
JEZUS CHRISTUS ALS LOGOS
G.A.
van den Bergh van Eysinga
Godsdienstwetenschappelijke
Studiën X, 1951, 32-45.
De
combinatie van den titel kan niemand bevreemden, die den proloog van het
vierde evangelie kent. Nu dragen echter de eerste drie kanonieke
evangeliën een ander karakter: de held verschijnt er in ander licht:
menschelijker, meer geworteld in een bepaalde periode van de
geschiedenis en een bepaald milieu. Men begrijpt, hoe velen dezen
prediker van het Godsrijk, dezen profetischen leeraar, na aftrek van de
bovennatuurlijke omlijsting van zijn leven: van wonderbare geboorte,
opstanding en hemel vaart, zijn gaan houden voor een godsdienstig genie
of voor een goddelijken man (theios anèr), zooals er vóór en,
na het begin onzer jaartelling voorkomen.
Toch zullen wij met Calvijn moeten bedenken, dat het
vierde evangelie de sleutel is op de voorafgaande drie. Alle evangeliën
teekenen ons een hemeling, wiens mensch– of vleeschwording in den
godmensch Jezus wordt beschreven. Johannes legt dan den nadruk op god:
men kan echter ook den klemtoon op mensch leggen en krijgt dan
iets in den trant van menige passage bij de Synoptici. Bij een
historiseerende evangelieschrijving, waarin de voorkeur werd geschonken
aan het lichamelijke boven het geestelijke, kon dit niet uitblijven. De
schrijver van het vierde evangelie leefde nog in de oude theosofische
sfeer van het oorspronkelijke Christendom; hij was een gematigd
Gnosticus, die als kerkelijk man Gnostieke stof in Katholieken geest
bewerkte. Hij wilde voorkomen, dat het oude Gnostieke evangelietype voor
de wordende Kerk verloren zou gaan. Zijn geschrift vertoont
overeenstemming met Marcion's richting: beiden leggen den nadruk on het
volstrekt nieuwe van Christus' verschijning en boodschap, op diens
bovenwereldlijken aard en godheid; bij beiden wekt Jezus [33] zichzelf
uit de dooden op ,
bij beiden is God Geest en geen rechter, maar behouder, terwijl hun
oordeel over de Joden gelijkelijk ongunstig luidt.
Inderdaad verschilt Johannes veel van de Synoptici, maar
dit maakt het Synoptisch verhaal niet tot geschiedenis .
Beide kunnen symbolische verhalen zijn in verschillenden vorm.
Christus is een aspect van God, gezien als afzonderlijke persoon
op de wijze van de wijsheid in het oude Spreukenboek en in het
boek der Wijsheid van Salomo. In den proloog heet Jezus de
vleeschgeworden Logos .
Geleerden hebben getwist over de vraag, of die proloog als een
tamelijk los voorvoegsel van het evangelie moet worden beschouwd
of dat hij het geheele evangelie beheerscht. Het laatste komt mij
het aannemelijkst voor. Harnack, die het eerste verdedigde, wees
op Joh. 12 : 48, waar Jezus zegt: „Wie mij verwerpt en mijn
woorden niet aanneemt, die heeft zijn rechter: de Logos, dien ik
gesproken heb, die zal hem oordeelen ten uitersten dage.“ Hier
moet volgens Harnack logos wel eenvoudigweg „woord”
beteekenen; de Logas kan toch niet zichzelf spreken. Maar reeds
Reitzenstein
vond het door elkander gebruiken van begrip en persoon voor deze
soort mystiek niets ondenkbaars. In dit evangelie doet de Logos
niets anders dan zichzelf prediken. Christus is die Logos en
spreekt den Logos, en de Logas treedt niet alleen als persoon in
hem op, maar het door hem gesproken woord doet dit eveneens. En
ten onrechte maakt de Synoptische Jezus als prediker op velen den
indruk van een mensch te zijn; hij staat hierin met Hermes gelijk,
den Logos, die de drogen moet uitleggen, allen onderwijzen en aan
de menschen de dingen van God mededeelen . Deze Hermes–Logos, ook
Zoon Gods, kan tot het mysterie van de vereeniging met de
godheid leiden .
