Nietzsche' s Godsdienst
G.A. van
den Bergh van Eysinga - GWS IV, 3-28, 1948
......wäre
es auch nur, dass er .... Hass gegen sie
(d.h. die Religion) hatte, ....auch in diesem Falle
ist er doch innerlich mit ihr beschaftigt und
verwickelt."
Hegel.
„Religionsphilosophie." 2 WW
XI,
S.7.
De titel van mijn
opstel schijnt wel zeer uiteenliggende onderwerpen te willen
vereenigen. De naam Nietzsche wekt gewoonlijk heel andere
voorstellingen en gedachten op dan het woord godsdienst. Zij
loopen zoo hemelsbreed uiteen, dat beider vermelding in één
adem een onvruchtbaar bedrijf moet schijnen. Laat ons echter
niet vergeten, dat al wat door de breedte des hemels van
elkander gescheiden is, toch tegelijk door diezelfde breedte
des hemels met elkaar verbonden mag heeten. En mogen dan al
de aardsche, de voor de hand en voor oogen liggende, de
zicht- en tastbare openbaringen van Nietzschegeest en
godsdienst in onverzoenlijken strijd met elkander blijken te
verkeeren, de mogelijkheid blijft open, dat er een
hemelsche, ik bedoel een ideëele, samenhang en
overeenstemming tusschen deze beide uitingen van het
geestelijk leven der menschheid te ontdekken valt.
Als bestrijder van den
godsdienst in het algemeen en van het Christendom in het
bijzonder kent men Nietzsche wel het meest, als den
radicalen atheïst, immoralist, nihilist, die het ontstaan
van den godsdienst verklaarde uit een epidemisch geworden
moeheid, er een decadentieverschijnsel in zag. Nog nooit
heeft zijns inziens eenige godsdienst, noch als leer, noch
als gelijkenis ook maar de geringste waarheid bevat.1
Daarom wil hij het Godsgeloof
1
Ik citeer naar de uitgave bij Naumann in Leipzig van
1903—1912 verschenen; alleen voor Band
VIII
gebruik ik de
Klassiker-Ausgabe van Alfred Kröner in Leipzig. Vgl. voor
het bovenstaande XI
316;
VII
431, 444; II
118.
3
met wortel en tak in de
harten der menschen uitroeien. Het Christendom is tot
dusverre het grootste ongeluk der menschheid en een genie
als Pascal werd er door bedorven ;1 het
geloof aan den gekruisigden God heeft alle vrijheid,
fierheid en zelfverzekerdheid van den geest als offer
geëischt en tot verslaving, zelfbespotting en zelfverminking
geleid. Zooals een kind zijn melktanden verliezen moet
voordat het blijvende gebit kan komen, zoo moet de mensch
het geloof aan God, vrijheid en onsterfelijkheid verliezen
om geestelijk volwassen te worden. Niets acht Nietzsche
minder onschuldig dan het Nieuwe Testament, een boek,
waardoor de menschen verleid worden. De Christelijke
moraalkwakzalvers begaan een halsmisdaad aan het leven.2
Zijn geheele
Zarathoestragedicht schijnt één hoon op het Evangelie en de
poging om het door Zarathoestra's goede boodschap te
vervangen.3 Deze profeet vraagt: Wie is godloozer
dan ik, opdat ik van hem nog onderricht kan genieten? Van
het Avondmaal maakt Nietzsche een ezelsfeest om dan op dezen
viervoeter het Schriftwoord toe te passen: „hij draagt onze
last, hij nam knechtsgestalte aan" en te vervolgen met de
woorden: hij is geduldig van hart en zegt nooit Nee (immers
altijd I-A) en wie zijn God liefheeft, tuchtigt hem.4
Niet anders dan langs sluipwegen is de Christelijke God aan
een zoon kunnen komen; aan de poort van het Nieuwe Testament
staat Gods echtbreuk. Wie hem als een God der liefde prijst,
heeft geen hoogen dunk van de liefde.5 Zijn
laatste boek, de Antichrist, mag men niet beschouwen als een
product van zijn beginnenden waanzin, maar als de rijpste en
consequentste openbaring van den Nietzscheaanschen geest. De
weinige aanhalingen uit zijn werken, die ik gaf, zijn
voldoende karakteriseerend. Men leze zijn Zarathustra, Ecce
Homo, Antichrist
1
8, S. 277 f., 210. 2
VII
71;
XI
63;
XV
260, 287, 295, 297, 325
ff.; 8, S. 269. 3 Fritz Buri, „Kreuz und
Ring, Die Kreuzestheologie des jungen Luther und die Lehre
von der ewigen Wiederkunft in Nietzsches ,Zarathustra'".
Bern, Verlag Paul Haupt, 1947. 121 S.. S. 103 f.. 4
VI
377, 453. 5
VI
378;
V
401;
XIII
306.
4
in hun geheel en zal er
plaatsen te over aantreffen, die naar gelang van eigen
opvatting en temperament den lezer een aanstootelijken,
ergerlijken, schrikwekkenden, heilig-schennenden of wel een
verhelderenden en bevrij denden indruk kunnen maken, — maar
zeker geen vromen en godvruchtigen in den zin van het
algemeene spraakgebruik.
Tegenover dezen
ondubbelzinnigen afkeer van den godsdienst in al zijn vormen
treffen wij echter diepe sporen van Nietzsche's religieuzen
aanleg aan. Reeds in zijn kinderjaren blijkt deze uit zijn
gewetenswroeging, wanneer hij op een zendingsbijeenkomst
zijn meest geliefde looden soldaatj es niet heeft geofferd.
Nog als twintigjarige, door twijfelingen bekropen, toont
zijn hymne aan den onbekenden God zijn diep religieus
karakter; slechts de volgende regels mogen daarvan een
denkbeeld geven:
"Ich will dich kennen,
Unbekannter,
Du tief in meine Seele Greifender,
Mein Leben wie ein Sturm Durchschweifender,
Du Unfassbare, mir Verwandter!
Ich will dich kennen, selbst dir dienen." 1
Na het verlies van het
geloof zijner kinderjaren heeft hij onophoudelijk gezocht
naar dezen onbekenden God, en nog na zijn eerstelingswerk
Die Geburt der Tragödie heeft hij zich in zijn
handexemplaar aldus Gode aanbevolen:
„Schaff das Tagwerk meiner Hände,
Grosser Geist, dass ich's vollende."
Als twaalfjarige knaap
speculeerde hij reeds over een drieëenheid van God-Vader,
God-Zoon en God-Duivel. God, zichzelf denkend, zou de tweede
persoon van de godheid hebben geschapen; om zichzelf echter
te kunnen denken, moest hij zijn tegendeel denken en
dit dus scheppen.2 Als hij deze jeugdherinnering
later vertelt, noemt hij haar
1
„Nietzsches Gedichte", Naumann, Leipzig. 1898,
S. 4. 2
XIV
347.
5
„wonderlijk", zonder te
beseffen, dat deze bespiegeling een verwachting van grooter
wijsgeerige diepzinnigheid wekt, dan waaraan de latere
Nietzsche heeft kunnen voldoen.
Door den vroegen dood
van zijn vader heeft hij mannelijke leiding in zijn jeugd
gemist. De reactie van zijn zuster op zijn twijfel en haar
poging om hem weer onder het juk van het oude geloof te
brengen en wel met een beroep op den regel, dat de waarheid
altijd aan den kant van het moeilijke ligt, bevestigen ons
in het vermoeden, dat het ouderlijk huis hem niet heeft
kunnen geven, wat hij voor zijn geestelijke vorming noodig
had. Op school in Naumburg en daarna in Schulpforta groeit
hij verder in een Christelijke sfeer op en begint zijn
academische studiën dan ook met zich te laten inschrijven
zoowel in de theologie als in de classieke philologie. Maar
om zich al spoedig van het oude geloof af te keeren. Hem
ergert daarin het slappe moralisme en de vijandigheid
tegenover alle cultuur. Alle verwordingsverschijnselen van
de Oudheid schijnen hem daarin te zijn samengevat. Een God,
die in volmaakte rust boven de wereld troont, de idealen van
vrede, rust en zaligheid kunnen hem niet behagen. Het
middelpunt van zijn wereldbeschouwing wordt het leven, en
leven beteekent hem voortdurende evolutie en strijd.
