
pas inspireeren en enthousiast maken, als zij in onze
fantazie herleeft. Pas als gelijkenis krijgt de
geschiedenis macht over onzen geest. In het feit, dat Jezus
niet enkel als leeraar, maar ook als geneesheer
verschijnt, vindt
WlNDlSCH
voorts een argument voor diens geschiedkundig bestaan. Dit
geldt dan echter niet alleen voor Jezus, doch ook voor
Osiris. De Osirismythe laat haar goddelijken held eveneens
prediken én daden verrichten. Maar predikende én daden
verrichtende blijft de halfgod zichzelven gelijk en wil
niet mensch worden anders dan in den zin van het leerstuk.
De bijzonderheden uit zijne geschiedenis, die het karakter
der wonderbaarlijkheid missen, zijn historisch niet
betrouwbaarder
99
|
dan de wonderverhalen. Ook de LogosChristus van het vierde
Evangelie spreekt woorden en verricht daden, beide tegelijk:
de Zoon is het orgaan, waardoor de Vader in de wereld werkt,
sprekend én handelend; de liberale theologie heeft niettemin
op het historisch karakter van dat Evangelie gewoonlijk heel
wat af te dingen.
Leeft Nestor? Leeft Harpagon? Leeft Don Quichotte? Leeft
Tartuffe? Leeft Shylock? Leeft Tijl Uilenspiegel? Geleefd
hebben zij niet in den letterlijken zin van het woord; maar
léven doen zij aldoor; niet alleen als typen, doch ook in
verschillende personen, die min of meer de belichamingen van
deze ideeën zijn. Dergelijke letterkundige scheppingen
leiden een ander leven dan een mensch van vleesch en bloed
leidt. Hetzelfde is het geval met goddelijke wezens, wanneer
de geloovige zich dezen op naïeve wijze nog grootendeels
menschvormig voorstelt. Pallas Athene, die Achilles bij de
haren aan het doodelijk gevecht onttrekt, leeft blijkbaar,
maar niet in den zin van onze moderne geschiedvorsching.
Jahwe, die op menige bladzijde van het Oude Testament
menschelijke gedaante en menschelijke hartstochten
vertoont, leeft, maar ook al weer niet als geschiedkundig
persoon naar onze hedendaagsche opvatting. Op het
100
hoogtepunt van vergeestelijking, waartoe het Godsbegrip in
het Christendom komt, is God de levende God, — maar dat wil
dan toch zeker niet zeggen, dat Hij een bepaald en be perkt
individu met ademhaling en stofwisseling is.
Heeft Jezus geleefd? Deze vraag heeft betrekking op een
geschiedkundig feit uit een grijs verleden, iets
„einmaligs“ zooals elk menschenleven iets ,,einmaligs“
is. Het antwoord op die vraag kan enkel en alleen afhangen
van wat er uit de historische bescheiden resulteert. Heeft
Romulus geleefd? Ziedaar een vraag van gelijke soort; tot de
beantwoording daarvan is allereerst noodig, den aard der
bronnen vast te stellen, die van Romulus gewag maken. Het
kritisch onderzoek
nu bestaat niet enkel in het schiften van on historische
en historische bestanddeelen in
een bericht, maar ook in qualificeering van het bericht
zelf. Dat de vermeende stichter van Rome toevallig
den naam Romulus draagt, gelijk Bato, Friso en Saxo
respectievelijk de stamvaders heeten van Batavieren, Friezen
en Saksers, geeft reeds te denken; de zoogmoeder-wolvin niet
minder. Blijkt alles wat aangaande hem overgeleverd werd
mythisch te zijn, dan schijnt hij eer verpersoonlijking te
wezen van eene idee dan eene
101
door de dichtende sage verheerlijkte historische figuur, ook
al zou het geenszins moeilijk vallen,— en tot op
niebuhr heeft
men algemeen aldus gehandeld, — na uitwissching van alle
onmogelijke trekken een quasi-historischen Romulus over te
houden.
Volgens GOGUEL1)
komen in de verhalen over de verschijningen van den
Verrezene allerlei trekken voor, die de realiteit van zijne
lichamelijkheid moeten bewijzen. Daaromtrent bestond
blijkbaar twijfel. Niets van dien aard wordt echter over
Jezus' lichaam tijdens diens aardsche werkzaamheid vermeld.
De Fransche geleerde put daaruit een argument voor den
historischen Jezus. Maar als de door hem bedoelde
trekjes na de Opstanding gericht zijn tegen de
Doceten, dan zal de geheele periode vóór de Opstanding, van
de geboorte af tot het uitblazen van den geest aan het kruis
toe, anti-Docetisch bedoeld. Deze realiteit of
menschelijkheid, die aan den hemelschen Christus op
aarde wordt toegekend, is iets anders dan de historiciteit
van zekeren Jezus van Nazaret.
Wel
staat de realistische roman dichter bij de realiteit dan het
sprookje, hij is er toch niet minder onhistorisch om.
Tegenover het Gnostische sprook-
1) t. a. p., p. 85.
102
je van de nederdaling uit den hemel van den Verlosser in de
hymne der Naassenen1) staat het min of meer
realistisch verhaal van den als prediker en genezer
verschenen Godszoon, dat ten slotte samengeweven blijkt te
zijn uit Oudtestamentische stoffen en zich afspeelt
binnen de grenzen van het dogmatische „welaangename
jaar des Heeren“. Men zal nog moeten leeren inzien,
dat de nadere uitwerking van het leven van Jezus, dat
oorspronkelijk niet veel meer heeft ingehouden dan zijne
komst in de wereld, zijn lijden, sterven en opstanding,
op zichzelve reeds eene bestrijding van het Docetisme,
eene afrekening met de Gnosis en eene verkerkelijking van
het Christendom beteekent. De hemelsche mensch van Paulus
is, om met CouCHOUD te spreken, veranderd in een (quasi-)
historisch individu. Eerst het geloof aan een levenden Jezus
heeft het geloof geschapen aan een Jezus, die geleefd
hééft, zegt dezelfde, en hij noemt het Evangelie eene
gelijkenis over het Christelijk mysterie. En
raschke noemt
den Christus van de Evangeliën een historisch aangekleeden
Paulinischen Christus, en dezen laatste op zijn beurt weer
een katholiek gefriseerden Gnostischen Christus.
1) Hippolytos, Philos. V 10, 2.
103
Deze Gnostische Christus is slechts eene
metaphysische
werkelijkheid 1).
Eene andere tegenwerping van GOGUEL 2) moeten wij
ook nog op hare waarde taxeeren. Het Docetisme zegt hij, is
geen historische affirmatie, doch theologische meening; het
loochent met andere woorden den geschiedkundigen Jezus
niet. Maar, antwoord ik, het anti-Docetisme is óók eene
theologische meening en geene historische affirmatie. Hier
stond het eene dogma tegenover het andere en van een
constateeren van geschiedkundige feiten was aan geen van
beide zijden sprake. De historiseering van het Christelijk
mysterie maakt dit mysterie nog niet tot een feitelijk
gebeuren. Zeer juist is overigens de opmerking van
goguel 3),
dat het Docetisme eene poging -was om de
Evangeliegeschiedenis aldus te verklaren, dat het
transcendente karakter van den Heiland niet gecompromitteerd
werd: hij heeft zijn werk onder de menschen verricht zonder
aan de zwakheid van de menschelijke natuur deel te hebben.
Hierbij aansluitende zou ik -willen zeggen: de
1)
hermann raschke,
Die Werkstatt
des
Markusvangelisten
1924, S. 30.
2)
p. 86. 3) p. 93.
104
Kerk heeft van de menschelijkheid meer ernst gemaakt, zij
heeft een menschelijker Heiland gepredikt, ofschoon ook bij
haar de Docetische achtergrond niet ten eenenmale -werd
uitgewischt. Ik verwijs weer naar Markus en haal
hoekstra's
woord aan: „Gelijk het vleesch van Jezus buiten het
Logos-leven omgaat, zoo ook is de Christus van Marcus alleen
de Zoon van God, en niet een mensch van gelijke
beweging als wij.“ 1)
De rechtsche theoloog
alfred seeberg heeft er op gewezen, dat het oudste
Christendom eene vaste Christologische formule heeft gehad
van dezen aard: God zendt Zijn Zoon, Die onderwijst,
wonderen doet, voor onze zonden sterft, begraven wordt en
opgewekt ten derden dage; daarna verschijnt Hij aan Petrus
en de twaalven, plaatst zich aan Gods rechterhand in den
hemel en zal met de wolken in macht en heerlijkheid komen om
te richten de levenden en de dooden. Onze Evangeliën, zegt
seeberg dan,
zijn niets meer dan eene historische uitwerking van deze
Christologische formule. Het raadsel van hunne compositie
verklaart men het eenvoudigst van dit gezichtspunt uit. De
genoemde hoofdpunten van de Christelijke leer moesten zoo
1)
Theol. Tijdschrift
1871, blz. 149.
105
aan de historische stof, van Jezus' leven voor oogen gesteld
worden om indruk te maken. De Evangeliën zijn dus slechts de
weergave van de langzamerhand meer of min gefixeerde
Oudchristelijke zendingsprediking of de historische
illustratie van de punten, die door de Christologische
formule werden geboden l). Verwant klinkt
de bekende uitspraak van
bultmann
2), dat de Evangeliën godsdienstige stichting,
prediking ten doel hebben, waarvan de inhoud is: Jezus de
Christus, de Godszoon, de Heer. Geboren uit den Christus
cultus en de Christusmythe zegt
bultmann,
vormen zij de cultuslegende van de Christelijke Gemeente die
tot zendingsdoeleinden en ter verdediging van het geloof
opgeteekend werd. Een en ander wijst duidelijk in de
richting van historische duiding eener Christologische
formule.
P. W. schmiedel
3) heeft de Evangeliegeschiedenis als
historie trachten te redden door negen zuilen aan te wijzen,
sterke steun-
1)
Vgl. reinhold
seeberg, D. Alfred
Seeberg, Worte des
Gedächtnisses,
Lpz. 1916, S. 12 f.
2)
Religion in Geschichte
und
Gegenwart,
2. Aufl.,
II
418 ff.
3)
P. W. schmiedel,
in Protest.
Monatshefte
1906, 257 ff.
106
pilaren, waarop zij z. i. veilig rust. Het zijn die teksten,
welke men in eene verdichte geschiedenis van een goddelijk
wezen niet zou verwachten; teksten, die eigenlijk den
geloovigen in den Godmensch Jezus Christus min of meer
compromittant voor hem moeten toeschijnen, omdat zijne
goddelijkheid daarin niet uitkomt, ja, daardoor zelfs wordt
weersproken. Die beroemde zuilen van
schmiedel, hoe
dikwijls reeds van Radicale zijde aangeschoten en
ondermijnd, doen telkens weer dienst alsof zij nog volkomen
ongedeerd en draagkrachtig waren. Men vraagt nog altijd: Hoe
zou een ander dan de historische mensch Jezus-zelf het
epitheton ,,goed“ hebben kunnen afwijzen (M.k. 10 : 17 v.) !
Zijne vereerders, die hem later hebben vergoddelijkt, zouden
het wel gelaten hebben, zegt men, te fingeeren, dat hij zelf
bij zijn leven daartegen bezwaar zou hebben gemaakt. Toch is
deze redeneering onjuist. De Hermetische literatuur 1)
bevat de leer, dat slechts de Vader „goed“ mag heeten en dit
epitheton zelfs niet bij den Logos past; dit is eene
grondgedachte van het zgn. 2de Asklepiosgeschrift 2).
1)
Vgl. mijn De Wereld van het Nieuwe Testament,
Huis ter Heide 1929, blz. 165 vv.
2)
Corpus Hermeticum
VI.
Wat windisch,
107
Wat zou men er van zeggen, indien iemand, op grond van deze
bewering den Hermetischen Logos tot een historisch persoon
verklaarde? Bij den Gnosticus Ptolemaeus in zijn Brief aan
Flora lezen wij: den Demiurg of wereldschepper komt het
praedicaat van onvoorwaardelijke goedheid niet toe (V 4).
Dus kon deze Gnosticus zijnen Demiurg ook laten zeggen: Wat
noemt gij mij goed ? Waaruit dan toch, voor ons niet het
historisch bestaan van den Demiurg zou behoeven te volgen.