De goden hebben Hermes uit den hemel [34] tot ons gezonden en wel
om ons te. behouden (sózein). Als Middelaar en Openbaarder
van het verborgene en kosmisch scheppende macht staat hij tusschen
God en de stof, respectievelijk den mensch in. Hij is beeld Gods,
gelijk de mensch op zijn beurt een beeld van den Logos is . Hierbij treft ons weer de
typisch Hellenistische verpersoonlijking van begrippen: de Logos
wordt met een mythische gestalte, speciaal met Hermes en Osiris,
vereenzelvigd; die mythe krijgt philosofische beteekenis en
omgekeerd de philosofie een mythische, inkleeding .
De heilige geschie geheimleer of openbaring heet de Logos.
Hoe merkwaardig stemt dit overeen met de Christelijke
dubbele beteekenis van Lagos, dat behalve het goddelijke wezen uit
den proloog ook het Evangelie aanduidt. De synoptische Jezus
spreekt al het Woord .
Wat beteekent vervolging ter wille van den Logos? Is die om
Christus of om het Evangelie ? In de gelijkenis van den zaaier ,
waar sprake is van den hemelschen Zadenzaaier, die den Logos zaait
naar Gnostieke opvatting, maar die door redactie werd
getransponeerd in een prediker van het Evangelie, blijken
goddelijke Logos en Evangelie dus eigenlijk éénen–hetzelfde te
zijn.. De ooggetuigen van den Logos in de voorrede van het derde
evangelie zijn zeker in denzelfden trant bedoeld als zij, die in 1
Joh. 1 : 1 w. den vleeschgeworden Logos hebben gezien, maar zijn
tevens bedienaren des Woords, Evangeliepredikers .
De Logos Gods, dien de Joden niet blijvend in zich hebben, omdat
zij in den door God, gezonden Logos niet gelooven ,
is zoowel Jezus als het Evangelie. Wanneer Jezus zelf tot God
zegt: „Uw Logos is de waarheid“
dan
is dit eensluidend met zijn zelfaanduiding: „Ik ben de
waarheid“ .
Het woord des [35] behouds of der genade
zou zoowel Christus als het Evangelie kunnen zijn. Typisch is nog
de combinatie: „de logos van het Evangelie“ ,
die (Genitivus epexegeticus) kan worden opgevat als: de Logos, die
het Evangelie is. Geldt dit misschien ook van den „Logos van het
kruis“ ,
dat niet alleen „den gekruisigden Logos“, maar ook „„den
Logos“, die het Kruis is zou kunnen beteekenen? Het (Licht–)
kruis wordt in de Handelingen van Johannes ook met den Logos
vereenzelvigd, en heet
Jezus Christus en de begrenzing van alle dingen, de harmonie der
wijsheid. Bij de Valentinianen heeft Horos, de Grens, als teeken
het Kruis en deze Horos–Kruis is de Heiland zelf, die de grens
van het Pleroma, het Lichtrijk, bewaakt; bevestiger en drager van
het Pleroma wordt hij genoemd .
Paulus is aan deze verpersoonlijking van het kruis ook elders niet
vreemd (Phil. 3 : 18; Gal. 6 : 14).
De Logos als verklaarder (exegeet) van God (Joh. 1 : 18)
is mystagoog; zijn woord bezit wondermacht: het verwekt het geloof
(4 : 41, 50), het schenkt den zijnen het hoogste heil door hen te
reinigen (15 : 3 ; 13 : 10 ) en uit den dood in het leven over te
zetten ( 5 : 24 ; 8 : 51) . Het woord treedt als rechter op om het
ongeloof te veroordeelen (12 : 47 v.) ; Bousset sprak terecht van een
gepersonifiëerde zelfstandige goddelijke potentie. Het door den
Logos Gods gesproken woord is de Logos zelf.
Merkwaardig, dat in den Dionysosdienst de hymne van de
nieuwe geboorte tot een god wordt, Dithyrambos; de ritus
van de reiniging wordt tot een godin, Hosia .
Bakchos is de geïncarneerde kreet van de Dionysische
broederschap, gelijk de god Paean het geprojecteerde gezang is .