Toch heeft hij behoefte
aan een nieuwe moraal, aan een zuiverder vorm van religie.
Ideaalvorming acht hij noodzakelijk. Hij verzet zich meer
tegen de empirische godsdiensten dan tegen het wezen van den
godsdienst.1 Zijn idee van wereldorde is ten
slotte godsdienstig;2 zijn Uebermenschgedachte
de uitdrukking van zijn verlossingsbehoefte, een
surrogaat voor den verloren God.3 Dit ideaal is
voor hemzelf een persoonlijke behoefte, hij stelt het daarom
en belijdt het als een geloofsartikel.4 Men heeft
hem terecht goddeloos uit vroomheid genoemd, een immoralist
ter wille van de moraal, een vernietiger van de
1
VI
176. 2
Raoul Richter, „Nietzsche, sein Leben und sein Werk".
1903, S. 286. 3
VI
115, 123 f.. 4
Vgl. Theodor Jonkoff, „Nietzsches Idee vom
Uebermenschen als Erziehungsideal". Diss., Zürich 1911,
S. 19.
6
historisch
overgeleverde cultuur ten bate van een hoogere.1
Het ideaal der Christenen lijdt volgens hem aan bleekzucht,
daarom heeft hij er den oorlog aan verklaard; niet echter om
het te vernietigen maar om een einde te maken aan zijn
tyrannie en plaats te krijgen voor nieuwe, robustere
idealen.2 De gewezen paus, de laatste, want God
is nu immers dood, zegt tot Zarathoestra: „Je bent vromer
dan je gelooft met zoo'n ongeloof.... Is het niet juist je
vroomheid, die je niet meer aan een God doet gelooven?"
s Eigenlijk wijst hij alleen den verslappende moraal
eisenenden transcendenten God af, omdat onze werkelijkheid
door dezen haar waarde verliest. Hij is geladen met
religiositeit, die, wijl zij haar doel mist, omslaat in
Godloochening. Zijn machtsverlangen is niets anders dan de
wensch om zich in deemoed neer te werpen voor een hoogste
aanbiddelijkheid; zijn nihilisme een ontaarde aanbiddende
liefde.4 Dit kan men ook lezen uit zijn woord:
„Het beste aan ons is misschien uit indrukken van vroegere
tijden geërfd, waartoe wij nu rechtstreeks nauwelijks meer
kunnen komen; de zon is al ondergegaan, maar de hemel van
ons leven gloeit en straalt nog van haar, al zien wij haar
niet meer." 5 Deze godlooze vraagt: „Waar is God
naar toe?" en zijn antwoordt luidt: „Ik zal het u zeggen.
Wij hebben hem gedood, gij en ik! Wij allen zijn zijn
moordenaren.... Het heiligste en machtigste, wat de wereld
tot nog toe bezat, het is onder onze messen verbloed — wie
wischt dit bloed van ons af? Met welk water zouden wij ons
kunnen reinigen ?.... Is niet de grootte van deze daad te
groot voor ons? Moeten wij niet zelven tot goden worden om
haar waardig te schijnen?"6 Het terugverlangen
naar den vermoorden God kon leiden tot den drang om God te
scheppen, ja, tot zelfvergoding. Want Nietzsche kan God niet
ontberen; hij weet van zijn eigen menschelijke
hulpeloosheid, maar wil deze niet erkennen en suggereert
1
Hans Gallwitz, „Friedrich Nietzsche", Dresden u.
Leipzig 1898, S. 252. 2
XV
403 f..
3
VI 380.
4 Aldus Walter Schubart, „Erotiek en Religie."
Ned. vert., 2de dr., Haarlem 1941, blz. 169. 5 II
208. 6 V 163 f..
7
daarom zichzelf goddelijke waardigheid door
zich met zijn ideaal, den Uebermensch te
vereenzelvigen. Half schertsend heeft hij eens tot Lou
Andreas Salomé gezegd: „Als alles doorloopen is, waar loopt
men dan heen? Als alle mogelijkheden van combinatie waren
uitgeput, wat zou dan nog volgen? Zou men niet weer bij het
geloof moeten aanlanden? Misschien bij een Katholiek geloof?
In elk geval kon de cirkel waarschijnlijker zijn dan de
stilstand." 1
Bij deze situatie wordt het begrijpelijk, dat
menige Nietzschelezer de vraag heeft gesteld, hoe het toch
wel met den auteur zou zijn geloopen, wanneer deze, in
plaats van door waanzin getroffen te worden, na zijn laatste
geschrift nog een periode van geestelijke gezondheid zou
hebben beleefd. Was hij op weg naar den vermoorden God, naar
den verworpen Christus? Op grond van zijn laatsten brief aan
Brandes acht men zelfs zijn terugkeer tot het Christendom in
het zicht. Nu schuilt er nooit veel redelijke zin in de
vraag naar wat er gebeurd zou zijn, als wat werkelijk
gebeurd is eens niet gebeurd ware. Maar als
Nietzsche inderdaad den kring had doorloopen en tot het
geloof van zijn kinderjaren of tot dat van de Roomsche Kerk
ware bekeerd, zou hij evenmin Nietzsche meer geweest zijn
als tijdens zijn tragischen levensavond.
Uit den aard der zaak kan een geloovig lid
van een kerk, die bekeeringen op het sterfbed op prijs
blijkt te stellen, in den onbekeerden Nietzsche geen goeds
ontdekken. De knappe, goed gestelde en gedocumenteerde
monografie van Prof.
Brom,2 die Nietzsche's Ekel
tegenover allerlei sterk afkeurt, vertoont zelf doorloopend
Ekel en niet meer dan Ekel jegens dezen man.
Hij getuigt niet aangaande hem, dat wij van hem meer en
grondiger kunnen leeren, wat Christelijke houding is dan uit
een massa vrome en stichtelijke literatuur, — wat de Jezuïet
Hans
1
„Friedrich Nietzsche in seinen Werken" 1894, S. 49. 2
Gerard Brom, „Nietzsche's Antichrist. (Mededeelingen
der Kon. Ned. Ak. v. Wetenschappen, Afd. Letterkunde",
Nieuwe Reeks, Deel 9, No. 6). Amst. 1946, blz. 9 v..
8
Urs von Balthasar
in een bloemlezing uit Nietzsche Vom
vornehmen Menschen zegt onder toevoeging van de woorden:
„Men behoeft slechts door het oppervlak van het tragische
nihilisme heen te stooten en in de achtergronden van de
Godzoekende en om God worstelende ziel van Nietzsche te
vorschen, om te bespeuren, welke diepe Christelijke
weerklank zijn woorden bezitten." 1 Slechts
eenmaal komt bij Dr
Brom het vermoeden op, dat Nietzsche wel eens evenals
Ibsen de valsche burgerlijkheid en doodsche wettelijkheid
onder den naam van Christendom wil aantasten.2
Overigens heeft Dr
Brom in de hartstochtelijkheid van Nietzsche niet
diens ernst maken van het Christendom gevoeld. Ten onrechte
heeft Nietzsche Tertullianus als een kerkvader voorgesteld;
maar het is beneden de waardigheid van Dr
Brom, als deze Tertullianus' oordeel deswege diskwalificeert.