Een andere zuil is deze: Jezus zegt (Mk. 3 : 28 v.): „Over
dien dag en die ure weet niemand; zelfs niet de engelen in
den hemel, zelfs niet de Zoon, alleen de Vader.“
Hieruit zou dan volgens
schmiedel
moeten blijken, dat... Jezus een mensch is! Ik zou liever
zeggen, dat hij de Zoon is, zelfs boven de hemelsche engelen
verheven en onmiddellijk onder den Vader staande. Met dit
woord is tegelijk een dam opgeworpen tegen de ijdele
bespiegelingen van de apocalyptiek.
Dat Jezus' familie hem voor uitzinnig hield (Mk. 3 : 21)
wordt ook als argument voor
blz. 23 over mijn aannemen van Hermetischen invloed op
Marcus schrijft, is vechten tegen windmolens; nimmer heb ik
dat beweerd.
108
zijne historiciteit aangevoerd. Zoo iets, zegt men, kan niet
verzonnen zijn. Maar dat oordeel van hen, die den
goddelijken Geest in hem niet herkennen, is in het geheel
niet bevreemdend. Volgens het Markus evangelie is Jezus door
den Geest in beslag genomen, die hem aanstonds de woestijn
indrijft; hij vertoont de passiviteit van den bezetene. Dit
geheele evangelie wordt door deze extaze-gedachte beheerscht
en eene menigte van trekjes maakt deze eigenaardigheid
duidelijk. Markus ontkent niet, dat Jezus buiten zichzelven
is; hij is inderdaad door een bovennatuurlijken geest in
beslag genomen; slechts rekent hij het den Schriftgeleerden
als eene onvergeeflijke zonde toe, dat zij den Geest van God
voor een onreinen geest verklaren (Mk. 3 : 28 w.);
Jezus' familie verschijnt hier als het ongeloovige Jodendom,
dat ook in de Schriftgeleerden wordt geteekend.
Als Jezus aan het kruis de woorden op de lippen neemt:
,,Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?“ dan mag
schmieDEL dit
toch niet gebruiken als argument voor Jezus' geschiedkundig
bestaan1). Hier gaat immers een woord uit den
22sten Psalm in ver-
1)
Vgl. friedrich
steudel, lm Kampf um
die Christusmythe,
Jena 1910, S. 90.
109
vulling, dat den lijdenden knecht Gods uit het 53ste
hoofdstuk van Jezaja goed op de lippen kan worden gelegd.
Dat Jezus te Nazaret geen wonder kon doen (Mk. 6 : 5) is
niet eene openhartige erkenning van zijne onmacht
1),
die op menschelijke beperktheid wijst, doch gevolg van het
ongeloof zijner plaatsgenooten. Prediking en wonderen
behooren in het Evangelie bijeen ; prediking sluit
wonderdaden in; het is de nieuwe leer met macht, waaraan de
onreine geesten onderworpen blijken (Mk. l : 38, 27).
Wie
niet gelooft in de prediking, aan hèm
kan Jezus zijne wonderen niet verrichten.
„Als iemand een woord heeft gesproken tegen den Zoon des
Menschen, het zal hem vergeven worden; maar heeft hij iets
gezegd tegen den Heiligen Geest, het zal hem, noch in deze
noch in de toekomende wereld, vergeven worden,“ lezen wij
bij Matthaeus (12 : 32). Hieraan heeft Markus (3 : 29)
aanstoot genomen: de lastering van den Zoon des Menschen kon
hij niet vergeeflijk achten. Daarom liet hij deze woorden
weg en gaf alleen: ,,Wie
lastert tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergiffenis
in eeuwig-
1)
Aldus windisch
Christusprobleem
2,
blz. 28. Vgl. NTT. 1926, blz. 299 v.
110
heid, maar zal schuldig staan aan eene eeuwige zonde.“
schmiedel gaat
uit van de lezing van Matthaeus en verklaart deze aldus dat
Jezus aan zijn eigen persoon, ook zoo hij lasteringen moet
verdragen, geene waarde hecht, doch enkel aan den Heiligen
Geest, d. w. z. aan de zaak, die hij vertegenwoordigt. Dat
laatste is niet antiek gedacht;
schmiedel
draagt hedendaagsche begrippen over op verhoudingen, die
daarbij niet passen. Matthaeus' lezing maakt onderscheid
tusschen den Zoon des Menschen of Messias en den Heiligen
Geest. Reeds de vorm van de uitspraak bewijst, dat wij hier
een stukje Christelijke dogmatiek hebben; den Messias kan
men nog lasteren zonder alle hoop op vergiffenis te
verbeuren; den Geest niet. De Geest is het blijkbaar, die
den Zoon des Menschen stempelt tot wat hij is: hetzij door
hem te verwekken bij de maagd Maria, hetzij door in hem bij
den doop binnen te gaan. Maar de Zoon des Menschen, al is
hij de mindere van den Geest, wordt daarmede nog niet een
gewoon en bescheiden mensch. De Zoon, die in het vierde
Evangelie als de mindere tegenover den Vader wordt
voorgesteld, blijft niettemin de praeëxistente Godszoon, de
vleeschgeworden Logos, en mag niet met moderne trucs omgezet
worden in een beminnelijk be-
111
scheiden zich op den achtergrond plaatsend prediker.
Hetzelfde geldt ten aanzien van den Synoptischen Christus.
Een andere zuil is deze: Als Jezus volgens Mk. 8 : 12 zegt:
„dit geslacht verlangt een teeken. Voorwaar zeg ik u, aan
dit geslacht zal geen teeken gegeven worden,“ dan komt dit
in tegenspraak met al de wonderen, die Markus zelf van Jezus
vertelt. Markus zou dit woord Jezus dus nooit in den mond
hebben gelegd, als Jezus zelf het niet had uitgesproken !
Wij vragen: heeft de Evangelist die tegenspraak dan óók niet
gevoeld ? Hoe onnoozel stelt men zich toch zoo'n antieken
schrijver voor! Dit Jezuswoord is nauw verwant met het
boven behandelde over de onmogelijkheid van het wonderen
verrichten aan de ongeloovigen. Voor de feitelijkheid van
het Evangelieverhaal is hier niets te winnen. De Evangeliën
zijn zonder uitzondering geschreven om geloof te wekken
(Joh. 20 : 31); ligt het dan niet voor de hand, dat de
geloovige hierin eene bevoorrechte positie geniet?
Men kan nauwelijks zijne oogen gelooven, als men bij
schmiedel ook
Mt. 11:5 vindt aangehaald als bewijsplaats van fundamenteele
beteekenis voor Jezus' bestaan. „Blinden worden ziende en
lammen gaan, melaatschen worden gereinigd en dooven hooren,
112
dooden worden opgewekt en aan de armen wordt het Evangelie
gepredikt.“ Deze laatste woorden: „aan de armen wordt het
Evangelie gepredikt“ maken een vreemden indruk, volgens
schmiedel, na
de reeks van wonderen, die voorafgaan; zij doen vermoeden,
dat Jezus geen wonderen in den gewonen zin van het woord
heeft bedoeld, maar zinnebeeldig sprak. Blijkt nu uit alles,
dat de Evangelieschrijvers hem wél wonderen in letterlijken
zin laten verrichten, dan contrasteert dit woord
met zijne omgeving en is als zoodanig voor een echt woord
van Jezus te houden, dat als een bliksemflits een
oogenblik den historischen prediker ons duidelijk doet
aanschouwen. — Maar
schmiedel weet
toch ook wel, dat het woord eenvoudig samengesteld is naar
aanhalingen uit Jesaja (35 : 5 v.; 61:1 v.). Letterlijk
opgevat past de beschrijving niet bij de werkzaamheid, die
Jezus volgens het Evangelie tot dusverre heeft ontvouwd.
Van blinden hebben wij tot nog toe niet gehoord, althans
niet zoo in het algemeen, (wel van twee blinden, 9 :
27); van geen enkelen kreupele, (wel van een
verlamde, 9:2 en 8:6); van één stomme slechts (9
: 32 v.); van één doode, het dochtertje van Jaïrus (9 : 18
vv.). Die leerlingen van Johannes, door hun meester
gezonden om aan
113
Jezus te vragen of hij inderdaad de verwachte Messias was,
hebben toch in geen geval al die wonderen bijgewoond. Zou
dan geestelijke werkzaamheid bedoeld zijn? De Evangelist
stelt zich die vraag niet; hij neemt eenvoudig zijne
beschrijving van Jezus' werkzaamheid uit het Oude Testament
over, en wil niet eens die werkzaamheid, doch den twijfel
van den Dooper teekenen. Deze heeft van Jezus gehoord. Zou
hij het zijn? Gericht, oordeel, Godsrijk ontbreken; vandaar
Johannes' twijfel. De werken leggen echter een onmiskenbaar
getuigenis af: Jezus geneest, misschien is het wel
letterlijk én overdrachtelijk beide bedoeld. Maar de armen
aan het slot van de spreuk zijn evengoed als de voorafgaande
zieken en dooden uit Jesaja afkomstig en hunne vermelding
heeft dus niets bijzonders.
Eene weerlegging van het negende zuilargument van
schmiedel kan
ik mij besparen; wie uit het misverstand van Jezus' woord
over den zuurdeesem der Parizeen en Sadduceën een bewijs
tracht te putten voor het bestaan van Jezus, toont daarmede,
hoe zwak de door hem verdedigde zaak staat.
WINDISCH,
die niet alle deze argumenten voor zijne rekening wilde
nemen, heeft toch een deel er van overgenomen en in den
breede uitge-
114
werkt
1).
Hoezeer zij hem ter harte gaan, blijkt uit de
geprikkeldheid van toon, waarmede
hij
eindigt. „Zeker kan men sommige van die gegevens ook anders
uitleggen.
Wie
eenigszins bedreven is in radicale of ook in orthodoxe
evangelie-,,uitlegging“ kan met gemak al die skandala uit
den weg ruimen. De vraag is echter niet, of het ook anders
kan, maar welke interpretatie waarschijnlijker is.“ Als de
Radicalen op de argumenten of uitvluchten van de liberale
theologie niet antwoorden, heeten zij met den mond vol
tanden te staan en geen antwoord te hebben; dan zijn zij
afgemaakt, onherroepelijk van de baan en verouderd. Maar als
zij wel antwoorden en de beweringen van WINDISCH c. s.
ontzenuwen en als onhoudbaar aan de kaak stellen, dan worden
hunne tegenstanders ongeduldig en zeggen: gij weet er altijd
wat op te vinden, maar het deugt toch niet, want wij hebben
gelijk en willen daarom het laatste woord hebben.
WINDISCH
heeft zelfs de zuilen willen vermeerderen. Of hij de
gebrekkigheid der voorhandene ingezien en het gebouw der
liberale theologie wankel heeft bevonden? Volgens Mk. 11 :
19 komt de Zoon des Menschen etende en drinkende, weshalve
hij vraat en
1)
Christuprobleem
2,
blz. 22—29.
115
wijnzuiper wordt gescholden. „Het woord bevat een van de
weinige bewaard gebleven herinneringen aan het menschelijk
optreden van Jezus“ meent
windisch
1).
Ik wees er op, dat Herakles ook als vraat en wijnzuiper in
de oude mythologie voorkomt. Natuurlijk was mijne
gedachtengang daarbij deze: Volgens WINDISCH moet Jezus
historisch persoon zijn, omdat men een goddelijk wezen toch
nooit wijnzuiper en veelvraat zou hebben genoemd. Maar die
„vraat en wijnzuiper“ genoemde Herakles dan? vraag ik, is
die dan ook een historisch persoon? Wanneer WINDISCH bij
mijne vergelijking van den Evangelischen Jezus met Herakles
het punt van vergelijking miskent en mij het gevoelen
toedicht, dat hier een motief uit de Heraklesmythe op Jezus
zou zijn overgedragen, dan heeft hij mij verkeerd begrepen
en daarmede zijn taak om mij te weerleggen zich wat al te
gemakkelijk gemaakt. Er is meer misverstand aan zijne zijde.