Zegt de Heer van het Evangelie zelf niet, dat de Gemeente de
familie is, waaruit hij is voortgekomen? De vleesgeworden Godszonn
het product van de maagdelijk gedachte Kerk! En is Petrus niet de
personificatie van het Gemeentegeloof, de heros eponymos daarvan
(Mt. 12 : 46 – 50; 16 : 18) ? De grond[36]slag van de Gemeente
is het Geloof, dat zich uitspreekt in de belijdenis, die in Petrus
is gehistoriseerd, terwijl Jezus Christus de gehistoriseerde
goddelijke boodschap is.
In de Mandeesche en Manicheesche godsdiensten is het
roepen de verschijningsvorm van het bovenwereldlijke. Het wordt
zelfs tot een bijzondere godheid verdicht. Bij de Peraten spreekt
de Verlosser: .“Ik ben het roepen, dat uit den slaap in den aeon
van den nacht wekt“ .
Logos
en Waarheid, Logos en Evangelie vinden wij ook geïdentificeerd,
wanneer gezegd wordt, dat God in ons „den Logos der
verzoening“ heeft geplaatst ,
wat zóówel kan beteekenen het Evangelie als den
Christus–in–ons. God heet zijn Logos geopenbaard te hebben in
de prediking van den Apostel (Tit. 1 : 3). Spreekt Hebr. 6:1 over
den aanvangslogos van Christus in tegenstelling met de
Christusgnosis, dan is logos dus gelijk „leer“. Het Woord der
waarheid, waardoor God ons heeft verwekt, de Logos met andere
woorden die naar het vierde evangelie de waarheid is en die ons in
zekeren zin (want Christus is het door zijn opstanding pas in
den vollen zin) eerstelingen maakt van Gods eigen schepselen
(Jac. 1 : 18), is toch wel de Evangelieprediking (vgl. 1 Pe. 1 :22
v.). De Johanneïsche Logos is in de geloovigen (1 Joh. 1 : 10 ; 2
: 14) ; daar hij het leven is (Joh. 14 : 6), moeten zij hem
vasthouden (Phil. 2 : 16 ; vgl. 1 Joh. 1 : 1) . Christus heet in
de Openbaring van Johannes de Logos Gods (19 : 13) ; hij heeft
zijn martelaren, die geslacht zijn ter wille van den Logos Gods en
het bloedgetuigenis, namelijk van den vleeschgeworden Logos Jezus
(6 : 9).
Paulus, die gevangene van Jezus Christus is (Philemon 1 en
9), kan ook zeggen in de boeien van het Evangelie te zitten (13) .
De Logos des Heeren, dat wil zeggen Gods (1 Tim. 1 :8; vgl. 2 Tim.
3 : 1), staat gelijk met hèt Evangelie van Christus. Een
treffende bevestiging biedt Col. 1 : 23 vv.. Paulus heet daar een
dienaar van het. Evangelie [36] te zijn (23), hij moet het woord
Gods vervullen (25), het mysterie, dat is Christus in u (27). Dat
Christus het mysterie is, gelijk óók het Evangelie, blijkt bij
vergelijking van Ef. 3 : 4 en 19 en wijst op de identiteit van
Christus met Evangelie. De vermaning, vast te houden aan het Woord
des Levens ( Phil. 2 : 16) kan zoowel beteekenen vast te houden
aan den Logos, die het eeuwige leven brengt, als aan het
Evangelie. Terwijl Paulus van het „Evangelie Gods“ of
eenvoudigweg van het „Evangelie“ spreekt, lezen wij R. 1 : 9
God, wien ik geestelijk dien door het Evangelie Zijns Zoons; dit
kan een toelichtende Genitivus zijn en beteekenen: het Evangelie,
dat Zijn Zoon is. Het Evangelie heet immers een kracht Gods (R. 1
: 16; 1 C. 1 : 18); maar ook Christus heet kracht Gods (1 C. 1:
23). Men mag niet met LIETZMANN (Komm.3, S. 10) dit
opvatten als „drager van de kracht en wijsheid Gods; Christus is
veeleer een hypostase en Orig. de princ. I 2 beroept zich dan ook
op dezen tekst, als hij zegt, dat de eengeboren Zoon Gods de
Dynamis en. Sophia Gods wordt genoemd en gebruikt in dit verband
den term hypostase.