Want vóór zijn overgang tot het Montanisme is Tertullianus
toch de vurige apologeet van het kerkelijk Christendom
geweest. Vertegenwoordigen trouwens de Montanisten met hun
wereldverzaking zelfs niet een ouder Christelijk standpunt
dan de bij hun optreden reeds meer verwereldlijkte Kerk? Als
Dr Brom
Christelijk tegenover Gnostisch stelt, vergeet hij, dat de
oorsprongen van het Christendom in het Gnosticisme moeten
worden gezocht. Tegenover Mt. 19 : 12 zal Dr
Brom moeilijk kunnen volhouden, dat in het Evangelie de
zelfontmanning nergens zou zijn aanbevolen, al schijnt hij
dit voorloopig te meenen. Glossolalie en gezichten zien zijn
aan het oudste Christendom minder vreemd dan Dr
Brom wil,
terwijl'Nietzsche's „smalen" op de Onbevlekte ontvangenis in
een ander en minder ongunstig licht verschijnt, zoo men
bedenkt, dat hij op de leer van de erfzonde als op een
verkrachting van de Natuur zijn pijlen richt.3
Nietzsche geeft uitvoerig Tertullianus' relaas weer
1
Bij Buri, t.a.p., S. 16 geciteerd als
staande in het oorspronkelijke S. 154. 2
Brom, blz. 120.
3
Brom, blz. 69. — Dr Brom spreekt met
een Nietzscheaanschen hoogmoed over de Evangeliëncritiek der
19de eeuw (blz. 158) zonder blijk te geven van deskundigheid
ten dezen. Het historisch bestaan van Christus, dat in
twijfel en ontken-
9
omtrent het heerlijke
schouwspel, dat bij het jongste gericht de geloovigen zullen
genieten, als de heidenen worden gestraft; dit bericht is
zeker niet te ontzenuwen door den zegsman heterodox te
noemen, wat Dr Brom
al weer wil, terwijl hij de door Nietzsche in
hetzelfde verband gebruikte aanhaling uit den H. Thomas
Aquinas — stellig wel een onverdacht rechtzinnige! —
verzwijgt. Deze luidt: „De zaligen in het hemelrijk zullen
de straffen der verdoemden zien, opdat hun zaligheid hun des
te aangenamer zij." 1
Het Christendom,
waartegen Nietzsche zich keert is een dood, conventioneel,
versteend geloof met onwaarachtig geworden ascetische
idealen; een gemoedelijke orthodoxie, lief, braaf misschien,
maar gelijkvloersch, niet hoog en niet diep, te mak voor een
geest en temperament als Nietzsche bezat. Men moet hem
gelooven, als hij in 1881 aan Overbeck schrijft: „Wat het
Christendom betreft, zoo zult gij van mij wel dit ééne
gelooven: ik ben in mijn hart nooit daartegen gemeen
geweest, en heb mij van kindsbeen af heel wat innerlijke
moeite voor zijn idealen gegeven, ten slotte weliswaar
altijd met het resultaat van de pure onmogelijkheid." 2
Niet ten onrechte heeft
hij de gangbare caricaturen van het Christendom gegeeseld,
zonder helaas te beseffen, dat er een hooger en beter
Christendom is dan het huisbakken geloof, dat de striemen
van zijn sarcasme ten volle verdient. Het Christendom is
niet eens voor al in de geschiedenis met een van zijn
bepaalde vormen gegeven; het is een levensideaal, dat met
het levensproces van de Christelijke wereld bestendig
medegroeit en zich zuivert van zijn slakken; een zuurdeeg en
geen stelsel van denkbeelden of
ning volgens hem wordt
opgelost (blz. 155), is dat van een geschiedkundig persoon,
een mensch „ohne weiteres", terwijl Dr Brom het heeft over
het vleesehgeworden Woord, den als mensch op aarde
rondwandelenden Zoon van God.
1
VII
332 ff.. De in de
Nietzscheliteratuur zeer belezen Dr Brom
blijkt werken van Drews (1904), Kalthoff
(1900) en Theobald Ziegler (1900) niet te kennen.
2 „Friedrich Nietzsche, Briefwechsel mit Franz
Overbeck". Leipzig 1916, S. 148.
10
kerkelijke
instellingen.1 De critiek, die Nietzsche geeft is
op menig punt reeds door Christenen vóór hem geuit en kan
dienen om het tot een hoogeren trap te brengen.
Eigenlijk heeft hij
slechts den „goeden God", den „Lieven Heer" bestreden,2
(met wien de menschen naar het woord van
Arthur Bonus
3 zoo familiair zijn geworden, dat hij van Vader
tot Papa, bijna al tot Grootpapa is geworden), en allerminst
een vlak materialisme bedoeld; de verantwoordelijkheid voor
het goddelijke scheppen wilde hij leggen in het hart van de
menschen. De grooten, die hij in zijn eerste periode
genieën noemt, in zijn tweede vrije geesten, in
zijn derde Uebermenschen, zijn de wetgevers, die den
menschen het ideaal schenken, dat dezen noodig hebben. Zij
organiseeren niet, doen niet aan politiek, bemoeien zich
niet met economische en sociale vragen, m.a.w. zij staan
juist zoo vreemd en afzijdig tegenover de werkelijkheid als
Nietzsche zelf! Want zijn ideaal was een schouwend leven in
eerbiedige bewondering voor de Natuur en de hoogtepunten der
menschheid. Om dit ideaal echter als de voortzetting van een
lijn te zien, die van Thomas a Kempis over Spinoza loopt,
lijkt mij geforceerd.4 Wel blijft deze scepticus
ondanks alles „idealist, profeet, religieus denker". Zijn
onwil om godsdienststichter of heilige te zijn, berust in
laatsten aanleg hierop, dat hij godsdiensten
Pöbel-affären acht en behoefte gevoelt, zijn handen te
wasschen, als hij met godsdienstige menschen in aanraking is
gekomen.5 Doch deze krasse taal bewijst op
zichzelf reeds, dat hij zijn boodschap aan het menschdom als
verwant met den godsdienst beseft.0 In elk geval
heeft hij met zijn Zarathoestra een nieuweren Bijbel willen
leveren. Zijn godsdienst is er een zonder God; zoo een kan
echter — let op het oorspronkelijke Boeddhisme! — religieus
zijn. Zijn atheïsme is meer een loochening
1
A. Kalthoff, „Friedrich Nietzsche und die Kulturprobleme
unserer Zeit." Vorträge. Berlin 1900, S. 238 f.. 2
XIII
75. 3 In
„Preussische Jahrbücher" 93, 1898, S. 135. 4 Zoo
T. J. de Boer, „Nietzsche en de Wetenschap". Amst.
1906, blz. 44. 5
XV
116. 6 J.
Wendland, „Die neue Diesseitsreligion
(Religionsgeschichtliche Volksbücher,
V."
Reihe, 13. Heft).
Tübingen 1914, S. 14.
11
van het theïsme met
zijn bovenwereldlijken, transcendenten God, dan van de
religie als zoodanig. Schleiermacher heeft al geschreven:
„De gewone voorstelling van God als een afzonderlijk wezen
buiten de wereld en achter de wereld, is niet het een en al
voor den godsdienst, maar slechts een zelden geheel zuivere,
altijd echter ontoereikende manier om hem uit te spreken."
Nietzsche heeft geen ongelijk gehad met zijn bewering, dat
wie theologenbloed in zijn lijf heeft, van te voren al
tegenover alle dingen scheef en oneerlijk staat,1
een uitspraak die
Arthur Deews in zooverre beaamt, dat met een
theïstisch godsdienstige wereldbeschouwing geen wetenschap
te rijmen is.2 Nietzsche spreekt dan ook van „de
theologie of het bederf der rede door de erfzonde (het
Christendom)."3 In zijn bekende woordspeling:
„monotheïsme — monotonotheïsme" ligt het juiste besef dat
een abstract theïsme vervlakkend en nivelleerend werkt.