Hij heeft zich ter aanbeveling van zijne stelling: „Jezus
heeft geleefd“ ook op Mt. 7 : 21—23 beroepen, waar Jezus
zegt: Niet ieder die tot mij zegt: Heere, Heerel zal ingaan
in het Koninkrijk der hemelen, maar hij, die den wil van
mijn Vader
1)
blz. 26.
116
im de hemelen volbrengt. Velen zullen te dien dage tot mij
zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet met uwen naam
geprofeteerd, met uwen naam duivelen uitgeworpen, met uwen
naam vele wonderen gedaan? En dan zal ik hun verklaren: Ik
heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij die de
goddeloosheid werkt.“ Jezus wil niet eens „Heer“ genoemd
worden, hij komt alleen maar op voor Gods eer, —• ziedaar de
historische Jezus! aldus
WINDISCH gedachtengang.
Ligt in dezen tekst opgesloten, vroeg ik, dat men Jezus niet
„Heer“ mag noemen? of behelst hij eene waarschuwing om het
niet bij „Heer!“ roepen te laten en het doen van 's Vaders
wil te verzuimen? Een mysterie-god kan toch ook heel goed
tot zijne vereerders aldus spreken. WINDISCH
antwoordt: „van een mysteriegod kan ik in dit logion geen
duidelijk spoor ontdekken“ 1). Het is geen
antwoord op mijn vraag. WlNdisch
heeft al weer het punt van vergelijking miskend. Als
iemand zegt: „Heer tot mij te roepen brengt u niet in het
hemelrijk, maar het doen van Godswil moet er bij,“ dan
behoeft zoo iemand op grond van dit woord — en daarover
loopt de kwestie — niet een mensch te zijn, een historisch
persoon, het
1)
blz. 27.
117
kan even goed een halfgod of mysteriegod wezen. Intusschen
doet de tekst op zichzelf reeds meer aan een
bovenmenschelijk wezen denken dan aan een rabbi-messias,
waaraan WINDISCH gedacht wil hebben. Iemand, met wiens naam
geprofeteerd wordt, duivelen worden uitgeworpen en wonderen
gedaan is niet licht een historisch mensch, maar een
Kyrios,
een goddelijke Heer.
Erger dan alle zwakke punten, die
schmiedel's
zuilen vertoonen, is echter de principieele methodische fout
waarin hij is vervallen. Moge men al in een historiebericht
aan die trekjes het meest geloof schenken, die met de
algemeene tendenz van den berichtgever zich niet laten
rijmen, — dit geldt alleen van historieberichten. Zoo niet,
dan moet Zeus, zegt
friedrich steudel 1) terecht, als zijne
vereerders hem allerlei leelijke, menschelijke, ja al te
menschelijke trekken toedichten, eene geschiedkundige
persoonlijkheid zijn, daar anders immers onverklaarbaar
bleef, hoe zijne vereerders hem zulke trekken konden geven.
Ja, elke tegenstrijdige trek, dien een criticus in de
figuren van een drama ontdekt, moest op historie wijzen!
Wat
mij in GUIGNEBERT`s
verdediging van
1)
lm Kampf
um
die Christusmythe,
Jena,1910S.98.
118
de historiciteit weldadig aandoet, is de aarzeling om te
boud te zijn in zijne beweringen. Door menig argument van de
liberale theologie verklaart hij weinig getroffen te zijn.
Dat Jezus bv. goed past bij het milieu, waaruit hij
voortkomt, en dat wij van elders kennen (eene
opmerking van
jülicher), imponeert hem niet; immers Jezus kan
desniettemin nog best een verdichte figuur zijn; romanhelden
zijn licht in overeenstemming met de omgeving, waarin de
roman zich afspeelt, zoo deze althans goed geschreven is.
Dat de spreuken uit het Evangelie met elkander
overeenstemmen (eene opmerking van
von soden)
bewijst nog niet, dat zij van Jezus zijn. Toch komt het
guignebert
voor, dat in de oogen van eiken onbevooroordeelden lezer
der Synoptische Evangeliën zich eene scherpomlijnde en
oorspronkelijke figuur afteekent, die het leven
weerspiegelt en bezwaarlijk uit de mythologische verbeelding
kan voortkomen. Jezus is volkomen menschelijk, hij is moe en
hongerig, hij slaapt, moet dingen vragen, is blij,
bedroefd, beeft, weent, wordt toornig, kent de grenzen van
zijne macht evenals van zijn weten. Zóó zou een machtige
God-Middelaar zich niet voordoen; die behoefde niet anders
te doen dan te sterven om de menschen te behouden. Is dit nu
echter niet aan den Oudchriste-
119
lijken Godmensch voorschrijven, wat hij had moeten zijn? Het
is juist het eigenaardige en typische van den Christus,
gelijk de Kerk dien
heeft geteekend in haar heilige Schriften, dat hij naast het
metafysische, goddelijke, het menschelijke in zich heeft om
juist zóó de Godmensch te wezen. Zou de dichter van het
godmenschelijk epos, dat aan onze Evangeliën ten grondslag
ligt, zóó weinig bekwaam zijn geweest, dat hij in de
uitbeelding van den menschgeworden Godszoon al het
menschelijke zou hebben vergeten? Inderdaad ligt hier op het
menschelijke meer de nadruk dan bij de mysteriegoden; hierin
spiegelt zich dan niet een historisch persoon, maar veeleer
de idee van den Stoicijnschen wijze, die de vergoddelijking
van den mensch als bezielend ideaal voor oogen stelt en als
zoodanig eene aanvulling vormt op de idee van de lijdende
menschgeworden mysteriegoden van het Hellenisme. Deze
aanvulling is typisch Romeinsch. Het realisme der Katholieke
Kerk past bij den Romeinschen geest; daarbij past ook de
Stoa, die dan ook te Rome hare schoonste triumfen heeft
gevierd en daar het uitgewerkte ideaal van den wijze heeft
geteekend. Ook voor deze school wordt het ideaal vleesch en
bloed 1).
1)Vgl.
bij het volgende:
rudolf hirzel, Un 120
Men was reeds vroeger behoefte gaan gevoelen aan een
concreet voor oogen staand beeld van deugdzaamheid.
Verschillende personen, zoowel mythische als historische,
deden in den loop der tijden als zoodanig dienst: Herakles,
de held der sage, en Cyrus, de held der geschiedenis. De
Socratici beschouwen Sokrates als het verwerkelijkte ideaal
van den
wijze. Onder de Cynici zullen Antisthenes en Diogenes
zichzelven daarvoor gehouden hebben. Ook de oudste
Stoicijnen, Zeno en Kleanthes zullen van hun eigen wijsheid
en volmaaktheid overtuigd zijn geweest. De geest des tijds
werkte in dezen mede: het opkomend individualisme vereischte
de vereering van de menschelijke persoonlijkheid. Maar
langzamerhand werd het Stoische ideaal zóó hoog verheven,
dat het nauwelijks meer voor verwerkelijking vatbaar scheen
en men niet langer aan zijn reëel bestaan in het verleden
gelooven kon. Tegenover de Cynische School, waaraan de Stoa
haar oorsprong dankte,
werd zij steeds zelfstandiger. Antisthenes en Diogenes
hadden bekrompenheden en harde kanten gehad, die hen
ongeschikt maakten om als de ideëele wijzen van de Stoa te
worden
tersuchungen
zu Cicero's
Schriften
II
Lpz. 1882, S. 271 ff.
121
beschouwd. Zelfs de eerste hoofden van de Stoïsche school:
Zeno, Kleanthes, Chrysippus kwamen hiervoor niet langer in
aanmerking: onfeilbaarheid had hun immers ontbroken blijkens
hun verschil van inzicht op menig quaestieus punt. Zoo wordt
het tusschen 100 en 50 vóór Christus algemeen Stoische
opvatting, dat de wijze er nooit is geweest. „Wie de wijze
is geweest,“ zegt Cicero 1), „plegen zij zelven
zelfs niet te zeggen“; en Plutarchus 2): „deze
wijze is nergens ter wereld en is er nooit geweest.“ „Tot nu
toe is hij, die volgens hen de wijze is, niet gevonden,“
meent ook Sextus Empiricus 3). Ja, nog bij Seneca
vinden wij denzelfden twijfel: „Waar zult gij hem vinden,
dien wij al zoovele eeuwen zoeken ? Bij den beste vergeleken
is hij de minst slechte 4).“ Het voortschrijden
in deugdzaamheid werd nu als surrogaat voor de wijsheid
beschouwd.
Eerst in den tijd der keizers, als er in de politiek rust
komt en de menschen in godsdienstigen en wijsgeerigen zin
gaan dwepen, herleeft het oude ideaal van den Stoischen
1)
Cicero, Acad. 145.
2)
Plutarchus, de Comm. Noi. 33, p. 1076 B.
3)
Adv. Dogmat.
III
133.
4)
Seneca, de Tranq. Animi 7, 4.
122
wijze en keert de opvatting terug, dat het vatbaar is voor
verwerkelijking. Zoo bij Epictetus, die van Diogenes en
Heraclitus als van „goddelijken“ spreekt en Kleanthes,
Sokrates en Zeno tot de wijzen rekent. Onder de Romeinen
geldt Cato als ideaal; dit reeds bij Cicero, maar veel
sterker tijdens de keizers, o. a. bij Velleius Paterculus en
Seneca. De goden hebben ons volgens den laatste in Cato een
beter model van een wijze gegeven dan in Ulysses en Hercules
voorheen, die intusschen als ideaal-wijzen bleven gelden
voor de Stoa, evenals Nestor. 1) Het verbaast ons
niet, dat geleerden in den nieuweren tijd wel eens op een
dwaalspoor zijn geleid door de min of meer Christelijke
kleur, die het beeld van den Stoischen wijze vertoonde. Zoo
heeft amédée FLEURY
in den 120sten brief van Seneca Christus meenen te vinden.
„Noodzakelijk moest groot schijnen wie noit over rampen
heeft gezucht, zich nimmer over zijn lot heeft beklaagd,
velen met zijn deugd heeft bekend gemaakt, en, niet anders
dan het licht, in de duisternis heeft gestraald; aller
aandacht richtte hij op zichzelven, daar hij vreedzaam en
zachtmoedig was en met menschelijke en goddelijke dingen
gelijkelijk tevreden. Hij had
1)
Seneca, de Constantia Sap. 2.
123
een volmaakt gemoed en was tot het toppunt van zijn eigen
wezen opgeklommen, waar niets boven gaat dan de geest Gods,
waarvan een deel ook in dezen sterflijken boezem was
neergedaald.“ In dezen brief toont Seneca aan, dat de kennis
van het goede eene historische aanleiding heeft; uit
gevallen van de ervaring, door voorbeelden van edele mannen,
komen wij geschiedkundig tot een ideëel beeld, dat door
fantazie en nadenken alleen niet geschapen zou kunnen
worden. De trekken van dit ideëele beeld hebben in bepaalde
individuen geleefd en worden veelszins vergroot en verfraaid
in den ideëelen wijze geprojecteerd. Met dat al blijft het
nog een abstract ideaal. Van menschen met weinig historisch
besef was trouwens niet meer te verwachten.
Philo van Alexandria ziet in Mozes het ideaal van den wijze
der Stoa vleesch geworden, getuige zijn Leven van Mozes.
Daarin wordt gezegd, dat Mozes' omgeving verbaasd stond over
hem en zich afvroeg, van welken aard de geest was, die in
zijn lichaam huisde en zich in hem openbaarde: was het een
menschelijke of een goddelijke óf een uit menschelijkheid en
goddelijkheid gemengde ? Elders bij Philo wordt de Logos,
het goddelijk-redelijke, in den Hoogepriester, den Gezalfde
( = Christos) aanschouwelijk voorgesteld. De Logos
124
kan zich slechts verwerkelijken in een zondeloozen mensch,
die eigenlijk nergens te vinden is, evenmin als de ideëele
wijze van de Stoa. Nu zegt men gewoonlijk: de Logos van
Philo houdt het midden tusschen een onpersoonlijk geestelijk
wezen en eene allegorische persoonlijkheid; hoe geheel
anders de Christelijke opvatting, die den Logos vleesch laat
worden (Joh. l : 14)1 Dat zou dan het specifiekChristelijke
in de Logosleer zijn, want Philo's Logos wordt niet vleesch.
Toch is deze redeneering niet geheel juist. Wij zagen
immers, dat het denkbeeld van de menschwording Gods aan de
geestelijke atmosfeer van die dagen niet vreemd is geweest.