Alle
door mij aangehaalde plaatsen tonnen wel, dat de Logos als
hemelwezen, als god èn de Logos als Evangelie in wezen één
zijn. Een parallel verschijnsel als de Wijsheid, die in de
Wijsheidsliteratuur wordt verpersoonlijkt en reeds in Spreuken 8
bij de wereldschepping werkzaam gedacht. Zij treedt als
rondtrekkend prediker op (Spr. 1 : 1 – 9 : 18), en bij Jezus
Sirach (c. 24) behooren wereldschepping en verlossing der menschen
tot haar taak. Evenals de Logos der Stoa verschijnt de Wijsheid
als een geest; mystieke vereeniging met haar is het hoogste doel
van alle aardsche streven (Sap. Sal. 8 : 19).
Bij Philo loopen Logos en Wijsheid dooreen. Hij noemt de Wijsheid Gods
Logos
,
maar den Logos ook wel de bron van de Wijsheid en de Wijsheid de
bron van den Logos
.
De aartsvaders en Mozes zijn incarnaties van den Logos geweest
.
Hij komt als eerste na God en heet, gelijk Christus in den brief
aan de Hebreën hoogepriester
,
die zonde[38]loos is en God tot vader, de Wijsheid tot moeder
heeft. Hij is eikôn, beeld van den Zijnde.
Een bekend Hellenistisch begrip !
Hij heet verder Gods eerstgeborene, de Aartsengel met vele namen ,
Schepper .
Hij
staat op de grens tusschen God en Schepping als voorspreker van
den altijd hulpbehoevenden sterveling bij den Onvergankelijke;
andererzijds is hij de afgezant van den Heerscher bij den
onderdaan. Niet omgeschapen als God is hij, niet geschapen als de
mensch, maar tusschen die twee in; hij dient den Schepper tot
onderpand, dat het schepsel nooit geheel afvallig zal worden, en
hij boezemt het schepsel het blijde vertrouwen in, dat de genadige
God nooit Zijn eigen werk zal vergeten . Dezen goddelijken Logos
heeft de mensch als leidsman op zijn weg noodig, zoolang hij nog
niet tot geestelijke rijpheid is gekomen .
Als de scheidende (tomeus) Logos speelt hij dezelfde rol
als de scheidende of begrenzende Heros van de Gnostiek. Bréhier vermoedt,
dat Philo's Logos ook een soort verpersoonlijkt mysteriewoord is.
De
Logos, die in Stoicijnschen zin de wereld, bestuurt, is dezelfde
als het goddelijk openbaringswoord.
Hij is de god voor de onvolmaakten; dit woord moet
men te boven komen om God direct te aanschouwen.
Ongeveer het jaar 100 n. C. leeft Elisja ben Abuja gewoonlijk Achêr
geheeten, die als belichaming gold van de Joodsch–kettersche
Gnostiek, een man van Grieksche be–schaving. Hij is, blijkbaar
in een visioen, het Paradijs binnengegaan en heeft tot zijn
ontsteltenis een tweede god–heid in den hemel gezien, Metatron,
die elders de vinger Gods of de stem Gods wordt genoemd. Een,
tweede, van den hoogsten God onderscheiden goddelijk wezen dus,
dat de wereld schept en het volk Israël leidt. De naam wordt wel
verstaan als Metator = begrenzer, zoodat wij hier de goddelijke
dynamis Horos terugvinden, dien [39]
men volgens Irenaeus (I 2, 2 en 4; 1112,7) ook Sôtèr noemt.
In
de Zwitsersche Prot. Monatshefte, van 1909 (S. 143 –150)
en sedert dien uitvoeriger in het Nieuw Theol. T. (1934,
blz. 105—123) heb ik aangetoond, dat de proloog van het vierde
evangelie drie étappes van Logosopenharing schetst. De eerste is
de zeer ruim gedachte, maar geheel vruchtelooze, als Stoische
wereldziel, die niemand tot verlichting en Godskennis heeft kunnen
leiden; daarop volgde een meer beperkte, bijzondere, als Oude
Bedeeling, die karige vrucht afwierp, terwijl eerst met de
„einmalige“ Godsopenbaring het ware komt: in dezen éénen
mensch is de volheid van den Logos gegeven, tegelijk heeft deze
open baringswijze echter beteekenis voor allen: zij is universeel.