De beteekenis van het
lijden heeft hij volmondig erkend: de apotheose des menschen
moet langs den weg van het offer worden gewerkt; offerande
en verheerlijking zijn niet van elkander te scheiden. Gelijk
de held der Indische legende uit duizendjarige
zelfkwellingen zich een zoo sterk gevoel van macht en
zelfvertrouwen verwierf, dat hij het waagde, een nieuwen
hemel te bouwen; zoo wist Nietzsche uit eigen diepe
levenservaring, dat elk, die ooit een nieuwen hemel bouwde,
daartoe de macht had moeten vinden in zijn eigen hel.4
Niet de oorzaak van het lijden moet worden terzijde
geschoven, dat is. de methode van de priesters, die den
menschen als een soort vergif geloof toedienen, dat
inderdaad tijdelijk als geneesmiddel tegen de misère een
gunstige uitwerking heeft, ja onontbeerlijk is. Nietzsche
beaamt het woord van Meister Eckhard: „het snelste rijdier,
dat U naar de volmaaktheid draagt, is lijden".5
Zelf heeft hij zich heldhaftig betoond onder het zwaarste
leed. Het middelpunt van zijn geheele levensbeschouwing is
de wil, die zich tot het bewustzijn van
VII
224. 2
„Nietzsches Philosophie", Heidelberg 1904, S. 511. 3
S. 142. 4 8, S. 226,
VII
423. 5
I
428.
12
zijn eeuwigheid verheft
en zoo over lijden en dood zegeviert. Amor fati, de
liefde tot zijn lot; dat men niets anders wil hebben, vóór
zich uit niet, achter zich niet, in alle eeuwigheid niet:
dat is Nietzsche's formule voor menschelijke grootheid. Het
noodzakelijke moet men niet alleen verdragen, nog minder
verbergen, maar liefhebben. Of het lijden ons beter maakt,
betwijfelt hij, maar weet zeker, dat het ons dieper maakt.
Onder den tucht van het groote leed komt het allerbeste voor
de ziel. In de jaren van zijn zwaksten gezondheidsstaat,
zegt hij, hield hij op, pessimist te zijn; het instinct van
zelfherstel verbood hem een philosophie der armoede en
ontmoediging. Juist de grooten, de" uitverkorenen moeten
lijden. „Slechts waar graven zijn, zijn opstandingen."
1 „Geest is het leven, dat zelf in het leven snijdt..
. Des geestes geluk is dit, gezalfd te zijn en door tranen
tot offerdier gewijd. Gij kent slechts des geestes vonken;
maar gij ziet het aambeeld niet, dat hij is, en niet de
wreedheid van zijn hamer." 2 „Wat maakt heroïek?
Tegelijk zijn hoogste lijden en zijn hoogste verwachting
tegemoet gaan." 3 Het herinnert aan den Christus
van het vierde evangelie, wiens ure der verheerlijking slaat
als de lijdensure aanbreekt en het zelfgekozen doodslot
komt. Nietzsche wil de mensch zijn van de tragische
gezindheid, die om het hoogste worstelt en daarvoor sterven
wil. „Ik ben datgene, wat zich telkens moet overwinnen."
4 Het leven waardeert hij slechts in zooverre als
het tot overwinning van de wereld gelegenheid biedt. Maar
dan is ook de wereld noodzakelijk en in zekeren zin ( goed
te noemen; het jazeggende instinct van de meest\
geestelijke menschen noemt haar volmaakt; de onvolmaaktheid
behoort ook tot de volmaaktheid. De geestelijke menschen
beleven ook verreweg de smartelijkste tragedies; maar juist
deswege eeren zij het leven, omdat het hun zoo sterk
mogelijk weerstand biedt.5
Onwillekeurig denken
wij aan Christelijke gedachten als: de wereld ligt in het
booze en toch is de wereld goed.
1
VI
164. 2
VI
151. 3
V
204. 4
VI
167. 5 Men
leze het religieuze Ja-en-Amen-lied,
VI
344 ff..
13
Door lijden tot
heerlijkheid gaat de weg van Christus en van den Christen.
De oude mensch moet sterven, opdat de nieuwe mensch in ons
leve. Om zijn leven te vinden, moet men zijn leven verliezen
op den weg des kruises en der offerande. Als Nietzsche geen
gelatenheid wenscht maar heldenmoed, dan kan men van den
lijdenden Godszoon zeggen, dat het geen figuur is, die om
onze deernis bedelt; zijn moordenaren zegenend gaat hij als
een held in den dood. Wie zich op de zachtzinnige zijde van
den Goeden Herder, den Vredevorst, den Zaligspreker blind
staart, zooals het eenzijdige Christendom van Nietzsche's
ouderlijk huis, krijgt een onvolledig beeld van den
Christus. Deze komt toch ook ten oordeel; toornend drijft
hij de sjacheraars den tempel uit; hij eischt een betere
gerechtigheid dan die van de Farizeërs. De poort noemt hij
eng en den weg smal, die ten hemel leidt. Hij trekt de
menschen niet naar zich toe, soms stoot hij ze af: Laat de
dooden hun dooden begraven! Wie de hand aan den ploeg heeft
geslagen mag niet omzien. Hij duldt geen lafheid, geen
hinken op twee gedachten: wie niet vóór hem is, is tegen
hem. Hij is niet gekomen om vrede te brengen, maar het
zwaard. De God van het Christendom is niet de goedige
grijsaard van vele Christenen, die zijn menschenkinderen
moet vertroetelen; deze God van liefde laat Zijn eigen Zoon
aan het kruis nagelen en de ware goedheid blijkt een
verterend vuur te zijn.
Nietzsche heeft bij
zijn oordeel over het Christendom dit strenge miskend of
voorbijgezien. Door de zoetsappige opvoeding in zijn jeugd
heeft zich in zijn geest een beeld van het evangelie gevormd
en vastgezet, dat zwak en futloos was. Schopenhauer's
invloed heeft meegewerkt; voor dezen denker was medelijden
immers het wezen van het Christendom. De persoonlijk
zachtzinnige Nietzsche heeft van naastenliefde niet willen
weten; hij predikte de verstenliefde en meende daarmede iets
anders te leeren dan het Evangelie. Maar de ware
Christelijke naastenliefde is niet de weeke en weeë
lievigheid, de algemeene menschenliefde van de holle fraze,
vaag, zonder ruggegraat en spierkracht. De waarachtige
liefde tot den naaste is de
14
liefde tot het
waarachtige in hem? dat desnoods ten koste van
bloed en tranen uit hem moet worden omhoog gehaald.
Eigenlijk zegt Nietzsche hetzelfde, als hij van zijn
„Fernstenliebe" spreekt als van een liefde tot het Eeuwige.
Dat is niet te zoeken in een toekomstigen Uebermensch,
maar schuilt reeds nu in de menschen als het waarachtig
menschelijke.
Nietzsche heeft den
menschen willen leeren, wat nu zoo weinigen verstaan en de
predikers van het medelijden allerminst: de
medevreugde.1 De grootste verzoeking, die
zijn Zarathoestra te doorstaan krijgt, is deze: als de
noodkreet tot hem doordringt, dreigt hem het medelijden te
overmeesteren. Tegen Overbeck heeft Nietzsche 2
het zijn eigen eeuwig herhaalde fout genoemd, dat hij
zich het leed van anderen veel te groot voorstelde. Hij leed
meer onder het verdriet, dat hij anderen moest aandoen dan
onder eigen smart. In hem hebben met elkander geworsteld een
wereldbeschouwing, die van geen wijken wilde weten en een
gevoeligheid, die zich bij die wereldbeschouwing niet kon
neerleggen. Zijns inziens werkt het medelijden depressief;
het veroorzaakt krachtverlies, het houdt de wet der
ontwikkeling tegen; de Christelijke moraal houdt menschen in
leven, die de soort bederven. Hij leert een dubbele moraal:
één voor uitverkorenen en één voor de groote massa. De
sterken hebben lediggang noodig, avontuur, ongeloof,
uitspatting; de zwakken regelmaat, matigheid,
arbeidzaamheid, overtuiging. De zwakken, die in de sterken
hun natuurlijke vijanden zien, trachten dezen zedelijk te
verbeteren en aldus te bederven, te verzwakken, tot zichzelf
neer te halen; het is hun kuddeinstinct van zwakken
tegenover sterken en onafhankelijken, dat hen hiertoe
drijft, het instinct van de lijdenden en verongelukten
tegenover de gelukkigen, van de middelmatigen tegenover de
uitzonderingen. De geschiedenis van den strijd, door deze
moraal met de gezonde instincten van het leven gevoerd, acht
Nietzsche de grootste immoraliteit, die tot nog toe op aarde
heeft bestaan. De menigte
1
V 263. 2 „Briefwechsel", S. 267.