Bij Philo zelven zijn ten overvloede een paar plaatsen te
vinden, die aan het denkbeeld van de vleeschwording des
Woords
doen denken. Zoo wanneer hij zegt: „God neemt wel eens de
gedaante van een mensch aan om hun, die tot hem gebeden
hebben, te hulp te komen“ 1) en elders: „Het is
gemakkelijker voor God om mensch te worden, dan voor een
mensch om God te worden“ 2). En er zijn toch
Doceten geweest! Dezen waren ten spijt van alle rechtzinnige
verkettering óók Christenen.
1)
Philo, de Somniis I 41.
2)
Philo, de Legat. ad Cai. 16.
125
De idee van de godmenschelijkheid kon volgens de Kerk — en
daarin heeft zij wel gelijk gehad — tot de millioenen niet
anders spreken dan in den vorm van een menschenleven. Niet
als historische realiteit, maar als idee heeft Jezus de Kerk
tot overwinning geleid ; deze idee van eene godmenschelijke
persoonlijkheid is de genius van het Christendom geweest. In
het vierde Evangelie is het vleesch geworden Woord trouwens
even weinig eene uitgesproken persoonlijkheid als de Logos
bij Philo; het is een goddelijk wezen, en de Evangelist
aarzelt hem al te menschelijk voor te stellen. Maar in de
Synoptische Evangeliën is het niet veel anders. De
mythologische bespiegeling kon als abstractie geene
propagandistische kracht bezitten; zoo verdichtte zij zich
tot eene aanschouwelijke gestalte. In den Christus vallen de
Platonische idee en het ideaal van den wijze der Stoa samen,
Er waren Stoïcijnen, die de gansche Herculesmythe tot eene
allegorie van de deugd en hare
verschijningsvormenvervluchtigden. Hercules was de heilige
van de Cynische School en gold als belichaming van de deugd
1). Al wat de vijandige aarde aan vreeselijke
dingen schept heeft hij bedwongen; hij overwint, hij
1) Allegoriae Homericae, c. 33 vv.
126
groeit door rampen; daardoor vindt zijn onbedwingbare moed
goddelijke vereering en de geheele aarde spreekt over hem
als over een god. Hij is in het rijk van den god der
onderwereld binnengedrongen, heeft dezen gebonden en de buit
naar den hemel teruggebracht. Nu staat de weg open, die uit
de diepste schimmenwereld terugvoert. De hel heeft hij
beroerd om de hemelen te bereiken. Niet gemakkelijk is de
weg van de aarde naar de sterren; reeds zijn prille jeugd
was blootgesteld aan gevaren. Maar uit Jupiter is hij
gesproten en zoo hooge afkomst geniet men tot den prijs van
het geluk; als god te zijn geboren moet men altijd duur
bekoopen. Doch hij, die te voet over de zeeën ging, het
noodlot overwon, den dood verachtte en uit de hel
terugkeerde mag zeggen: nu is er niets meer om te vreezen.
Door zijne hand is vrede. De aarde kan hem niet meer
vasthouden; eindelijk geeft zij hem aan den hemel terug.
Zoekt gij zijns gelijke? Hij heeft dien niet. Alles ziet hij
beneden zich en gaat vrijwillig zijn lot tegemoet zonder
zich ook maar te beklagen, dat hij sterven moet 1).
In Seneca's Hercules op
1)
Dit zijn verspreide woorden uit Seneca's Hercules
furiosus; vgl. Tijdschrift voor Wijsbegeerte,
1921, blz. 172.
127
den Oeta
wordt de held geteekend als de zoon Gods, die op aarde
verschijnt om voor de menschen te lijden en den dood op zich
neemt om tot God den Vader te worden verhoogd. Ofschoon
gerechtigd tot het verblijf in den hemel, verwerft hij zich
den toegang tot de sterren langs den bangen lijdensweg. Hij
vernedert zich tot de gestalte van een dienstknecht om vrede
op aarde te brengen. Hij neemt op aarde de plaats in van
den hoogsten God, dien hij zijn Vader noemt. Als sterflijk
mensch zal de Godgelijke den dood smaken en begraven worden.
Blijde brengt hij het offer van zijn leven. Hoewel van
alle menschen verlaten, zwijgt hij onder het bitterste
lijden en heeft de dood over hem geen macht. Roept
hij om water, dan wordt zijne bede niet verhoord. Hij
spreekt tot zijne ongelukkige moeder, getuige van zijn
lijden, bemoedigend: Uw zoon leeft. Reeds roept
hem zijn Vader en bidt de Zoon: „Neem mijn geest op
in den hoogen!“ Natuur deelt in dit godmenschelijk
lijden, doordat God duisternis doet heerschen
over de aarde en den donder laat rommelen;
maar de Zoon kan spreken: „Het is volbracht.“
Want alle dingen zijn hem onderworpen, over alle
booze machten heeft hij getriumfeerd; nu overwint hij ten
slotte zelfs dood
128
en graf. Hij wordt als een god ten hemel verhoogd
1).
Het drama van Seneca, dat Hercules' sterven op den Oeta tot
inhoud heeft, behoeft geen rechtstreekschen letterkundigen
invloed te hebben geoefend op de lijdensgeschiedenis van het
Evangelie. Deze parallel bewijst in elk geval echter, dat
het beeld van den lijdenden, stervenden en ten hemel
verhoogden Godszoon der Evangeliën tot in menige
bijzonderheid toe bij de Stoa wordt teruggevonden en zonder
historischen achtergrond werkelijkheid heeft gehad.
Het zuilenargument van
schmiedel is
in een gewijzigden vorm ook bij
guignebert
2) terug te vinden, als deze zegt: ware het
historische in de Evangeliën verdicht, dan zou het er dikker
op liggen; deze menschelijke realiteit, die zich in de
Synoptische Evangeliën spiegelt, boezemt den schrijvers
eigenlijk geen belang in; ondanks henzelven laten ze ons
eene historische persoon bespeuren; hun geloof is al verder
ontwikkeld en die persoon brengt hen soms in verlegenheid.
De aan von soden
en BOUSSET ontleende argumenten, die
1)
Vgl. Tijdschrift
voor Wijsbegeerte
1921, blz. 173 v.
2)
p. 151.
129
dit gevoelen moeten steunen, missen echter bewijskracht. De
Evangelisten, meent GUIGnebert,
achten lijden en dood van Jezus het belangrijkste, Jezus
zelf zijn leven en werken. Ik waag de opmerking: is dat wel
een menschelijk leven en een menschelijk werken? Het
uitdrijven van daemonen en het verrichten van
doodenopwekkingen en andere wonderen ? Het is veeleer de
slechts gebrekkig geslaagde poging om aan het drama van den
lijdenden en stervenden Godszoon, die toch in het Oudste
Evangelie, dus van den aanvang af, in het middelpunt der
belangstelling staat, een aardsch leven te doen voorafgaan.
De menschwording moet dan toch ook iets menschelijks
te aanschouwen geven; de wordende kerk gevoelde de
noodzakelijkheid om in den strijd tegen de Gnosis de
geschiedenis vóór de opstanding breeder uit te werken. Zien
wij niet, dat allerlei stof, die oorspronkelijk tot de
Opstandingsverhalen behoord heeft, zooals de wonderbare
vischvangst en de verheerlijking op den berg, naar de
periode vóór het lijden en sterven zijn verlegd, terwijl men
door geboorteverhalen en geslachtsregisters, den doop door
Johannes enz. in te lasschen de menschelijke zijde van
den Heer meer tot haar recht zocht te doen komen? Dat dit
menschelijke er nu niet zóó dik opligt, als
130
sommigen van eene verdichte historiciteit zouden verwachten,
laat zich volkomen begrijpen, wanneer men bedenkt, dat er
niet maar van een gewoon mensch sprake is, maar van den
geïncarneerden Zoon Gods. Met dat al is de tactiek
handig om de historiciteit van Jezus te willen halen niet
uit het klaarblijkelijke, duidelijk sprekende en forsch
geteekende van het historische element, maar juist uit de
zwakheid van de historische trekjes in de Evangeliën.
Laat ons liever zeggen: de godmensch is er in onze
Synoptische Evangeliën mensen elijker op geworden, doch
slechts zeer betrekkelijk-menschelijk. Hij is inderdaad aan
honger onderhevig; maar dat is Kronos ook, als hij zijn
eigen kinderen verslindt; hij slaapt: voor Hypnos buigen
zich de machtigste goden en tweemalen werden zelfs Zeus'
oogen door hem op Hera's bevel gesloten; hij is blijde: de
Olympus davert van het gelach der goden en Jahwe lacht in
den hemel over de dwaasheid der menschen; hij is bedroefd:
Wodan eveneens, als Balder sterft; hij beeft: zooals Zeus
het bij gelegenheid ook doet, wanneer Hera's jaloezie is
gaande gemaakt; hij weent: Demeter ook over het verlies van
Persefoné; hij doet vragen: de Sphinx van Thebe deed dat
ook; hij wordt boos: Jahwe niet minder, om
131
van de Grieksche goden te zwijgen. Let wel, dat ik enkel
voorbeelden aan de godenwereld heb ontleend en dat dit alles
van halfgoden of heroën nog veel meer geldt. Van Hercules
bijv. vindt men zonder uitzondering alle uitingen vermeldt,
welke in verband met Jezus karakteristieke kenteekenen
heeten van een echt mensch 1) De
geschiedenis van de oudheid zou dus met de historische
persoon Hercules verrijkt moeten worden.
Legt Jezus den nadruk alleen op zijn leven en werken en niet
op zijn lijden en sterven? Ik moet het ontkennen, denkende
aan al die plaatsen, waar hij zelf van zijn verzoenenden
dood gewaagt. Schakelt men al dergelijke teksten als
Gemeentetheologie uit, dan houdt men natuurlijk wel iets
over, dat eene andere nuance vertoont, doch, aldus
schiftende, handelt men willekeurig 2).
Particularistische opmerkingen als: het brood voor de
kinderen bestemd, d. w. z. het Evangelie voor de Joden (Mk.
7 : 27) en de eisch niet tot de Samaritanen en de Heidenen
te gaan (Mt. 10:5) bewijzen niets meer, dan dat er in het
oude Christendom richtingsverschillen hebben be-
1)
p. 151.
2)
Vgl. Mt. 20 : 28; 16 : 21; 17 : 12; Lk. 22 : 19 v.
132
staan. Tegenstrijdige opvattingen in de Evangeliën
vooronderstellen toch niet noodzakelijk het bestaan van een
vleeschelijken Meester
1).
Boven zagen wij reeds, dat, wanneer alles in Paulus'
prediking zich om Jezus' kruis beweegt, de kruisiging een
geloofsartikel moet zijn. Nergens is trouwens bij hem sprake
van een menschelijk, heldhaftig en zelfverloochenend
gedragen lijden. Juist dat, wat de moderne theoloog in Jezus
eert: zijn moedig martelaarschap voor eene onwrikbare
overtuiging, vindt men bij Paulus niet. De Apostel is niet
minder van de Opstanding overtuigd als van de kruisiging;
beide hebben niet op eene gebeurtenis onder Pontius Pilatus
betrekking, doch op een kosmisch drama, dat door den Overste
dezer wereld geënsceneerd, maar door God tot een blij einde
geleid werd.
guignebert zegt: Paulus heeft geen belangstelling
voor den geschiedkundigen Jezus, omdat hij Gnosticus is en
het leven van Jezus op eene wijze verklaart, die vreemd is
aan de realiteit. Vreemde redeneering van den scherpzinnigen
geleerde! Dat Paulus feitelijk niets om een historischen
Jezus geeft en niets aangaande hem bericht, maakt Paulus
juist tot
1)
guignebert,
p. 152.