Voor de juistheid van mijn exegese getuigt Hippolytus.
De Logos, door God met de wereldschepping belast, gaat van God
zelf uit; hij is niet zooals alle andere wezens, uit het niet te
voorschijn gebracht, hij is uit Gods wezen voortgekomen, diens
eengeboren Zoon en, daarom god, ofschoon niet de god, die uit
zichzelf God is .
Na voltooiïng van het scheppingswerk gaat die Logos de zondige
menschheid redden. Hij verschijnt aan de Aartsvaders, kiest zich
een volk uit, waaraan hij door Mozes een heilzame–wet geeft; hij
inspireert vele profeten. Ten slotte besluit God tot een nòg
krachtiger middel om de menschen te verlichten en te redden. Hij
beveelt den Lesgas, zichzelf in persoon aan, de menschen te
vertoonen, rechtstreeks tot hen te spreken zonder tusschen persoon
en een menschenleven te leiden, dat voor alle tijden ten voorbeeld
kan dienen.
Scheppende
kracht Gods èn drager van de openbaring, dat zijn in den proloog
juist de functies, die de Logas in de theosofische literatuur van
die dagen bezit, Ook in Philo's gedachtenwereld. Bij dezen
Alexandrijnschen Jood is de Logos de stroom van Gods uitstraling,
Gods, Rede en, de projectie van die Rede, als natuurwet, maar ook
in mystieken zin, als de hoogste werkelijkheid, die de ingewijde
[40] ontvangt .
Als plaatsvervanger van dien grooten Koning is de Logos herder
over de heilige kudde .
Priester–Profeet–Koning zijn zijn ambten ,
ook Parakleet = voorspreker, zoowel om de zonden te vergeven als
ook om onuitputtelijk geluk te verzekéren. Hij heeft geen begin
en einde in den tijd .
Philo
vereenzelvigt vaak den Mensch Gods met den Logos . Die Mensch Gods is een
oud Indoiraansch denkbeeld. Aan het begin van de wereldschepping
wordt de „Urmensch“ of hemelsche Mensch geofferd. In Grieksche
bewerking van die mythe heet deze eerste mensch de eerstgeborene
van den hoogsten God, de tweede God; die in de stof nederdaalt en
aldus den stoot geeft tot de wereldschepping. Het is de goddelijke
Idee, die door haar versplintering en gebrokenheid in de wereld
werkzaam wordt en uit haar omhoog streeft, de wereldscheppende
macht, de Demioerg. Zóó in het Hermetische geschrift Poimandres .
Bij de Nahassenen volgde op de Eeuwigheid, die als Vader
en Moeder tegelijk werd gedacht, de Mensch .
Zij vereerden een Mensch en een Zoon des Menschen. En ook Philo
leert: „wij zijn allen zonen van één Mensch“ .
Aller Vader is de Eerste Mensch en de Zoon des Menschen is de
tweede Mensch ,
leert de Gnostiek. Dit denkbeeld vinden wij terug in de Joodsche
Apocalyptiek, met name in den Aethiopischen Henoch (46 : 1 v.v.).
Bij den, Oude van dagen of het bedaagde Hoofd is daar nog een
ander wezen, de Zoon des Menschen, die de gerechtigheid heeft en
alle schatten van het verborgene openbaart; een bovenaard–sche
Mensch, van wien later zal blijken, dat hij de Zoon van den Heer
der geesten is en de Rechter in den aanstaan– den eindtijd zal
zijn (Hen. 46 : 4—8). Deze praeëxistente Menschenzoon werkt nu
reeds als bemiddelaar van het heil (49 : 1 vv.). In hoofdstuk 70
en 71 zal Henoch zelf de Zoon [41] des Menschen zijn. Komt hij den
hoogsten hemel binnen, dan treedt „de oude van dagen“ zelf hem
tegemoet. In de sfeer der engelen had Henoch bij zijn doortocht
een nieuw lichaam gekregen; dit smelt nu weg; zijn geest wordt
veranderd: hij krijgt namelijk den geest der Kracht en wordt door
God tot Zoon des Menschen geïnstalleerd, wat gelijkluidend is met
Godszoon (105 : 2). Rudolf
Otto
heeft aan deze gegevens een completen roman vastgeknoopt. zus zou
geleefd hebben in de ideeënwereld der Henochische, apocalyptische
traditie en zichzelf gehouden hebben voor den tot Zoon des
Menschen bestemde, die op aarde reeds als functionaris van den
Zoon des Menchen erkte.
