|
|
|
|
|
III. Brieven (94–151)
Gustaaf Adolf van den Bergh van Eysinga: 1. De Brief van Paulus aan de Romeinen. 2. Paulus' eerste Brief aan de Corinthiërs. 3. Paulus' tweede Brief aan de Corinthiërs. 4. Paulus' Brief aan de Galatiërs. 5. Paulus' Brief aan de Efeziërs. 6. Paulus' Brief aan de Philippiërs. 7. Paulus’ Brief aan de Colossiërs 8. De beide Brieven van Paulus aan de Thessalonicensen. 9. De Brief van Paulus aan Philemon.
Een groot deel van de Oudchristelijke letterkunde bestaat uit brieven op naam van Apostelen of Apostelleerlingen, aan gemeenten of bijzondere personen gericht. De gewone antieke brief heeft een andere wijze van adresseering gehad; in overeenstemming daarmede had men als begin van een brief bv. te verwachten: Paulus aan de Romeinen, gegroet! (vgl. Hand.. 15: 23; 23: 26; Jac. 1 : 1). In den Paulusbrief krijgt echter de naam van den schrijver allerlei attributen en geeft het adres reeds aanwijzing omtrent den inhoud van den brief; tevens wordt tegen miskenning van den schrijver opgekomen (vgl. Rom. 1 : 1 vv.; 1 Cor. 1 : 3 ; 2 Cor. 1 : 1 v.; Gal 1 : 1). Deissmannn onderscheidde tusschen den werkelijken brief, die gericht is tot en bezorgd moet worden aan een bepaalden kring of persoon èn de epistel, een letterkundig product, dat slechts voor den vorm zich tot de geadresseerden richt, doch inderdaad bestemd is voor een grooter publiek. Voorts heeft Roller laten zien, dat de brief aan de Romeinen, die als handschrift een omvang heeft van 27 à 30 papyrusbladen moet hebben gehad, den gewonen maat van een brief, ja bijna dien van een boek overschrijdt; de 1ste brief van Paulus aan de Corinthiërs mag zelfs een foliant heeten. Roller noemt deze brieven de allerlangste voortbrengselen van Grieksche particuliere correspondentie. Slechts de, overigens onecht verklaarde, brieven van Plato of Thucydides komen dezen maat nabij; en de oudheid heeft juist in die lengte van Plato's brieven al aanleiding gevonden om te zeggen, dat het geen brieven, maar veeleer boeken waren, slechts van een groet aan het hoofd voorzien.
Een werkelijke correspondentie geeft gewoonlijk
eenigszins een beeld zoowel van den schrijver als
van de lezers; zij laat de individualiteit van den
schrijver min of meer uitkomen, terwijl deze zich
tegelijk verplaatst in de gedachte en gevoelens der
toegesprokenen. Sedert het eind der 1ste eeuw v. C.
werd echter het briefschrijven in de Romeinsche
wereld als letter[95]kundig genre beoefend, ook wel
als stijloefening; vooral bij de Stoicijnen met
zedekundige strekking. Seneca's brieven aan Lucilius
zijn daarvan een beroemd voorbeeld. Ook de
Oudchristelijke brief behoort tot een bepaald genre;
hij volgt een conventioneel spraakgebruik. Zoo heet
in den brief van Paulus aan de Romeinen hun geloof
in de geheele wereld bekend; dezelfde lof wordt
echter aan de Corinthiërs en de Thessalonicensen in
de aan hen geadresseerde brieven ook toegezwaaid.
Telkens gaat aan een berisping een lofuiting vooraf
en volgen op een vermaning, bij wijze van pleister
op de wond of ter bemoediging, de woorden: „gelijk
gij ook doet“. Geven dus die aangesprokenen
allerminst aanleiding tot de hun kwistig
toegediende vermaningen, dan herkennen wij hier den
stijl van het officiëele bisschoppelijke schrijven,
dat al zijn waarschuwingen richt tot de als ideaal
gedachte gemeenten. Paulus' eigen zelfverheffing en
zelfvernedering, die elkander regelmatig afwisselen,
passen eveneens tezamen goed in den mond van een
kerkvorst.