133
een getuige voor Jezus' bestaan! Hij zegt over Jezus slechts
dingen, die de moderne kritiek der liberale theologen
onaannemelijk en onwerkelijk acht, —
guignebert
1) geeft het toe; maar, zegt hij, dat komif
doordat zijne bespiegeling Christus reeds tot eene mythe
heeft gemaakt. Met andere woorden: Paulus geeft eigenlijk
een mythischen Christus, maar dit feit wordt gebruikt om te
bewijzen, dat hij een historischen kent
! Wat
bewezen moest worden, wordt stilzwijgend als gegeven reeds
aan de redeneering ondergeschoven. Deze methode van
bewijsvoering is trouwens karakteristiek voor de liberale
theologie. Goguel
2) oordeelt, dat de Doceten niet zooveel
schatten van vernuft verspild zouden hebben om Jezus los te
maken van een al te onmiddellijk contact met de menschheid,
als zij ook maar de geringste reden hadden gehad hem voor
eene ideëele persoonlijkheid te houden zonder historische
realiteit. Maar vleeschelijkheid in den dogmatischen zin is
niet hetzelfde als historische realiteit. Het ligt evengoed
in het begrip van de zending des Zoons, dat hij op een
mensch gelijkt, als dat hij een goddelijk wezen is. In
gelijkheid aan zondig
2)
goguel, p. 96.
134
vleesch is hij gekomen met de bedoeling den Overste dezer
wereld en diens trawanten er in te laten loopen; zij moesten
zich vergrijpen aan hem, hunne bevoegdheid te buiten gaan en
zoo zichzelven onmogelijk maken 1). Ook bij
Paulus komt hij uit den hemel en quasi als mensch onder
menschen, weliswaar als engelachtige mensch, maar toch als
mensch. Maar is hij wel mensch in een anderen zin dan de
mysteriegoden, die mensch worden?
In een lezenswaardig boekje heeft H. G.
cannegieter
2) gewezen op het eigenlijk ,,hemelsche“ karakter
van het Evangelische drama. Hij noemt het ,,als 't ware in
den Hemel geschreven“ en ,,de spelers naar de aarde
gedirigeerd om aldaar ten overstaan van de menschen hun
rol te voleinden“. De tragiek van het epos ziet hij verzwakt
door de goddelijke voorwetenschap van den held, die tot in
bijzonderheden zijn lijdensweg en daarop volgenden triomf
kent. ,,De omstandigheid, dat zijn omgeving hem als een
mensch behandelt, niet beseffend, dat zij met een god heeft
te maken, verlegt dikwijls het tragisch accent van den
hoofdpersoon naar de omstanders.
1)
Vgl. mijn: De Wereld van het Nieuwe Testament, blz.
64 w.
2)
Wie
was
Jezus?
Amst. 1930, blz. 70.
135
Bij een god is de overwinning van te voren verzekerd, en het
besef, spoedig weer naar den Vader terug te mogen gaan,
beneemt wel iets van het lijden, dat het tijdelijk
menschzijn meebrengt.“ Een vorig geslacht, zegt hij verder,
heeft „het Nieuwtestamentisch epos ontmand door den Jezus te
verlagen tot een welmeenenden mensch.“ Hier oordeelt
canNEGIETER
over het heden te optimistisch: was het maar beperkt
gebleven tot het vorig geslacht! Dit geslacht doet
helaas! niet anders. Er zijn gelukkig uitzonderingen. Van
beter inzicht getuigt G. A.
hoevers 1),
als hij Jezus Christus een „verbeeldingsfiguur“ noemt en
zegt: „Hij komt in het Nieuwe Testament voor als een
persoon, doch is als zoodanig nooit met de zintuigen
waargenomen.“ „Al wat geschreven staat als gezegd door Jezus
van Nazaret of Jezus Christus heeft geleefd in hoofd en
hart van een of meer menschen en heeft zijn waarde in
zichzelf, onverschillig welke mond het heeft geuit of
welke pen het heeft geschreven.“
In het Haagsch Maandblad van Dec. 1929, (Deel XII,
Nr. 6, blz. 575 vv.), schrijft Dr. A.
vloemans over
De Historische Jezus. Na er
1)
Ons
Godsdienstonderwijs.
Red. Dr. R. MIEDEma,
11de
Jg. No. l, blz. 22 vv.
136
op te hebben gewezen, dat de grootste figuren der menschheid
meestal door de nevelen van de legendenvorming overdekt
zijn, gaat hij aldus voort: „In hoeveel hoogere mate geldt
dit alles voor den historischen Jezus, de grootste figuur,
die in den langen loop der tijden tot de menschheid heeft
gesproken, een gestalte, zoo overweldigend groot, dat zij
het geestelijk aangezicht der aarde heeft herschapen en den
religieuzen ontwikkelingsgang van de menschheid in een
bedding heeft geleid, waardoor de stroom des tijds zich
sedert twintig eeuwen spoelt en in de nog ongetelde eeuwen
der toekomst vloeien zal. Zooverre steeg deze figuur boven
alle gemeene menschelijke maatverhoudingen uit, dat de
traditie der geslachten in hem steeds een bovenmenschelijk
wezen: den Zoon van God heeft gezien“ (blz. 575). Het is het
bekende recept van de LebenJesu-Forschung: de steeds als
bovenmenschelijk wezen en Godszoon beschouwde Jezus wordt
vóór alle betoog reeds als een historische groote figuur
dithyrambisch bezongen in plaats van in den loop van het
onderzoek geschiedkundig waargemaakt.
ditlef nielsen's
Der historische Jesus heeft op Dr.
vloemans een
zeer bijzonder diepen indruk gemaakt; hier werken
bijbelkritiek en archaeologische wetenschap samen, zoodat
„de neve-
137
len zich rond de historische figuur van Jezus en rond het
ontstaan van het christendom beginnen te lichten“ (blz.
582). Wat hij hiermede eigenlijk bedoelt? Hij zegt het zelf
met deze woorden: „Nielsen toont aan, hoe tal van
bijbelsche, in 't bijzonder Nieuw-testamentische motieven in
de gelijktijdige cultuur van de omringende oostelijke landen
terug te vinden zijn: zoo de Godstriniteit, zoo de
maagdelijke geboorte en de heropstanding uit de dooden.“
Veel blijkt aan het Oosten ontleend. Als
vloemans de
geschiedenis van het vak, waarover hij schrijft, ook maar
eenigszins beheerschte, zouden dergelijke opmerkingen voor
hem geene openbaring zijn. Evenmin de opvatting, dat Jezus
als revolutionair door het Romeinsche gezag zou zijn ter
dood gebracht, — eene opvatting, die ten onzent J. W.
straatman
reeds in het Theologlisch Tijdschrift van 1880, blz.
330 w. verdedigde; ja reeds in 1866 had Dr. LUDWIG
philippson
1) hetzelfde gedaan en Dr. M.
joel 2)
zou het
1)
Haben wirklich
die Juden
Jesum
gekreuzigt?
Separat-Abdruck aus der Allgem.
Zeeitung
des
Judenthums.
Berlin 1866.
2)
Blicke
in die Religionsgeschichte
zn Anfang des
zweiten
christlichen
Jahrhunderts.
Breslau-Lpz. 1883.
138
in 1883 herhalen, terwijl onze A. D. Loman
1) eveneens de schuld van Jezus' dood op
rekening van den Romeinschen landvoogd heeft gesteld.
De geheele radicale kritiek lijdt volgens
vloemans
schipbreuk op de weinige woorden, die Tacitus schrijft,
Annales XV 44: ,,de stichter van dezen (Christen-) naam is
Christus, die onder de regeering van keizer Tiberius door
den landvoogd Pontius Pilatus terechtgesteld werd.“ Dit
citaat waarborgt ons de historiciteit van Jezus volkomen,
meent hij. Van bezwaren tegen deze plaats heeft hij
blijkbaar nooit gehoord. Men behoeft niet met
hochart den
geheelen Tacitus voor een maakwerk van Poggio Bracciolini in
de 15de eeuw te houden, noch zelfs het onderhavige hoofdstuk
voor onecht te verklaren, om toch met de voorzichtigheid van
een franklin arnold
2) de groote moeilijkheden te erkennen,
waarvoor deze tekst ons plaatst. Dat Tacitus, omstreeks 117
van onze jaartelling aldus over Christus' terechtstelling
schrijft, behoeft ons allerminst te doen denken aan
bijzondere archiefstudiën, door dezen historieschrijver aan
het proces van Jezus ge-
1)
A. D. loman in
de Gids
van 1884, I 265 w. 2) Die neronische
Christenverfolgung,
Lpz. 1888.
139
wijd. Zijne woorden bewijzen alleen, dat er, toen zij
geschreven werden, Christenen waren, die zich naar Christus
noemden en huns meesters lijden in de dagen van Pontius
Pilatus dateerden; de bron voor deze wetenschap behoeft
geene andere dan de Evangeliegeschiedenis te zijn.
windisch
acht deze Tacitusplaats echter een eersterangs-argument
voor den historischen Jezus. Op zóó korten tijdsafstand van
Pilatus' regeering kan eene dergelijke legende nauwelijks in
die mate vasten voet hebben gekregen, dat zij argeloos ook
door de vijanden van het Christendom overgenomen werd, zegt
de Hoogleeraar 1). Ik geloof veeleer, dat Tacitus
de mededeeling van Christenen-zelven heeft; en dat hij
persoonlijk tegenover het Christendom niet vijandig, maar
vrij onverschillig zal hebben gestaan.
dupuis heeft
op het einde van de 18de eeuw reeds begrepen, dat Tacitus
over de Brahmanen sprekende even goed had kunnen zeggen: de
Brahmanen hebben hun naam van Brahma, die in Indië geleefd
heeft. De moderne geschiedvorscher zou daaraan dan niet eene
historische figuur Brahma durven ontleenen. Ten opzichte van
Jezus handelt men anders. Had Tacitus in-
1)
Tbeol. Rundschau
1929, S. 285.
140
derdaad zijne wijsheid uit de archieven, waarom negeert hij
hier dan den naam Jezus, die in de door hem geraadpleegde
procesacten of het Senaatsprotocol dan toch zeker gestaan
zal moeten hebben 1)?
Zonderling, dat
vloemans W. B.
smith in Engeland (moet zijn: Amerika) en mij de
meening in de schoenen schuift, dat de gansche
Christus-passie eene astraalmythe zou zijn. Hier verraadt
onze auteur volkomen onbekendheid met wat
smith en ik nu
al tientallen jaren lang hebben gepubliceerd. Maar wat te
zeggen van de bewering, dat
smith, drews
en albert kalthoff
in den ban staan van de Hegeliaansche denkwijze (blz.
585)? Boven heb ik in ander verband de onjuistheid van deze
opvatting, naar ik meen voldoende weerlegd. Erger dan deze
onkunde ten opzichte van het levenswerk der Radicalen is Dr.
vloemans'
onwetendheid omtrent Hegel, in een geschiedschrijver van de
wijsbegeerte bijna ongeloofelijk. Hegel zou volgens hem den
algemeen-menschelijken geest, als abstractum, tot schepper
van de geschiedenis hebben gemaakt, „zoodat de enkele
individuen niet anders zijn dan willooze marionet-
1)
arthur drews,
Die Christusmythe
II.
Jena 1911, S. 30.
141
ten in de tanden van dien onzichtbaren wonderdoener, die
Geest (met een hoofdletter) heet“ (blz. 585). De Inleiding
van Hegei's Philosophie der Geschiedenis, die over
wereldhistorische individuen, helden, groote mannen spreekt,
maar hunne grootheid niet naïef abstract buiten de
werkelijkheid stelt, logenstraft Dr.
vloemans'
opvatting van Hegel's bedoelingen. Het allerzonderlingste is
echter wel, en op bronnenstudie van den historicus
vloemans kan
dit onmogelijk berusten, dat hij in dit verband
bruno bauer
noemt. Er zijn maar weinigen geweest, die aan de
persoonlijkheid eene zoo geheel eenige waarde hebben
toegekend, die op Nietzscheaansche wijze de massa, de
veel-te-velen hebben veracht, en den Uebermensch gehuldigd
als juist bruno
bauer, die immers de Evangeliegeschiedenis in haar
oorspronkelijken vorm als vrije schepping van eene geniale
persoonlijkheid heeft opgevat. Geheel dus in den trant,
zooals vloemans,
notabene meenende Bruno Bauer te bestrijden zegt:
„Wij kunnen er den nadruk op leggen..., dat alles wat er
groots en schoons in de wereld is geschapen, zijn vormgeving
te danken heeft aan een begenadigden enkeling, die wortelend
in den bodem der gemeenschap, tegelijk daarboven uitstijgt
en aldus in staat is, den weg te wij-
142
zen naar het nog onbetredene, onbekende. Want zonder
leiding is ook de grootste massa machteloos, althans
op geestelijk gebied.“ Treffend stemt daarmee
bruno bauer
overeen, van wien
vloemans zegt, dat hij het Christendom als een
sociale en geestelijke beweging van de massa omstreeks het
begin van onze jaartelling zag, maar die integendeel zelf
getuigde: in de massa is de ware vijand van den geest te
zoeken. Alle groote bewegingen der geschiedenis waren
daarom van te voren reeds mis en zonder ingrijpend
resultaat, omdat de massa zich er voor geïnteresseerd en
geënthousiasmeerd heeft.“ Hem was de massa eene
„gescheiterte Existenz“, en het slechtste getuigenis tegen
een werk de geestdrift, dien de massa er voor toont. Immers,
volgens hem was de massa een louter elementaire stof, de
neerslag van een vernielden organischen vorm 1).