15
heeft genoeg aan de
gezuiverde Christelijke moraal, die door lagerstaanden is
geschapen en bij hun levensvoorwaarden past. De voorname
mensch heeft slechts plichten tegenover zijns gelijken;
tegenover de lageren handelt hij naar goedvinden.1
Toch leert Nietzsche
geen bruut egoïsme: de voorname mensch offert immers niet
alleen den naaste, maar ook zichzelf aan het
gemeenschappelijk ideaal der menschheid, de vervulling van
een taak die over duizenden van. jaren heenreikt. De
zelfzucht is slechts zooveel waard als hij die haar heeft;
zij kan nietswaardig en verachtelijk zijn. Met dengene, die
de opstijgende lijn vertegenwoordigt, doet het leven van het
geheel een schrede vooruit en daarom is zijn behoud offers
waard; vertoont hij de nederdalende lijn, dan is hij
waardelooze parasiet. De Herrenmoral is dus geen
libertinisme: „menigeen heeft zijn laatste waarde
weggeworpen, toen hij zijn dienstbaarheid wegwierp." Maar
ideaal is, dat de mensch zichzelf de wet stelle. Ook dit
denkbeeld kan men niet onchristelijk noemen. „Nu beveel ik
U, zegt Zarathoestra tot zijn leerlingen, mij te verliezen
en U zelf te vinden, en eerst als gij mij allen hebt
verloochend zal ik tot U wederkeeren." 2 Het
klinkt alleronchristelijkst, maar stemt toch overeen met
Christus' woord tot .de discipelen: „het is U nut, dat ik
wegga; want als ik niet wegga, kan de Parakleet niet tot U
komen", — d.i. de Geest, die hen tot de volle waarheid
leiden kan. Die waarheid zal hen vrijmaken; zij zijn geen
knechten meer, die zich slaafs buigen voor onbegrepen gezag,
zij worden vrienden genoemd.
Meent Nietzsche, alweer
uit onbekendheid met een hoogeren vorm van Christendom, dat
dit uitsluitend op het hiernamaals zou zijn gericht en zin
en doel van het wereldverloop eerst aan het einde zou
liggen, het Evangelie leert echter ook, dat het Eeuwige
Leven niet aan de over
1
VII
241. 2
VI
114.
Vgl. 136. Kant onderscheidde legaliteit en moraliteit; de
laatste vooronderstelt autonomie. „Dass diese Scheidung
auch im Sinne des Christentums ist, blieb
Nietzsche...
verborgen"
Messer, „Erläuterungen zu Nietzsche's
Zarathustra", Stuttgart
1922, S. 69.
16
zijde van het graf
begint, doch hier en thans werkelijkheid is. De nadruk, op
de leer der laatste dingen gelegd, is slechts moment
in het Christendom. Het oorspronkelijke Christendom was ook
niet het volledige; de geschiedenis heeft gericht gehouden
over de verwachtingen omtrent Christus' komst op de wolken
en het duizendjarig rijk. Maar de volle Godsopenbaring is
geen toekomstverwachting meer, doch bezit van den Christen
reeds in het heden; hij behoort tot een koninklijk,
priesterlijk en profetisch volk.
Merkwaardigerwijze
vertoont Nietzsche meer eschatologie in den trant van het
antieke Christendom dan ons modern besef kan goedkeuren. De
aarde zal volgens hem nog een plaats der genezing worden.1
Als een echt romanticus zoekt hij het niet in het heden;
maar hij zoekt het nog minder in het verleden; hij richt
naar een heel verre toekomst den blik. Hij noemt zich een
ziener van wat moet komen, een scheppende.2 „Zie,
hij komt, hij is nabij.. . de groote middag",3 —
het doet denken aan het Oudchristelijke: de Heer komt!
Buri noemt
Zarathoestra „een apocalyptischen visionair." 4
Nietzsche wil ons verlossen van het verleden, van het „er
was eens", van den niet af te wentelen steen; het willen
bevrijdt: „zóó wil ik het, — dat is verlossing." 5
Aan een redelijke opvatting van het Christendom is ook dit
streven niet vreemd; meer en meer tracht de godsdienst des
Geestes zich los te maken van de historische omhulselen,
waarin hij al te lang besloten en waarmee hij al te zeer
vereenzelvigd is geweest.
Komt Nietzsche op tegen
de eenzijdige verwerping van het natuurlijke, wil hij het
lichaam heilig verklaard hebben en tot ontvouwing van al
zijn vermogens en instincten brengen, dan moge dit in strijd
zijn met een ascetisch Christelijk ideaal, het vindt
niettemin zijn parallel in de heiliging van het natuurlijke,
die het Evangelie beoogt en in het denkbeeld van het lichaam
als tempel van den Heiligen Geest. Als hij
onwaarachtigheid bestrijdt en
1
VI 114, vgl. 177. 2 VI 205. 3 VI 280.
4 a.a.O., S. 76-73. 5 VI 208.
17
kuischheid het
krachtigste middel vindt om de levenskracht te verhoogen,1
dan kiest hij ook daarin de zijde van het door hem gesmade
Christendom. Spreekt Paulus van den eersten en den tweeden
Adam, van den aardschen en den hemelschen mensch, dan steekt
er van die beiden iets in elk onzer: klein en groot zijn wij
tegelijk en om waarachtig Zoon des Vaders te zijn, moeten
wij ons eerst bewust worden van onze onvolmaaktheid. Leert
Nietzsche niet hetzelfde met te zeggen: „In elk jong mensch
moet de gezindheid worden geplant, dat hij zichzelf als het
ware als een mislukt werk van de Natuur begrijpt, maar
tegelijk als een getuigenis van de grootste en wonderlijkste
bedoelingen van deze kunstenares; het gelukte haar slecht,
moet hij tot zichzelf zeggen, maar ik wil haar grootsche
bedoeling daardoor eeren, dat ik haar ten dienste sta, opdat
het haar eens beter gelukke." 2
Voor zijn leer van den
Uebermensch heeft Nietzsche wel veel biologische
Darwinistische termen gebruikt, maar dit is slechts formeel.
Zijn Wille zur Macht is een veel hooger beginsel dan
de materialistische opvatting, die den strijd om het bestaan
den zin van het leven acht. Ook trekken van het typische
antieke tyrannenideaal hebben hem als bouwstof gediend. Uit
dat alles heeft hij echter iets nieuws, iets eigenaardigs
gemaakt. „De mensch is iets, dat overwonnen moet worden. Wat
hebt gij gedaan om hem te overwinnen? Alle wezens tot nog
toe schiepen iets, dat boven henzelven uitging; en gij wilt
de eb zijn van dezen grooten vloed en liever nog teruggaan
tot het dier dan den mensch overwinnen?... Gij zijt den weg
van worm tot mensch gegaan en veel in U is nog worm. Eens
waart gij apen, en ook nu nog is de mensch meer aap dan
welke aap ook.. . De Uebermensch is de zin der aarde.