Mijn hoofdbezwaar tegen Otto`s
constructie is, dat onze evangeliën nog gansch andere
Christusbeelden vertoonen dan dat van het eerste Henochboek.
Ook dat van het derde is er in te vinden, waar de kleine
Jahwe als een soort ondergod voorkomt, de Metatron, Gods
plaatsbekleeder, mystiek aangeduid met den naam;“Ik zal zijn“
(Exod. 3 : 4 v.v.: èhjèh) .
Den titel „Heer“ heeft Jezus gemeen met den OT–ischen
God–Schepper. Hij is de epifanie van Jahwe, die echter tot den
duur van een, weliswaar kort, menschenleven is gerekt; hij is
alwetend ,
boven de engelen verheven ,
waarachtig gelijk God .
In mijn Matthaeuscommentaar heb ik dit alles voldoende toegelicht.
Niet alleen biij Johannes ,
maar ook in de Synoptische evangeliën verschijnt Jezus als
mysterie. Ook spreekt hij er als die Wijsheid Gods, die in het,
latere Jodendom als Godsdeelgenoote bij schepping en openbaring
voorkomt. De Hagia Sophia te Constantinopel is aan den Christus
als Logos gewijd.
Nu is het al te eenvoudig om met Otto te zeggen: Jezus heeft de Wijsheidsliteratuur gekend en
de Logoschristolo is geworteld in Jezus' eigen zendingsbewustzijn;
hij [42]spreekt zelf als Sophia, als de Heiland, met oude
Wijsheidswoorden (Mt. 11 : 28 ; vgl. Jezus Sirach 51 : 31 vv.).
Zoo iets, zegt Otto, vindt men bij de oude profeten nooit. Hoe weinig
overtuigend zijn opvatting moge zijn, als zou een historische
mensch Jezus dit woord hebben gesproken, Otto
heeft toch het juiste besef gehad, dat hier oorspronkelijk
Christendom aan het woord is en geen latere ontaarding, zooals
Harnack en de Leben–Jesu–Forschung in het algemeen over
dezen Johanneisch klinkenden en bij hun naar de Synoptici
gemodielleerden Jezus niet te best passenden tekst dachten. TOMAS
ARVEDSON heeft het liturgisch karakter van deze woorden
aangetoonde; zij hebben behoord bij een mysterie van Christus'
troonsbestijging, beginnende met een dankhymne en eindigende met
een: uitnoodiging tot deelneming aan het mysterie, dat van de
macht van den Wereldoverste verlost, het eeuwige leven doet
verwerven en tot Godstoon maakt.
Inderdaad heeft de Messias van Henoch trekken aan de
Wijsheidsliteratuur ontleend. Hoe gemakkelijk moest het ook een
Christelijken Gnosticus vallen, den Logos–Christus te
vereenzelvigen met Henoch's Menschenzoon, die ook een goddelijk
wezen is, terwijl de Logos eveneens bestaat vóór de
Wereldschepping. Een Gnosticus zou van den Logos–Sophia echter
niet licht een Davidszoon hebben gemaakt !
Sedert de Logos bij Philo, als Hogepriester en als Messias beiden,
Christos heet, moesten deze twee vroeg of laat wel vereenzelvigd
worden.
In het vierde evangelie wordt Sophia, waarschijnlijk met
opzet niet genoemd, omdat deze in de Gnostiek al als een gevallen
grootheid voorkwam; in haar plaats treedt overal Waarheid .
A1 wordt de Logos vleesch, hij blijft niettemin god .