Ik zou er niet aan gedacht hebben, over een werk van den op
zijn eigen gebied overigens bekwamen
ditlef nielsen
te schrijven, dat zeker niet tot zijne meest geslaagde
behoort. Eigenaardig, dat menig naar verdienste geëerd
geleerde aan de verleiding geen weerstand
1)
Dit alles in bruno
bauer's Allgemeine. Literatur-Zeitung,
Charlottenburg 1844. Bd. I, Heft I, S. l, 3; Bd.
II,
Heft 10, S. 42 ff.
143
schijnt te kunnen bieden, om bij gelegenheid eens te gaan
grasduinen op een ander gebied, dan waarop hij zijne sporen
heeft verdiend; dergelijk grasduinen leidt dan wel tot
potsierlijke en niet altijd van gevaar ontbloote
buitelingen. eduard
meyer, stellig een der grootsten onder de
geschiedvorschers, waagde zich ook aan het onderzoek van den
oorsprong en het begin van het Christendom. Het resultaat
was volgens
dibelius en
juelicher minder schitterend dan wel met
meyer's naam
strookt. Ik beweer niet, dat een historicus dit gebied niet
mag betreden, maar alleen dat in dit bijzondere geval de
historicus in den oudcatechisant ondergegaan blijkt te
zijn. Een geheel tegengesteld en toch soortgelijk geval
levert georg brandes,
de hooggewaardeerde letterkundige criticus op, die
zijn zwanenzang heeft gezongen in den vorm van eene
„Jezussage“, eene goedbedoelde en zelfs geestige, maar
allerminst geslaagde poging om de gangbare opvattingen door
betere te vervangen. Zoo heeft dan ook DlTLEF NlELSEN zich
te onzaliger ure laten verleiden tot de uitgave van zijn
boek: Der historische
Jesus.
Het Theologische Literaturblatt
1)
vond er weinig in te
1)
leipoldt in
Theol.
Literaturblatt
20 Dec. 1929, Lp. 402 f.
144
prijzen. Maar Dr.
vloemans heeft het onder ons als iets belangwekkends
voorgesteld; en hierdoor werd het Handelsblad
tot een reeks artikelen geïnspireerd, waarvan het eerste van
een „belangwekkend“ artikel van Dr.
vloemans
gewaagt en in het bijzonder de aandacht vestigt op diens
waardeering van
nielsen. Maar als nog belangwekkender wordt dan
vermeld de vondst van
robert eisler. „Het groote feit van de laatste jaren
is nu, dat er in Russische kloosterbibliotheken eeuwenoude
handschriften gevonden zijn, die in een oud-slavische
vertaling de oerconceptie bevatten, waaruit de historische
werken van Flavius Josefus zijn gegroeid, de zgn. Verovering
van Jeruzalem“ 1).
vloemans
vindt, dat de door hem uit dat boek meegedeelde woorden
overschildering in dogmatischen zin vertoonen. Zij luiden
aldus: „In dien tijd (d. i. ten tijde van Pilatus) trad een
man op, als het geoorloofd is hem een man te noemen, die
wonderdaden verrichtte... door een bepaalde onzichtbare
kracht. Sommigen zeiden van hem: Onze eerste wetgever is van
de dooden opgestaan en heeft vele genezingen en kunsten
gedaan. De anderen meenden ech-
1) Haagscb Maandblad,
Dec. 1929.
145
ter, dat hij door God gezonden was. Maar tij verzette zich
in veel tegen de
Wet,
en den Sabbath hield hij niet naar het voorvaderlijk
gebruik. Maar wederom deed hij niets schandelijks, noch
werkte hij met behulp der handen, maar slechts door het
woord bereidde hij alles voor. En velen uit de volksmassa
volgden hem na en hoorden naar zijne leer. En vele zielen
geraakten in beweging, meenende, dat daardoor de Joodsche
stammen zich uit de handen der Romeinen konden bevrijden.
Het was echter zijne gewoonte, vóór de stad op den
Olijfberg zich meer op te houden. Daar echter schonk hij
ook de genezingen aan het volk. En er vergaderden zich bij
hem aan aanhangers 150, maar aan volk eene menigte. Toen zij
echter zijne kracht zagen, dat hij alles, zooveel hij maar
wilde, door het woord volbracht, en toen zij hem hun wil
bekend maakten, dat hij de stad zou binnentrekken en de
Romeinsche troepen en Pilatus verslaan en over hen zou
heerschen, verachtte hij hen niet. En toen vervolgens
hiervan de Joodsche leidslieden bericht hadden bekomen,
vergaderden zij met den hoogepriester en spraken : Wij
zijn machteloos en zwak om de Romeinen te wederstaan. Daar
ook de boog gespannen is, willen wij Pilatus gaan
mededeelen, wat wij gehoord hebben, en wij zullen
146
veilig zijn; opdat hij het niet van anderen hoore en wij van
ons vermogen beroofd en zelven neergehouwen en onze kinderen
verstrooid voorden. En zij gingen het Pilatus mededeelen. En
deze zond (mannen) af en bracht velen van de volksmenigte
om. En dien wonderdoener liet hij voorkomen en nadat hij
over hem een onderzoek had ingesteld, zag hij in: hij is een
boosdoener, een oproermaker, een die de heerschappij
begeert... en zij grepen hem en kruisigden hem naar de
vaderlijke wet 1)“.
Er was inderdaad voor een Christelijken afschrijver wel
aanleiding om bij de lezing van deze pericope herinnerd te
worden aan den Jezus der Evangeliën en zich genoopt te
gevoelen de gelijkenis door toevoegselen noggrooter te
maken. Inderdaad ontbreekt echter eikeaanwijzing, dat hier
over Jezus wordt gesproken. Zijn naam wordt zelfs niet
genoemd. Deze figuur bij Josephus staat m. i. wel in heel
ver verwijderd verband met den Godszoon van het Evangelie,
al kan het Evangelieverhaal gemakkelijk trekken aan Josephus
ontleend hebben, toen het den Godszoon in het historisch
milieu van den landvoogd Pilatus te
1)
Zie robert eisler,
Jèsous
Basileus
ou
Basileusas,
Heidelberg 1929, S. 297—300.
147
Jeruzalem plaatste. Intusschen heeft ElSLER nog niet het
overtuigend bewijs geleverd, dat deze Slavische tekst iets
meer dan een betrekkelijk jong maakwerk is.
Volgens Prof. plooy,
een der schrijvers over dit onderwerp in het
Handelsblad1), bestaat de verdienste van
eisler voor
een niet gering deel hierin, dat hij op inwendige gronden,
zoowel als op grond van uitwendige getuigenissen het
buitengewoon waarschijnlijk heeft gemaakt, dat wij de vraag
niet moeten stellen of de passage Jos.
XVIII
3, 3 al of niet echt is, doch dat veeleer de oorspronkelijke
bewoordingen van Josephus ten deele geschrapt en ten deele
in Christelijken zin aangevuld zijn. De plaats luidt in
onzen Josephus aldus: „Omstreeks dezen tijd leefde Jezus,
een wijs man, als men hem tenminste een man mag noemen; want
hij verrichtte wonderdaden, een leermeester der menschen,
die met blijdschap de waarheid aannemen, en vele Joden, doch
ook velen van het Grieksche volk, sleepte hij mede. Deze was
de Christus. Ofschoon hem dan Pilatus op aanklacht van de
voornaamsten bij ons, met den kruisdood had gestraft,
hielden toch diegenen die hem het eerst hadden liefgehad
daarmede niet op.
1)
10 Dec. 1929.
148
an hij verscheen hun ten derden dage wederom levende, gelijk
de profeten Gods dit en duizend andere wonderlijke dingen
van hem voorspeld hadden. En nog nu is van de Christenen,
naar hem genoemd, de stam niet uitgestorven.“
Niemand houdt de Josephusplaats in dezen vorm voor
oorspronkelijk1); het Christelijke ligt er te dik
op. Origines heeft blijkbaar deze plaats in zijn
Josephusexemplaar niet gelezen, anders zou hij den Joodschen
geschiedschrijver niet bij herhaling ongeloovig aan Jezus
Christus hebben genoemd 2). Reeds voorlang heeft
men echter het vermoeden uitgesproken, dat de tegenwoordige
lezing eene vroegere heeft verdrongen. Men trachtte dan de
tegenwoordige zóó van Christelijke bestanddeelen te ontdoen,
dat er iets oorspronkelijks overbleef.
meyboom's
oordeel blijft waar, ook sedert EISLER's omhaal
van geleerdheid: „Voor de strenge wetenschap zwijgt
Josephus over Jezus en het Christendom3).“ Ook
Oudheden
XX
9, l, waar de woorden: „den
1)
Ook windisch
niet in Theol. Rundschau. NF. 1. Heft 4.
S. 277.
2)
Origenes, c.
Cels.
I 47; in Matth.
X
17.
3)
H. U. meyboom,
Het Christendom
der tweede Eeuw,
Gron. 1897, blz. 293.
149
broeder van Jezus, die Christus bijgenaamd werd, Jakobus
heette hij,“ hoogst verdacht klinken. Niet onwaarschijnlijk
is in den tekst van een Jezus sprake geweest, maar dan
allicht van denzelfden Jezus, die aan het einde van de
paragraaf als „Jezus, zoon van Damaios“ vermeld staat. Als
Ananos, de bevelhebber, overmoedig tegen den broeder van
dezen Jezus en eenige anderen is opgetreden, komt hij
hierdoor ten val en neemt deze Jezus zelf de plaats in, die
Ananos door zijne handelwijze had verspeeld. Men begrijpt
volkomen, hoe „Jezus“ door Christelijke afschrijvers werd
uitgebreid tot „Jezus, die Christus werd genaamd“. Maar men
begrijpt minder goed, dat heden ten dage deze Josephusplaats
voor moderne critici het bewijs kan leveren, dat Josephus
zelf reeds vroeger in zijn werk uitvoeriger over Jezus moet
hebben gesproken en XVIII 3, 3 dus echt is of althans een
echt bericht aangaande Jezus heeft verdrongen. In eene
bespreking van
eisler's boek l) heb ik op het
gewaagde gewezen, dat er in zijne poging ligt om uit, of
liever ondanks dezen overgeleverden Josephustekst een
origineel te reproduceeren, dat slechts bevat wat de
overgeleverde tekst juist niet heeft. De
1)
Nieuw Theologiscb
Tijschrift,
1929, blz. 363.
150
Farizeesche en Romeinschgezinde Josephus moet nu
eenmaal tegen Jezus hebben geschreven, — dat is het axioma,
waarvan ElSLER uitgaat. Want meent men, dat hij niets over
Jezus gezegd heeft, dan maakt men het den loochenaars van de
historiciteit van Jezus al te gemakkelijk !
Met eene verbijsterende kennis en belezenheid is
eisler er op
uit, aan te toonen, dat men het Christendom onmogelijk
zonder een historischen Jezus kan verklaren, maar dat deze
historische Jezus een Messiaansch oproermaker tegen het
Romeinsche gezag is geweest. Wat hij ter aanbeveling en
uitwerking van deze hypothese aanvoert, stempelt zijn
reusachtigen arbeid tot den nieuwsten Jezusroman van
verlicht-Joodsche zijde, waarin zelfs Joodsche
anti-christelijke tendenzeneene rol spelen.