Uw wil zegge: de Uebermensch zij de zin der aarde."3
Onze bestemming, die ver in de toekomst ligt, beschikt
over ons: „de hoogere redelijkheid en de voorzienigheid van
onze toekomstige taak. De lange zin van mijn leven zal
misschien achterna worden gelezen? zoo vroeg ik mij
1
VI
337.
2
I
443. 3
VI
13.
18
onrustig af. Vooruit
ziende, daaraan is geen twijfel, las ik destijds slechts
woorden zonder zin." 1 De causaliteit, die hij
vooronderstelt blijkt niet empirisch-deterministisch, maar
transcendent-fatalistisch. Zijn Zelf is een metaphysisch
wezen, van zijn Lot wel te onderscheiden, maar niet te
scheiden; geen blinde natuurkracht, maar redelijker dan het
bewuste ik. „De mensch is een koord, gespannen tusschen dier
en Uebermensch, — een koord boven een afgrond. Wat
groot is aan den mensch, is dit, dat hij een brug is en geen
doel. Wat men aan den mensch kan liefhebben is dit, dat hij
een overgang en een ondergang is."2
De verheffing van het menschentype acht Nietzsche dus een
zaak van opzettelijk streven. Zarathoestra verpersoonlijkt
den menschelijken geest, die het ontwikkelingsbeginsel in de
Natuur heeft doorzien en tot doel van zijn leven gemaakt.
Vermoedelijk heeft hij
in zijn definitie van het begrip mensch als „een ziekte van
de aardkorst" zichzelf niet inbegrepen willen zien.
Alfred Weber,
de cultuursocioloog, ziet juist in Nietzsche's
Uebermenschidee en „das Pathos der Distanz" het
gevaarlijkste punt van diens geheele levensbeschouwing,
omdat in dezen tijd van groeienden invloed der massa
allereerst een synthese noodig is van massa en uit haar
voortkomende elite: het eenige middel om de massa te
verheffen en de elite duurzaam hoog te houden. De
massa is niet maar iets onverschilligs, doch een dynamische
actieve factor in elk geschiedenis- en cultuurproces.
Weber spreekt
zelfs van het „verraad", dat Nietzsche gepleegd heeft jegens
de „seelisch-geistigen Grundkräfte", die het Westen als
nieuw ontdekt ter wereld heeft gebracht: de machten van
actieve menschelijkheid in haar verbinding met vrijheid. De
elite boven de breede lagen van het volk heeft alleen
dan zin, wanneer zij de stijging van het niveau dier lagen
beteekent. Strijdend tegen het nivellement en voor de
verhooging van het peil heeft Nietzsche helaas „den
grondslag daarvan, het breede, levende leven, het Westersche
leven
1
XIV
387. 2
VI
16.
19
in zijn meest
eigenaardige idealen vernietigd. Wij zien daarvan de
resultaten heden ten dage. Het zou een ongepaste
onderschatting van Nietzsche zijn, zoo wij zijn bijdrage tot
deze resultaten kleiner maakten dan zij is." 1
Zijn Uebermensch
beschouwt Nietzsche als de tegenstelling tot den modernen
mensch, den moreelen mensch, den Christen.2 Hij
moet gezond zijn; hij mag niet ziekelijk over het leven
denken; nog minder ziekelijk handelen; hij is hard, een
vernieler omdat hij een schepper is.3 De
Uebermensch heet heros-heilige-profeet,4 wat
aan de drie ambten van Christus herinnert:
Koning-Priester-Prof eet. De mensch is een vormlooze massa,
een materiaal, een leelijk steenblok, dat een beeldhouwer
noodig heeft,5 juist als naar Christelijke
opvatting het in den zondigen mensch schuilende Godskind
boven diens uiterlijke verschijning onze liefde vraagt.
Nietzsche zit zóó aan het Christendom vast, dat zijn
menschelijk ideaal een soort Godmensch, zijn Antichrist een
tweede (verbeterde?) editie van den Christus is. Zijn
verachting van de moraal komt voort uit het juiste en niet
onchristelijke besef, dat het geloof meer is dan de werken;
hij neemt den tollenaar in bescherming tegenover den
Farizeër; hij is boven de Wet uit en de deugd wordt hem tot
een tweede natuur, alles gaat vanzelf. Daarom heet de
Uebermensch een vanzelfrollend rad, een stuk
werkelijkheid en noodzakelijkheid; als een kind handelt hij
zonder opzet of bedoeling.
Nietzsche's godloosheid
is vroomheid. „God is een vooronderstelling", leert hij;
„maar ik wil, dat uw vooronderstelling niet verder reike dan
uw scheppende wil. Zoudt gij een God kunnen scheppen? —
Spreekt daarom niet over goden! Maar wel zoudt gij den
Uebermensch kunnen scheppen. Misschien gijzelf niet,
broeders! Maar tot vaderen en voorvaderen van den
Uebermensch zoudt gij U kunnen herscheppen, en dit moet
uw beste scheppen zijn."6 Hij verwacht, dat eens,
in een sterkeren tijd dan deze
1
Alfred Weber, „Abschied von der bisherigen
Geschichte. Ueberwindung des Nihilismus?" Bern 1945, S.
193-197.
2
8, S. 357. 3 8, S. 407. 4 8, S.
357 ff. 5 8, S. 407. 6 VI 123.
20
tegenwoordige,
vermolmde, aan zichzelf twijfelende, de verlossende mensch
van groote liefde en verachting moet komen, die de
werkelijkheid niet ontvlucht, maar zich daarin begraaft om
er uit op te staan en haar zoo te verlossen zoowel van het
ideaal, dat tot nog toe heeft gegolden, als van het
nihilisme, dat daarop noodzakelijk volgen moest: antichrist
en antinihilist tegelijk, overwinnaar van God en van het
Niet, — eens moet hij komen.
Kan men met het oog op
dezelfde toekomstverwachting niet zeggen, dat een
vergeestelijkt christendom zoowel den positieven godsdienst
als de daarop gevolgde critiek en negatie te boven is
gekomen? Dat heeft Nietzsche niet kunnen waardeeren, gelijk
over het algemeen de gave der waardeering hem vreemd is
geweest. Hij verafgoodde of verguisde; zijn verhouding tot
Wagner, zijn oordeel over Socrates bewijzen het. Een
philosoof past een dergelijk door stemmingen geleid worden
niet, al ziet Thomas
Mann in hem den grootsten philosoof van het eind der
19de eeuw, — aan Eduard von Hartmann en Bolland heb ik
persoonlijke herinneringen, die Mann's appreciatie niet
bevestigen. Juist zijn stemmingsphilosofie lijkt mij zijn
zwakste punt; het systematische veracht hij.
Kurt Hildebrandt
1 liet zien, hoe Nietzsche, opgegroeid in
een tijd van historische critiek en positivistische
natuurwetenschap, door Schopenhauer het eerst met
metaphysica in aanraking kwam en het Duitsche idealisme niet
anders dan door dezen schimper op Hegel kent. Alleen met
Kant heeft hij zich iets meer ingelaten, doch geheel en al
met Schopenhauer als uitgangspunt.2 Met de
begrippen „waar" en „onwaar" heeft hij merkwaardig
gegoocheld.3 Gelijk zijn held Zarathoestra zich
door zijn dansen onderscheidt, zoo danst ook Nietzsche's
denken; het springt van het een op het ander, houdt van
aforismen en verbreekt den logischen samenhang voortdurend
door allerlei associaties.4 Het is meer
„geistreich" dan verhelderend, al
1
In „Kant-Studien, Philosophische Zeitschrift", 1936, Bd.
41, S. 255. 2 a.a.O., S. 259. 3
T. J. de Boer, t.a.p. blz. 38. 4 Blz.
42; vgl. Brom, blz. 6—8, 153.