Bij deze brieven ontbreekt een nauwkeurig adres, dat
alleen bestelling mogelijk kon maken. „Aan de
gemeente Gods, die te Corinthe is, . . . met al
degenen, die den naam van onzen Heer Jezus Christus
aanroepen in elke plaats (1 Cor. 1 : 2); . .
. met alle heiligen, die in geheel Achaie zijn (2
Cor. 1 : 1); aan de gemeenten van Galatië (Gal.
1:2); al deze praescripten wijzen allerminst op zeer
bepaalde geadresseerden, gelijk een werkelijke en
bestelbare brief toch vooronderstelt. Ter verklaring
van dit zonderlinge verschijnsel heeft men wel
gezegd, dat zoo’n brief moest circuleeren. Alsof het
onze moderne leesportefeuille betrof! maar zelfs
deze heeft nog een aanwijzing noodig van de namen
der deelnemers, mitsgaders van de volgorde der
bezorging. Noch van den schrijver, noch van den
geadresseerde, noch van hun onderlinge verhouding
kunnen wij ons uit deze brieven een duidelijk beeld
vormen. Beurtelings zijn zij door één of meer dan
één schrijver geschreven, en hierin gelijken zij,
zegt Roller, op brieven, die van openbare lichamen
uitgingen: van stadsgemeenten, genootschappen of
groepen; [96] op mandaten en edicten. Nu eens
richten zij zich tot een bepaalden kring, dan weer
tot de geheele Christenheid. Een aanleiding tot het
schrijven van juist deze brieven aan juist
deze gemeenten kan men niet ontdekken. Al
vertoonen zij elk op zichzelf een zekere eenheid,
bij nadere beschouwing blijken zij een samengesteld
karakter te bezitten en onder invloed van lectuur te
zijn geschreven. Al deze gegevens passen slecht bij
een werkelijken brief, die immers dient als middel
tot mededeeling van gedachten van persoon tot
persoon of kring. Verklaarbaar zijn zij echter bij
een open brief, een voor het groote publiek bestemd
geschrift, dat in de openbare samenkomsten der
Christenen moest worden voorgelezen (I Thess. 5 :
27). De brief aan de Col. is zoo weinig persoonlijk
bedoeld, dat de schrijver hem ook door de Laodiceërs
gelezen wil hebben (Col. 4:16).
Een eigenaardig licht over den Paulusbrief werpt
Ignatius, als deze aan de Efeziërs (12) schrijft:
„Paulus, die in elken brief uwer gedenkt in Christus
Jezus.“ Elke Paulusbrief dus, en niet slechts die
aan Ef. of aan hun opziener Timotheus, maar ook die
aan de Rom., Cor., Gal., enz. is volgens Ignatius
met het oog op de Efeziërs geschreven. In denzelfden
geest schrijft Polykarpus aan de Philippiërs (3:12)
: „Paulus heeft afwezig u brieven geschreven“. Nu
kennen wij er slechts één. De hier bedoelde
„brieven“ zijn de geheele bundel, waarvan elk
exemplaar voor den vorm wel tot een bepaalde
gemeente is gericht, maar evengoed voor de
Philippiërs is bestemd als hij het boven voor de
Efeziërs bleek te zijn.
Bij het letterkundig karakter van den brief deden
fouten in den vorm er niet veel toe: een open
gelaten adres in een door Paulus aan de Efeziërs
verzonden brief; het ontbreken van een behoorlijk
begin (Hebr.), een passend slot (Jac.), begin en
slot beide (1 Joh.). Aanvankelijk werd aan hun
herkomst niet getwijfeld. De Tübinger geleerde F. C.
Baur heeft van de 13 Paulusbrieven aan 4, door hem
Hoofdbrieven genoemde, een bijzondere plaats
toegekend (Rom., 1 & 2 Cor., Gal.). Hem gold het als
een axioma, dat deze „echt“ waren, in den zin van
;,door Paulus zelf geschreven“, omdat er tegen hen
nooit ook [97] maar de minste verdenking van
onechtheid was gerezen en zij het karakter van
oorspronkelijkheid zoo onweersprekelijk vertoonden,
dat critische twijfel er niets tegen kon inbrengen.