Wat zegt Prof. plooy
tot deze dingen? Men gevoelt onder de lectuur zijner
dagbladartikelen, dat
eisler hem wel een gewenschte bondgenoot tegen de
Radicalen is, die toch niet enkel met een groot woord kunnen
worden afgeslacht. Of is het misschien geen „groot woord“,
als de Hoogleeraar zegt: „Natuurlijk, voor de doctrine van
de Christusmythe, die de historiciteit van Jezus loochent,
is het enkele feit dat een tijdgenoot-
151
tegenstander over Jezus en zijn proces onder Pilatus
spreekt, fnuikend. Maar de eenzaam overgebleven paladijnen
dezer doctrine verdedigen toch een sinds lang verloren
zaak.“ Hoe goed zou Prof.
plooy, om
eenige ruggegraat aan deze slappe rhetorische figuur te
geven, eisler's
getuigenis van den tijdgenoottegenstander kunnen
gebruiken. Maar —
eisler maakt van Jezus een revolutionair! Dat remedie
zou erger werken dan de kwaal. De gematigde rechtzinnigheid,
voor het ongeoefend oog soms nauwelijks van de liberale
theologie te onderscheiden, huivert voor revolutie terug.
Daarom vervolgt plooy
aldus: ,,De beteekenis van deze mededeeling van
Josephus... is volstrekt niet zoo groot.“ Ja, de gegevens
der evangeliën, zijn z. i. innerlijk veel plausibeler. De
gegevens? Ik meende, dat o. a.
brandt, een
van plooy's
voorgangers, ons geleerd had, dat de kwestie wel iets minder
eenvoudig is dan zij ons hier wordt voorgesteld. Ik meende,
dat brandt ons
allerlei, zeer uiteenloopende, innerlijk tegenstrijdige en
onderling elkaar uitsluitende gegevens had leeren zien. Of
zijn desondanks de gegevens der Evangeliën innerlijk
misschien zooveel plausibler dan het woord van Josephus,
omdat zij deel uitmaken van den kanon der Christelijke kerk
en als zoodanig als Gods
152
Woord hebben te gelden? Vindt Prof.
plooy dus
eigenlijk de beteekenis van Josephus' mededeeling volstrekt
niet zoo groot, Prof. WiNdisch
ziet daarin eene zeer ernstige en gewichtige
bedreiging van de radicale hypothese, al moet hij erkennen,
dat de toevoegsels in den Slavischen Josephus waarschijnlijk
Christelijk beïnvloed zijn en het gewaagd is, ze met
eisler tegen
het Dooper- en Jezusbeeld van de Evangeliën uit te spelen
1). Maar ook zoo mocht blijken, dat
eisler's
vondst door te veel bezwaren wordt gedrukt; ook als
Josephus noch in den overgeleverden, noch in eenigen
anderen vorm één woord aan Jezus heeft gewijd, is WINDISCH
allerminst uit het veld geslagen: als Josephus Jezus noemt
èn als hij Jezus niet noemt — in beide gevallen: Barbertje
moet hangenl dat wil in dit verband van gedachten zeggen: de
radicale hypothese moet worden afgemaakt. Eigenaardig, dat
geen van beide hoogleeraren, noch
windisch noch
plooy, wanneer
zij eisler
als getuige voor Jezus' historiciteit oproepen tegen de
Radicalen, ook maar iets vermelden omtrent
eisler's boven
door mij aangehaald woord; ,,het is absoluut
onmogelijk in de Christelijke bronnen... den
geschiedkundigen
1)
Theol.
Rundschau
1929, S. 283.
153
gewonen mensch Jezus te vinden, zonder dat men dezen bronnen
geweld aandoet en haar een zin onderschuift, die van de
bedoeling van den schrijver hemelsbreed verschilt“
1).
De zaak der mythologen is sinds lang verloren, zegt Prof.
plooy, „want,
zelfs al was er geen letter van de geheele christelijke en
buitenchristelijke literatuur der eerste eeuw overgebleven,
dan zou nog het feit eener christelijke gemeente met al den
rijkdom der veelkleurige tradities ons noodzaken als
uitgangspunt dezer merkwaardige beweging een historische
persoonlijkheid aan te nemen, waarin deze beweging haar
oorsprong vindt. In de historie is nimmer het milieu, steeds
de persoonlijkheid het primaire.“ Veel hiervan kan ik beamen
en eene nivelleerende geschiedschrijving, die geene helden
laat gelden, lust ook mij niet. Alleen zijn de historische
persoonlijkheden, die groote bewegingen tot stand gebracht
hebben, niet immer bij name bekend en zeker niet te
verwarren met de goddelijke wezens of heroén, die zij
vereeren, ingeval zij godsdienststichters of
godsdiensthervormers zijn. De profeten van Israël waren
historische persoonlijkheden en het profetisme is zonder hen
niet te verklaren, maar daarom mag
1)
Vgl. boven blz. 20 v.
154
Jahwe nog niet gerekend worden tot hun getal.
Behalve aan het getuigenis van Josephus l wordt in den
laatsten tijd ook bijzonder aan de getuigenissen van den
Talmud waarde gehecht. J.
klausner en
de bovengenoemde ROBERT ElSLER worden om hunne waardeering
van den Talmud als wapen in den strijd voor den historischen
Jezus door
WINDISCH
1)
geroemd.
Wat
echter te denken van den bijnaam Ben Panthera, die aan Jezus
in den Talmud 2) wordt toegekend en dien
klausner nu
uit „Zoon van de Parthenos“ (Grieksch = Maagd) wil afleiden.
windisch laat
dit zonder protest passeeren en schijnt er dus zijne
goedkeuring aan te hechten. Hoe komen die Rabbijnen, gesteld
dat klausner
gelijk heeft met zijne woordverklaring, aan dat
Grieksche woord Parthenos? Bezwaarlijk anders dan uit
het Evangelie. Die Rabbijnen zullen dat Joodsche meisje toch
wel niet een Griekschen titel hebben gegeven; zoo ja, dan
wijst deze woordverklaring op bekendheid met de
Grieksche Evangeliebewerking en niet op kennis van
mondelinge traditie, laat staan van de feiten zelven. Maar
,,Zoon van de Maagd“ zou eene Christelijke dogmatische
1)
Theologische
Rundschau,
N. F. l, Heft4, S. 273 ff 2) Vgl.
strack-billerbeck
I 36 ff.
155
formule zijn en niets meer; ten hoogste zou een Rabbijn het
gezegd kunnen hebben met hatelijke en ironische bedoeling.
In geen geval echter onafhankelijk van onze Evangeliën.
Maar de hypothese Panthera = Parthenos schijnt mij
volkomen onwaarschijnlijk; en de Jeschua ben Panthera van
den Talmud heeft met den Evangelischen Jezus niets gemeen.
Ik begrijp heel goed, dat men zich begeerig vastklemt aan de
gelijkstelling van Panthera en Parthenos om, behalve den
veel voorkomenden naam Jezus, toch iets te hebben, dat aan
Jezus Christus herinneren kan. Wanneer elders in den Talmud
van een leerling van Jeschu hannosri sprake is, — op
grond waarvan dateert men het tractaat Aboda Zara en
andere Talmudtractaten in de dagen van Trajanus en
Hadrianus? zij kunnen heel goed jonger zijn, — denkt men
dadelijk aan het bekende Jèsous ho Nazoraios van het
Nieuwe Testament, dat zeker de bron van herkomst voor deze
Talmud-mededeeling is. Waaruit dan meteen blijkt, dat de
Palestijnsche Evangeliebewerking het woord Nazoraloó
niet als een van een plaatsnaam Nazareth afgeleid adjectief
heeft opgevat1), doch er eene aan-
1)
Vgl. H. zimmern
in Zeitschrift
der Deutschen
Morgenländischen
Gesellschaft
1920, S. 429 ff.
156
wijzing van eene secte of richting in gezien heeft.
oort schreef
reeds in 1883: „Waarschijnlijk zegt Dr. Joel terecht, dat de
Talmud van Jezus alleen weet, wat door de evangeliën tot hem
gekomen is“ 1). „Reeds op den Talmud lijdt de
geheele fictie-hypothese schipbreuk“ ; — dit woord van
windisch is
dus wel wat boud gesproken. Dat ten tijde van de
teboekstelling van deze Talmudteksten allerlei toespelingen
op het Christendom mogelijk waren, zal niemand ontkennen;
waarom echter aan het woord van Jeshu. hannosri, door
diens leerling Jakob van Kefar Sekanja (is dat misschien de
zoon van Zebedaeus?) overgeleverd, zoo bijzondere waarde
moet worden gehecht, begrijp ik niet.
eisler zegt
het en „WINDISCH
onderschrijft het; maar het eenige Jezus-woord, dat in
dit verband wordt vermeld, herinnert in geen enkel opzicht
aan onze Evangeliën, waar: „van drek is het gekomen en tot
drek zal het worden“ nergens te vinden is. Dit volgens
WINDISCH „gewichtige“ bericht schijnt mij eene, naar
aanleiding van het Evangelie, door Joodschen haat ingegeven
bespotting van den heros der Christenen te zijn.
De figuur van den Joodschen Messias
1)
Theol.
Tijschrift
1883, blz. 519.
157
vormt volgens
WINDISCH
de ruggegraat van de Nieuwtestamentische Heilandsgestalte.
Onder Joden kon z. i. de verkondiging: ,,de Christus is
geboren“ slechts dan opkomen en geloof vinden, indien eene
historische figuur als drager van die waardigheid aangewezen
kon worden. Overal waar men zich met de messias-idee bezig
hield, wist men dat de messias nog niet gekomen was
en vroeg men zich af, welke de voorwaarden zouden zijn voor
zijne komst, aan welke kenteekenen hij te herkennen zou
zijn, wanneer hij zou komen, en op welke wijze hij zijne
roeping zou ten uitvoer brengen. Eene figuur der verbeelding
is alleen de Messias, die nog komen moet', de
Messias, van wien getuigd wordt, dat hij al gekomen is, kan
niet anders dan eene bepaalde geschiedkundige
persoonlijkheid geweest zijn 1). Ik heb mij deze
breede aanhaling veroorloofd, omdat WINDISCH in dit gegeven
de rots meent te vinden, waarop de radicale hypothese
schipbreuk moet lijden; hijzelf maakt er de rots van, waarop
zijne historiciteitshypothese moet gebaseerd worden. In het
kort houdt het citaat deze vraag in: hoe konden de
Christenen verklaren, dat in Jezus de Messias gekomen
is,
als er geen
1)
Christusprobleem
2,
blz. 32.
158
historische Jezus is geweest? Men moet echter toch wel heel
erg vastgeroest zitten in zijne anti-radicale hypothese,
wanneer men door een dergelijke betoog gepakt
wordt.
Want
het eigenaardige is immers geweest, dat de Joden in
dien Christelijken Messias juist niet hebben geloofd
!
Elders heb ik reeds l op eene compromitteerende parallel
gewezen, die aan deze argumentatie elke bewijskracht
ontneemt. Tegenover Windisch's
1) gezegde: „Op de belijdenis: Jezus is de
Messias, berust het Christendom, — maar dan moet Jezus ook
geschiedkundig hebben bestaan“, wees ik op de Openbaring van
Henoch (71 : 14), waar deze oudvader Henoch de Zoon des
Menschen heet 2). Volgt daaruit nu misschien ook
dat deze Henoch historisch aanzijn heeft gehad? Henoch, de
zevende van Adam af, die vóór den Zontvloed leefde en de uit
historisch oogpunt zeker bedenkelijke eer heeft genoten, een
zoon te hebben verwekt, die 969 jaren oud geworden is. De
brief van Judas (vs. 14) bericht van dezen Henoch, dat hij
profeet is geweest, juist dus zooals de Jezus van Prof.
windisch. Toch
geloof ik niet, dat deze ge-
1)
Nieuw
Theol. T.
1918, blz. 318. 2) Vgl. hier
hugo gressmann,
Der
Messias
Gött. 1929, S. 378.