21
onderscheidt Niezsche
zich door een scherpen psychologischen kijk op
tijdstroomingen. Geniale invallen en paradoxen zijn
nog geen systeem. Wij mogen dan al voor allerlei bepaalde
systemen van wijsbegeerte bang zijn geworden, omdat zij te
bekrompen bleken om aan den rijkdom der werkelijkheid plaats
te geven, — het onsystematische, het louter intuïtieve
geniet zeker niet ons vertrouwen, wanneer het zich als
oplossing van het wereldraadsel komt aanmelden. Op ons
„waarom"? geeft Nietzsche geen antwoord. Gronden aanvoeren
voor zijn meeningen doet hij niet. Daarmede is gezegd, dat
er eigenlijk met hem niet te debatteeren of te redeneeren
valt. Zoo heeft hij alléén het woord, als hij hevig uitvaart
tegen het gezond verstand, gelijk zich dit breed maakt in
veel wetenschap. Uitvaren tegen een eenzijdigheid beduidt
echter nog niet haar overwinnen. Eerst als het recht van het
verstand is erkend, maar tegelijk zijn betrekkelijkheid, die
in de rede ligt, is het verstand tot rede verheven.
Nietzsche blijft altijd nog in de wereld van de voorstelling
bevangen al meent hij zelf ver boven het Begrip te zijn
uitgestegen. Wat te denken van Nietzsche's leer van den
eeuwigen wederkeer der dingen, als een onmiddellijke
inspiratie naar eigen zeggen, aan het meer van Silvaplana
Aug. 1881 voor het eerst in hem opgelicht? Hij heeft zich in
haar oorsprong vergist. Voorstellingen aangaande
periodiek zich herhalende werelden behooren vanouds tot den
inventaris van den menschelijken geest. Het moet een
pathologisch verschijnsel zijn, dat hij deze herinnering uit
zijn classieke studiën niet als zoodanig heeft herkend.
„Alles gaat, alles komt terug; eeuwig rolt het rad des
zijns. Alles sterft, alles bloeit weer op; eeuwig loopt het
jaar des zijns. Alles breekt, alles wordt opnieuw gevoegd;
eeuwig wordt hetzelfde huis des zijns gebouwd. Alles neemt
afscheid, alles begroet elkander weer; eeuwig blijft de
kring des zijns zich getrouw. In elk oogenblik begint het
zijn, om elk ,hier' rolt de kogel ,daar'. Het midden is
overal. Krom is het pad der eeuwigheid." 1 De
dichterlijke uitdrukkings-
1 VI
317.
22
wijze kan het gemis van
oorspronkelijkheid der gedachte niet maskeeren. Nietzsche
heeft er religieuze beteekenis aan toegekend; hij spreekt er
over met groote piëteit als over een surrogaat voor den
verloren godsdienst. Bij elke handeling wil hij den maatstaf
aangelegd hebben, of zij zóó is, dat men in der eeuwigheid,
tallooze malen, juist zóó zou willen handelen. Want het
handelen van nu zal model zijn voor een eeuwig terugkeerend
volmaakt gelijk handelen. „Ik zelf behoor tot de oorzaken
van den eeuwigen terugkeer. Ik kom terug, met deze zon, met
deze aarde, met dezen adelaar, met deze slang; — niet tot
een nieuw leven of beter leven of soortgelijk leven; ik kom
eeuwig terug tot dit gelijke en ditzelfde leven, in het
grootste en ook in het kleinste, opdat ik wederom den
eeuwigen wederkeer van alle dingen leerare, opdat ik wederom
het woord spreke van den grooten middag van aarde en
menschen, opdat ik wederom den menschen den Uebermensch
verkondige." 1 Hij wil dat wij het
beeld der eeuwigheid drukken op ons leven,2 Een
dichterlijke inkleeding van het Spinozistische sub specie
aeterni, maar niet zonder schromelijke verwarring van
eeuwigheid met eindelooze tijdelijkheid. Niet kwantiteit,
maar kwaliteit is het eeuwige. In de vrome voorstelling van
den vierden evangelist heet het eeuwige leven niet nimmer
eindigende duur, doch Godskennis.
Buri vestigt
er de aandacht op, dat het kringsymbool van Nietzsche en
Luther's kruisteeken der Theologie des Kruises bijeen
behooren 3. Beiden vinden, elk op zijn wijze, den
toegang tot werkelijke en waarachtige verlossing: Luther van
monnikachtige werkgerechtigheid en Nietzsche van het fokken
van den Uebermensch en zij leeren hun lot vrijwillig
aanvaarden, zij het goed of kwaad.i Komt
echter door dien eeuwigen terugkeer niet de doelloosheid en
zinloosheid van het bestaan aan het licht? En kan de
Christelijke berusting, die Nietzsche afwijst, niet
dapperder en zegebewuster zijn dan de „droom en roes, dans
en lach, waarmee hij het leven kunstmatig denkt te vullen"?
5 Dient het kruis van Christus om
1
VI
322. 2
XII
66. 3
Buri, S. 8 f., 10 ff, 15. 5 Brom,
blz. 99. Vgl. Messer, S. 109.
4
S. 96.
23
de Christenen van hun
erfzonde te verlossen, Nietzsche spreekt van de
terugkeergedachte, waaraan Zarathoestra als prediker te
gronde gaat, maar zichzelf zegenend en daardoor verrijzend
tot zijn hoogste hoogte.1
Ten onrechte heeft
Nietzsche gemeend, dat de wereld op hem heeft moeten wachten
om waarheid te vinden. Deze eenzame en vereenzaamde heeft
het besef van gemeenschap met de menschheid jammerlijk
gemist. „Hij leeft in de poëzie van zijn eigen gevoelssfeer,
niet in de geschiedenis, nog minder in de volle
werkelijkheid van het leven."2 Zoo heeft hij zijn
anti-Christelijke houding niet als een eenzijdigheid beseft.
Het Christelijk beginsel als zoodanig duldt deze
eenzijdigheid niet tegenover zich; ook dezen anti wil
het in zijn alomvattende bedoeling opnemen en verwerken.
Niet alleen het gebrekkige Christendom, dat Nietzsche
bespot, maar ook Nietzsche zelf moet door het ware
Christendom worden overwonnen, d.w.z. ook de waarheid van
zijn levenswerk vinde in ons ruime en alzijdige Christendom
een plaats. De eeuwige waarheid sluit niets buiten. Het
demonische van Nietzsche jaagt ons geen vrees aan; het is
zelfs moment van het Christendom. Met zijn verzet tegen een
cultuur, die hemzelf heeft voortgebracht en gedragen, werkt
hij, zonder het te weten en te willen de diepere beleving en
doordenking van de Christelijke waarheid in de hand.
Kerkelijk Christendom moge Nietzsche verwerpen als ongodist
en in zijn droevig uiteinde het oordeel der goddelijke
gerechtigheid over zijn ongeloof zien, — met Justinus den
Martelaar zeggen wij: „alles wat bij wie dan ook goed gezegd
is, dat behoort ons, Christenen". Intussehen kan hij op
onrijpe en halfrijpe geesten een slechten invloed hebben;
hij zelf heeft erkend, dat wat bij hem grootsch en geweldig
is, bij onzelfstandige napraters voor het minst bedenkelijk
wordt. Zijn geestige aanvallen op de wetenschap vergeeft men
iemand, die zelf op wetenschappelijke praestaties kon
wijzen; zijn verachting voor de menigte vindt eenige
verontschuldiging in zijn genialiteit, die hem zoo ver boven
die menigte
1
VI
319 ff., 324 ff.. 2 Brom, blz.
7.