Tegenover hen, tot wie de Logos Gods in het O.T is gekomen, —de
tweede faze van den proloog, zooals ik dien heb herkend, —stelt
de evangelist den Logos Gods, [43] die in Jezus is geïncarneerd:
een directe zelfopenbaring Gods: „Wie mij heeft gezien“ heeft
den Vader gezien“
In zijn Logoskarakter ligt de waarborg voor de waarheid van
zijn getuigenis: hij weet immers vanwaar hij is gekomen en waar
hij heen gaat . Wat hij van den Vader
gehoord heeft in zijn bovenwereld–lijk bestaan, dat spreekt hij
de wereld in . Dat dit evangelie zoo
grooten nadruk op Jezus' spreken legt, houdt ook verband met de
Logosidee, die ten grondslag ligt ;
men hoort uit zijn woorden telkens de hoogere stem van de
Godsopenbaring. Hij is niet maar een tusschenwezen, doch op een
mensch gelijkende god, tweede persoon in de godheid; iets als de
Indische Avatára–voorstelling: God stelt zijn wezen lichamelijk
en vermenschelijkt in Jezus voor oogen. Hij is dan ook monogenès
= eengeborene,
dat wil zeggen door den Vader alleen verwekt en zonder aardsche
moeder. Er zal een tijd komen, dat het dogma van de menschwording
ook een moeder noodig maakt, maar noch Johannes, noch
Marcus, noch Marcion's evangelie hebben daarvan geweten of
willen weten..
Intusschen wijs ik er nog eens ten overvloede op, dat de
Synoptische Jezus in wezen niet anders is dan de Johanneïsche. De
voorwereldlijke Christus legt bij Matthaeus profetisch getuigenis
af omtrent Jezus' kennis van alle goddelijke geheimen .
Dezelfde evangelist verwijst herhaaldelijk naar Jezus'
heerlijkheid, welke die van de engelen te boven gaat en
vooronderstelt diens hemelsch voorbestaan .
Justinus heeft de kracht, die bij de goddelijke bevruchting van
Maria over haar komt met den Logos vereenzelvigd; deze wondt dan
tegelijk in haar verwekt. Met andere woorden is de Logos bij de
incarnatie zijn eigen verwekker
of [44] uit de taal van de mythe overgezet in die van het
historische denken: de Logos als evangelie is de schepper van den
Logos als geschiedkundige figuur. In een tijd, toen de daden en
het lijden van Hercules reeds waren gedramatiseerd, behoefde de
verschijning op aarde van een god in menschelijke gedaante geen
bevreemding te wekken. Omstrëeks 150 na C. aanvaardt men op gezag
van het Evangelie de historiciteit van een Jezus, die meer dan
een, eeuw vroeger heeft geleefd,—evengoed als de historiciteit
van een Hercules of een Orpheus aangaande Jezus vergelijken. Zoo
kan Justinus de verhalen met die over Romeinsche en Grieksche
goden; of die goden bestáán hadden maakte geen punt van kwestie
uit.
Had vóór Christus het boek Henoch reeds het denkbeeld
van een goddelijken eeuwigen Zoon des Menschen in dien hemel, die
met den quasi–historischen oudvader Henoch werd verbonden;
leerde Philo, dat de Christos Logos de eerngeboren Zoon Gods, de
Parakleet, het beeld Gods en de hemelsche Mensch was, —dan zijn
daarmede voldoende factoren gegeven, die Jezus (= den god, die
behoudt; in tegenstelling tot Jahwe, den god, die richt) tot den
Logos, den Zoon des Menschen maken.
In de voorchristelijke Gnostiek zien wij, hoe gemakkelijk
aspecten van God gepersonifiëerd worden, hemelsche aeonen op
aarde nederdalen: een poging om de kloof tusschen God en mensch te
overbruggen; in dat verband van gedachten behoort de Logos der
Stoicijnen en die van Philo thuis. De geschiedenis van Jezus is
van den aanvang af leer, Christologie, Logologie. Dat men hem als
historisch persoon in het verleden heelt geplaatst, geschiedde
niet omdat iemand hem had gekend,—
het was dogma .
Onder strenge monotheïsten als de Joden waren, had geen mensch
kans, vergoddelijkt te worden. Een krachtig optreden als dat van
Ignatius tegen de Doceten bewijst, dat de Kerk aan een
goddelijken, Christus geloofde, die reëel mensch geworden was.
Ten opzichte van historische personen als Herodes of Augustus zijn
vr nooit doceten geweest!