159
leerde het bestaan van den Oudvader zal willen
verdedigen. Zoo niet, dan is zijne redeneering hiermede tot
het ongerijmde herleid. Wij mogen immers niet met twee maten
meten en concludeeren: Zoo een Christen zegt, dat de Messias
Jezus is, moet Jezus een historisch persoon zijn
geweest; maar als een Israëliet zegt, dat de Messias
Henoch is, behoeft Henoch op grond daarvan nog niet bestaan
te hebben. Of die schrijver van Henoch 71 in zijn held een
historisch persoon zag of niet, doet hierbij niets ter zake;
Henoch wordt voor ons modern kritisch inzicht er niet
geschiedkundiger op, als de apokalyptische schrijver
in hem een historisch persoon heeft gezien. In geen geval
kan men zonder meer zeggen, dat iemand, wien men in de
oudheid de Messias-waardigheid toekende, om die reden
geleefd moet hebben in onzen historischen zin van het woord.
En dat alléén is het punt in kwestie tusschen Collega
WlNdisch
en mij. Dat het in dezen eenig verschil zou maken, dat Jezus
„Messias“ en Henoch „Menschenzoon“ heet en dat van den
laatstgenoemde nooit gezegd had kunnen worden: hij is de
Messias! wordt door WlNDISCH wel beweerd, maar niet
nader toegelicht. Het Messiaansche en eschatologische
behoort m. i. tot de verjoodsching van het Evangelie. Geeft
160
het ook niet te denken, dat geen schrijver in het Nieuwe
Testament ooit zegt, dat hij zelf of zijn vader of een ander
uit zijne omgeving Jezus goed heeft gekend? In verband
met WINDISCH' bladzijden over het probleem der
historiseering 1) kan nog gezegd worden: de
historische Jezus die een paar jaren na zijn verscheiden
voor Paulus een goddelijk wezen wordt, stelt ons voor een
grooter raadsel dan het goddelijk wezen, dat
krachtens zijne komst als mensch onder de menschen als
vanzelf tot vastlegging in tijd en ruimte uitlokte. Elders
2) heb ik eenige factoren aangewezen, die tot
de ons bekende dateering van het aardsche leven van den
Godmensch hebben geleid. De geschiedenis moest zich vóór 70
hebben afgespeeld, het jaar van Jeruzalem's val. De
verwoesting der heilige stad zal volgens de kerkvaders
de straf zijn voor de zonde, dat zij den Christus heeft
verworpen. Met den Christelijken godsdienst begon eene
nieuwe aera; gelijk met Augustus volgens het bekende
opschrift van Priene (9 v. Chr.) een nieuwe tijdrekening is
ingeleid, zoo met Jezus eveneens. Julius Africanus heeft de
zeventig
1)
Christusprobleem 2, blz. 40 w. 2)
Inleiding tot de Oud-Christelijke Letterkunde, Amst.
1927, blz. 181 v.
161
jaarweken, waarover Daniël spreekt, van Ezra's terugkeer af
gerekend en kwam zoo op het jaar 32 als het sterfjaar van
Jezus. Tertullianus 1) betoogt, dat Jezus volgens
Daniël 621/2 jaarweken na Darius'
aanvaarding van de regeering geboren moet zijn, terwijl de
70 jaarweken dan met Jeruzalem's val vol waren.
Als nederige pendant van den HeilandCaesar moest Jezus
opgetreden zijn in de dagen van het in macht groeiende
Keizerrijk. Zijn naam zelf kan uit I H (als afkorting van
Jahwe) en het werkwoord sozein ontstaan zijn; daarop
wijst Mt. l : 21: „Gij zult zijnen naam Jèsous noemen, want
sosei zijn volk van hunne zonden.“ 2) De
Kyrios, de Heer, die in de Septuaginta, de Grieksche
vertaling van het Oude Testament, de naam is van Jahwe,
heeft zich voor de Gnostiek, waarin het Christendom wortelt,
verdubbeld tot den GodSchepper en den Kyrios-Heiland Jezus.
Deze voorstelling berust op eene nieuwe uitlegging
van het oude Woord Gods.
Prof. J. de zwaan
3) vond, dat de inhoud
1)
Adv. Judaeos 8; door Hieronymus, Comm. op Daniël 9 : 25
overgenomen.
2)
De beginletters van Jèsous zijn in het Grieksch
I H en de ou werd destijds als oo uitgesproken.
3)
in Algemeen Weekblad voor Christendom
en Cultuur,
Mei 1925.
162
van Jezus' prediking, gelijk die in het Nieuwe Testament
wordt verteld, onmogelijk door Joodsch-Grieksche
philosofen in Alexandrië verdicht kan zijn. Natuurlijk zegt
de Hoogleeraar zoo iets niet zonder nader bewijs, want
wij weten allen, dat de verdichting anders soms
zeer ver kan gaan; om eens iets te noemen: zij kan
beweren, dat een Joodsche rabbi, onder Pilatus gekruisigd
en door zijne aanhangers als de Messias beschouwd, in
de onderwereld tot de geesten heeft gepredikt en vervolgens
lichamelijk is opgestaan en ten hemel gevaren. Het
is dus goed gezien van Prof. DE
zwaan, dat
hij de onmogelijkheid van eene verdichte Jezusprediking
streng en onweerlegbaar wil bewijzen. ,,Waarom
zouden die JoodschGrieksche philosofen in Alexandrië er
dan bij hebben gefantaseerd de geheel onphilosofische
voorstelling van Jezus' latere wederkomst op aarde, en van
het laatste oordeel, dat dan plaats hebben zou?“ Geheel
onmogelijk noemt de
zwaan het, dat ooit door philosofen zou zijn bedacht,
hoe er bij dat laatste oordeel „opstanding des vleesches“
zou zijn, terwijl toch in aller wijsgeeren oogen, „het
vleesch“ slechts de kerker is der ziel.
Het argument van Prof. DE ZWAAN
wordt echter door de geschiedenis zelve weerlegd.
163
De Christelijke Gnostieken, die van het Joodsche
leerstuk van de opstanding des vleesches even weinig
als de philosofen gediend waren, hebben het te Rome moeten
afleggen tegenover degenen, die de Katholieke kerk
voorbereidden en daartoe zich nauwer aansloten bij het Oude
Testament. Er is echter Christendom geweest zonder
dezen Joodschen inslag. Het Christendom met
dezen Joodschen inslag stamt allicht niet van philosofen.
Zegt de Joodsche Messiasverbeider: Christus moet nog komen
ten oordeel, de Gnostische gedachtenwereld weet van een
Christus, die gekomen is uit den hemel om menschenzielen te
verlossen uit de macht van het kwaad. De Kerk
vermenschelijkt dien verschenen goddelijken Christus en
werkt, gelijk wij zagen, daarmede de historiseering van de
gelijkenis in de hand, maar laat hem bovendien in de
toekomst nog eens komen ten oordeel, daarmede eene niet
alleen maar Joodsche, doch blijkens zoovele
adventistische verschijnselen ook nog onder ons, eene
algemeen menschelijke behoefte vervullende.
Het is dus een misverstand van den Hoogleeraar
de zwaan
geweest, toen hij meende, dat volgens zijne
wetenschappelijke tegenstanders Grieksche philosofen den ten
oordeel komenden en lichamelijke opstanding bewer-
164
kenden Christus zullen hebben verdicht. Z. i. heeft de
mythologische Evangeliebeschouwing I een verderflijken
invloed op de kerkgang van j den Amsterdamschen arbeider.
Het argument lijkt mij in een wetenschappelijk betoog over
het ontstaan van het Christendom minder op zijne plaats,
maar dient, nu de Hoogleeraar er gebruik van meent te mogen
maken, zeker wel even te worden gewogen. De Amsterdamsche
arbeider, meent Prof. DE
zwaan, denkt
er het zijne van, als Jezus' bestaan wordt ontkend:
„enjeziethemnietmeer in de kerk.“ Het komt mij voor, dat die
arbeider allang door de kerkelijke orthodoxie en zeker door
hare ethische en liberale verwatering de kerk uitgedreven
was.
„Wie zou het in zijn hoofd halen,“ vraagt DE
zwaan dan nog,
„zich zulk een mysteriegod uit te denken, die een Jood zou
zijn geweest en dan nog wel een gekruisigde Jood
!“
de zwaan zou
het zeker nooit gedaan hebben, zelfs al ware hij philosoof
geweest. Maar wordt de lijdende knecht des Heeren in den
Tweeden Jesaja dan misschien niet als een Jood gedacht en
heeft hij niet veel van een mysteriegod meteen?
Voor de Roomsch-Katholieke en de orthodoxe Protestantsche
kerken is eene positieve beantwoording van de vraag: Heeft
Jezus ge-
165
leefd? eene levenskwestie. Maar zoodra het vrijzinnig
Protestantisme zich, gelijk hier te lande is geschied, van
sentimenteele heldenvereering emancipeert, wordt het vroom
juist door de geschiedenis tot haar recht te laten komen en
waarheid boven bepaalde godsdienstige voorstellingen te
laten gelden. De waarheid van den godsdienst is de
godsdienst van de waarheid, religie, die alle kritiek op het
overgeleverde en allen twijfel laat gelden, zelfbewust,
omdat zij zich tot wijsheid verheven heeft. Wanneer DREWS1)
zegt: ,,er is geen andere Christus dan die waarvan de
geschiedenis gewaagt“, dan geeft deze geweldige
anti-clericaal daarmede m. i. toch te veel toe naar de zijde
der clericalen, aan wie hij het monopolie van den
Christennaam prijsgeeft. De geschiedenis gewaagt ook van den
Christus der Doceten, der Gnostieken, van den
voorchristelijken Christus, over wien
drews zelf zoo
gaarne spreekt; de geschiedenis gewaagt ook van den Christus
van Hegel. De idee van de eenheid in wezen van God en mensch
is onafhankelijk van eene bepaalde conceptie. Wie deze idee
eenmaal heeft begrepen, beseft meteen de noodzakelijkheid
van haar positief, d. w. z. inadaequaat, ge-
1)
Leugnung, S. 218.
166
brekkig verschijnen in de geschiedenis, maar vindt in die
onvolkomen openbaringswij zen niettemin telkens de idee
terug. Spreekt drews
van eene bovenchristelijke religie, zoo kan ik
daartegen geen bezwaar hebben, al zou ik deze door hem
bedoelde religie eerst waarlijk „Christelijk“ willen noemen:
de gerijpte vrucht van eene eeuwenlange worsteling der
geesten om de idee los te maken uit hare windselen. De
volslagen breuk met het geschiedkundig geloof geeft ten
slotte de kern van het Christendom. Het is niet in strijd
met het Christendom, het is veeleer eisch van het
Christendom zelf, dat het zichzelf telkens herzie,
verouderde vormen verbreke en, in plaats van bijgeloovig te
blijven hechten aan zijn begin, doordringe tot zijn
beginsel, dat, indien God de Waarheid is, geen ander
kan zijn dan dat der Wijsheid.
De kerkelijk geloovige van heden moge medejuichen met de
moderne theologen, wanneer dezen tegenwoordig door
Talmudkenners, door
eisler en door
nielsen weer eens een hart onder den riem gestoken
wordt;
hij dwaalt, want wat hij wil is juist niet den Jezus,
die alleen maar geleefd hééft. Het is hem te doen om den
Jezus, die lééft, den menschgeworden God. Elders heb ik
getracht, het leerstuk van dien Jezus in verband met
167
het Godsbegrip populair toe te lichten
1).
De idealistische wijsbegeerte vervalscht niet, gelijk hare
onkundige bestrijders gelooven, de geschiedenis van den
oorsprong van het Christendom, maar bevrijdt den mensch wél
van het vooroordeel, dat het begin reeds het ware moet
geweest zijn; een vooroordeel, dat men zoowel rechts als
links nog altijd kan aantreffen. Zij verstaat de ideeën, die
de ziel waren van het historisch gebeuren. Met de radicale
theologie is zij vrucht van het Christendom zelf: de geheele
moderne wetenschap kon slechts in Christelijke landen
opkomen en tot bloei geraken; haar hoogtepunt, de
historische en wijsgeerige waardeering van de oudheid, is
zonder het Evangelie niet te denken.
Zoo is dan onze houding niet die van den geloovige in
Middeleeuwschen of in Aufklarungstrant, maar het is de
houding van den wetende, die de innerlijke waarheid van het
geloofde te dieper beseft, naar gelang hij van het
uiterlijke gelooven losser is geworden.
1)
Christologie en Triniteit, 2de dr. Assen, 1927.
168
|