24
verhief. Maar als zij,
die zelf in elk opzicht tot de menigte behooren, de menigte
van middelmatigen en beneden-middelmatigen, bij lezing van
zijn werk meenen, dat hun hier een brevet van aristocratie
des geestes wordt uitgereikt; als hier hun ijdelheid zich
gestreeld acht, wijl zij zichzelf heerennaturen en
Uebermenschen wanen, dan zouden zij, dunkt mij, beter af
zijn, zoo zij nog eens terecht kwamen op het zondaarsbankje
in een Leger-des-Heils-bij eenkomst, dan nu in hun
onwedergeboren hoogmoed. Waarmee ik dan niet wensch te
vitten op Nietzsche-vereering als voorbijgaande stemming van
een uiteraard zichzelf overschattende en overmoedige jeugd.
Wie nooit onder de bekoring geraakte van dezen stylist, van
dezen dichter bij Gods genade, is geen levend mensch. Ik
betwijfel zelfs, of zoo iemand voor het Christelijk beginsel
toegankelijk zal blijken. Ten slotte werken in Nietzsche en
i» de religie des Geestes een en dezelfde drijfkracht:
leven, dat gloed is en passie, verlangen naar
verheerlijking. Bij Nietzsche persoonlijk is het op waanzin
uitgeloopen, toen hij zich van verkondiger van den
Uebermensch opblies tot den Uebermensch zelf. Het
sterke, krachtige, gezonde, harde imponeerde hem zoo, omdat
hij zelf ziek, zwak en overgevoelig was. In deze
gespletenheid hebben wij de levenstragiek van dezen
godsdienstigen dweeper te zien.1
Bierens de Haan
heeft hem typisch den tegen-gesteld-verwante van
Augustinus genoemd, zijn Godloochening „tegen zichzelf
gekeerde religie, voortkomend uit een tot waanzin
opgezweepte Godsbehoefte, die hierin eindigen moest, dat de
denker zichzelf voor den God in de plaats stelde, daar hij
het niet kon uithouden, niet God te zijn."2 Om
nog ten slotte een actueele vraag aan te roeren: heeft
Nietzsche's invloed schuld aan de Hitlerperiode, die achter
ons ligt? Tijdens den eersten wereldoorlog schreef
Santayana de
oorzaak daarvan toe aan de Duitsche philosofie en vooral aan
Nietzsche. De vrije geesten zijner fantazie zouden nog eens
werkelijkheid worden, zóó had
1
Theobald Ziegler,
a.a.O. S. 165 f..
2 In zijn voorrede op „De levende Gedachten van
Nietzsche", 2de dr. 1940, blz. 7.
25
hij zelf voorspeld: „Ik
zie ze al komen, langzaam, langzaam, en misschien doe ik
iets om hun komst te verhaasten, wanneer ik van te voren
beschrijf, onder welke omstandigheden ik ze zie ontstaan en
langs welke wegen ik ze zie komen."1 In verband
met den inval der Duitschers in België in 1914 herinnerde
Santayana aan het woord: „wie bevelen kan, wie van nature
,heer' is, wie gewelddadig in werk en gebaar optreedt —, wat
heeft die met verdragen te maken ?"2 Levenslang
predikte Nietzsche de noodzakelijkheid van den oorlog. Het
Pruisisch militairisme, maar ook dat van alle andere landen
kon zich op hem beroepen. De als machtsmensch verheerlijkte
Uebermensch was ook in de oogen van B.
de Ligt voor
een deel de ideologische weerspiegeling van het zich
ontwikkelend Duitsche imperialisme.3 Op het dezen
zomer te Amsterdam gehouden 10de internationale philosofisch
congres" heeft
Rosteutscher Nietzsche tot hen gerekend die de
beteekenis der rede en haar vooruitgang als fundamenteelen
factor in de geschiedenis ontkennen.5 Hier
herleeft het Germaansche natuurmysticisme tegenover het
ideaal der rede; de geschiedenis wordt opgevat als een
eeuwige wedergeboorte in plaats van als een redelijke
vooruitgang, — wat niet zonder politiek gevaar is.
Dictatoren en tyrannen kunnen inderdaad bij Nietzsche de
rechtvaardiging vinden van hun machtswellust. Toch geloof ik
niet, dat Nietzsche meer schuld heeft aan de beide
wereldoorlogen en aan het Naziregime dan — het Christendom,
een zoodanig Christendom namelijk als Nietzsche bestreed en
wij met hem, zij het dan ook op andere gronden. Keizers en
koningen hebben zich ook op God en den Bijbel beroepen om
hun oorlogen te rechtvaardigen. En het buitenlandsche
grootkapitaal, dat begonnen is met Hitler te steunen, omdat
het aan hem een beschermer meende te hebben tegen het
gevreesde roode gevaar, had stellig „Christelijke"
sympathieën. Maar wat wil dit anders zeggen, dan dat al wat
groot is en boven
1
II
6. 2
VII
382. 3 Zie
M. A. Romers in „Bart de Ligt 1883—1938", Arnhem 1939, blz.
120.4 In de „Handelingen", p. 473.
5 Op grond van 8, S. 209.
26
de middelmaat uitsteekt
bij misbruik gevaarlijk wordt? Een boekje met
Sinterklaasrijmpjes kan niet het onheil stichten, dat de
Bijbel stichten kan. Zoo kunnen militaristen zich door de
lectuur van Nietzsche tot gewelddadig optreden hebben laten
inspireeren. Maar hij zelf is allerminst een Pruisisch
militarist geweest; van het chauvinisme van von Treitschke
moest hij niets hebben, evenmin als van Bismarck's politiek,
en aan het adres van zijn landgenooten heeft hij menig
scherp woord gericht. De Duitsche middelmatigheid van den
burgerlijken geest kon hij niet verdragen;1 het
leven in Duitschland was hem niet mogelijk. De volgende
woorden van zijn hand had men zeker niet ongestraft in het
derde rijk kunnen publiceeren: „Dit onverantwoordelijke ras,
dat alle groote mislukkingen der cultuur op zijn geweten
heeft en in alle beslissende momenten der geschiedenis iets
,anders' in het hoofd had (—de Hervorming ten tijde van de
Renaissance; Kantische philosofie, toen juist een
wetenschappelijke denkwijze in Engeland en Frankrijk met
moeite was bereikt; vrijheidsoorlogen' toen Napoleon
verscheen, de eenige, die tot nog toe sterk genoeg was, van
Europa een politieke en oeconomische eenheid te maken —).2
Hij denkt over een anti-Duitsche liga. Hij beroemt er zich
op, dat te Turijn nog niemand hem voor een Duitscher heeft
gehouden, maar eer voor een geboren Parij zenaar.3
In dit alles en in nog veel meer herinnert hij aan Heinrich
Heine, maar zonder diens sociaal gevoel. Dat Nietzsche
echter wel degelijk uitwendige macht en geestelijke
meerderheid wist te onderscheiden moge blijken uit een paar
citaten: „een groote overwinning is een groot gevaar. De
menschelijke natuur kan haar moeilijker verdragen dan een
nederlaag." Hij spreekt zelfs van „de uitroeiing van den
Duitschen geest ten gunste van het Duitsche Rijk."4
Wie meent, dat
Nietzsche geleerd heeft zich uit te leven, leze vooral wat
hij in zijn Zarathoestra over den boom
1
„Briefwechsel mit Overbeck", S. 269. 2
„Briefwechsel", S. 440 f., 3 S. 451 f., 446.
4
I
179 f..
27
aan den berg schrijft1
en zijn kapittel over Krieg und Kriegsvolk, waarin
hij op geestelijk-zedelijken strijd doelt,2 al
hebben lateren het naar eigen valschen smaak verkeerd
verklaard. „Geistreiches Gesindel" heeft zich helaas van
Zarathoestra's leer meester gemaakt en haar ontaard, —
Nietzsche zelf heeft voorzien, dat dit gebeuren moest.3
1
VI
59.
Vgl. Messer, a.a.O., S. 40. 2
VI
66, 359, Messer, S. 41 3
VI
140 ff..
28