[45] Nog bij Paulus blijkt het verhaal van Jezus Christus
geen geschiedenis maar iets beters : symbool, mystiek, verhaal,
geestelijke allegorie van God in de zielen der oudste Christenen,
waarbij vergeleken de historiseering een val, ofschoon een
noodzakelijke gepraedestineerde val moet heeten. Dieper is de val
van den modernen geleende, die den zin van de mythe kwijt is en
zweert bij een rabbi of profeet, die bijna twintig eeuwen geleden
moei hebben geleefd. De eenheid van de goddelijke en: de
menschelijke natuur, de wërkèlijkheid des Geestes, wordt aan
Jezus Christus symbolisch voorgesteld. Ignatius (R. 8 :2) noemt
hem den mond zonder bedrog, waarmede de Vader waarachtig heeft
gesproken, en ook de kennisse Gods (Ef. 17 :2) en „het gevoelen
Gods“ (Ef. 3 :2). De Logos, die uit het Zwijgen voortkomt, is
blijkbaar een aeon ( Magn. 8 : 2 ).
Bolland
houdt
gelijk met zijn opvatting, dat de gestalte van Jezus verdichting
is van Alexandrijnsche allegorese, historiseering van Joodsche
Gnosis .
In het evangelie dringt de diepere zin minder tot ons door, juist
omdat deze voor de menigte tot een verhaal, een vertonning is
veruitwendigd. Ook dit heeft haar redelijkheid, want als de Logos
vleesch wordt, moet dit maar niet bij wijze van spreken
geschieden, doch reëel. Als dogma kunnen wij dit waardeeren,
zonder daarvoor onzen historischen blik te laten vertroebelen.
Toch beseffen wij met Origenes, dat in het Evangelie dit
vleeschelijke op menige plaats aan het docetische grenst. Origenes
begreep, dat de goddelijke Logos zich niet op gelijke wijze
openbaart aan de groote menigte en aan hen, die in staat zijn hem
te volgen op den hoogen berg (Mt. 17:1). Zijn lichaam was
verschillend naar gelang van het bevattingsvermogen van hen, die
hei zagen (c. Celsum VI 76 v.). Het was er immers om te doen, dat
allen het zagen.
Conf. 97, 147; Spec. leg. I 81. Vgl. 2 C. 4 : 4; Col. I : 15; Hebr. 1 : 3.
Op het opschrift van Rosette (Dittenberger, Or. Gr. inscr.
sel. 90, regel 3) staat „levend beeld van Zeus“
Spec leg I 81 Sacr. 8; Cherub.
127.
Les ideés philosophiques et religieuses de Philon d'Alexandrie. Paris 1908,
p. 101 suiv..
Corpus Herm. VIII 2:
„de Vader is de oorzaak van zijn eigen bestaan“. Het
Hermetische Logosbegrip is van Philo afhankelijk. Vgl. Jos.
Kroll, „Die Lehren des Hermes Trismegistos“. Münster
in W., 1914, S. 60.
“Reich Gottes und Menschensohn“. 2. Aufl. München 1940.
"Verklaring van het evangelie naar Matthaeus, tevens bijdrage tot de kennis
van ontstaan en karakter der Evangeliegeschiedenis“. Arnhem
1947. Zie de slotsom, blz.
Vgl. G. P. Wetter, „Die Verherrlichung im Johannesevangelium Beiträge
zur Religionswissenschaft“, 2. Jahrg. I.
Joh. 3:11—13;
8 : 38; 6 : 46; 1 : 18; 7 : 14–17; 3 :31 vv.; 10 : 34–36.
Mt. 13 :
41; 16 : 27; 24 : 31, 36; 28 : 18.
In het Protev. Jac. (11 : 2) luidt de boodschap aan Maria:
„Gij zult ontvangen uit Gods Logos“. Ook bij Tertullianus
wordt het goddelijk Woord (,,sermo'') in de Maagd gezonden
(adv. Praxeam 2) ; elders (27) heet zij ontvangen te hebben
uit den Heiligen Geest. Met deze beide termen: Geest Gods en
Woord Gods duidt Tertullianus ook Jezus Christus aan (de Orat.
1; Apolog. 21). De Gnosticus Marcus (Hippol. VI 45) zegt
eveneens van den Logos, dat hij zichzelf heeft verwekt.
„De evangelische
Jozua“, Leiden 1907, blz. 20.
|