Intusschen heeft echter reeds Bruno Bauer de
echtheid zelfs van die hoofdbrieven in twijfel
getrokken (1850–'52). Allard Pierson en de verdere
Nederlandsche Radicalen (Loman, van Manen, van Loon
e.a.) met den Zwitser Rudolf Steck volgden. Albert
Schweitzer heeft ronduit erkend, dat er tegenover
Loman, Steck en van Manen nooit iets is verschenen,
dat ook maar eenigermate in overeenstemming was met
de beteekenis van hun werk, en dat zij, als
voortzetters van de Tübinger critiek, zijn blijven
vragen, toen de andere theologen het vragen hadden
verleerd. Joh. Weiss heeft erkend, dat wij geen brieven van Paulus anders bezitten dan door een latere hand geredigeerd, zoodat wij een reconstructie moeten beproeven van het origineel en telkens vragen, of een brief „aus einem Guss“ geschreven of uit verschillende stukjes is samengesteld. Wat dan wel een heel zonderlinge brief mag heeten ! Brieven schrijft men nu eenmaal en brieven stelt men niet samen uit verschillende stukken vermaningen, leervoordrachten, profetieën, verhandelingen enz.. Is bv. de brief van Paulus aan de Romeinen gelijk wij dien bezitten, het werk van een redacteur, die hem uit verschillende stukken heeft samengesteld, dan mogen deze stukken, alle of ten deele, echte brieven van den Apostel zijn, hun samenvoeging tot één geheel geeft dan stellig geen authentieken brief, onder den drang der omstandigheden op een bepaald moment aan de gemeente te Rome geschreven. Elk beroep op de eigenaardige verhouding, die er tusschen onderling correspondeerenden pleegt te bestaan en veel moet verklaren wat voor ons, later levenden, uiteraard onverstaanbaar moet blijven, is hier dus voortaan misplaatst. En wat meer zegt: met deze wijze van beschouwing is de traditioneele in beginsel reeds prijsgegeven.
De Paulusbrieven zijn verhandelingen, boekjes, in
den handel, althans in omloop gebracht, met de
bedoeling om het groote publiek te stichten en te
onderwijzen. Uit de oudheid [98] zijn er 14 als één
bundel tot ons gekomen. Maar van een verzameling
Paulusbrieven hooren wij het eerst bij den ketter
Marcion, die er slechts 10 bezat (de Pastorale
brieven had hij niet), en wel in een lezing, die van
de onze afwijkt. Het stilzwijgen gedurende ongeveer
een eeuw na den traditioneel aangenomen tijd van
vervaardiging der brieven, levert een eigenaardig
probleem op. Hoe is het mogelijk, dat dezelfde
kwesties, die daarin aan de orde en dus in de 1ste
eeuw tot oplossing zijn gebracht, in de 2de nog eens
weer de gemoederen in onrust brengen? Ik bedoel de
vragen omtrent de waarde van Wet en besnijdenis,
Paulus' recht op het apostelschap, den voorrang van
Israël boven de heldenwereld in zake het
Messiaansche heil. Verwondering wekt verder, dat,
als de brieven tusschen 40 en 60 door Paulus zijn
geschreven, daarin van tempel noch tempeldienst
wordt gerept en het jodendom geheel in
Wetsbetrachting schijnt op te gaan.
Men heeft de dialectiek in deze brieven rabbijnsch
gevonden en dus passend bij Paulus, den leerling van
den Farizeër Gamaliël (Hand. 22 : 3). Maar wij
vinden hetzelfde bij Justinus Martyr, die toch niet
van Joodsche afkomst was; deze bestrijdt zijn
tegenpartij ook met haar eigen wapenen in zijn
samenspraak met den Jood Trypho. In een gesprek met
den Christengeleerde Ramsay vonden een paar Joodsche
geleerden, dat de Paulusbrieven veel bevatten, dat
geen jood kon schijven. Waartegenover Ramsay de
opmerking maakte : Gij ziet als joden het onjoodsche
element scherp; een Christen daarentegen ziet het
Joodsche scherp. Wel een pover en allerminst
overtuigend antwoord! De Paulijnsche schrijvers
gebruiken het O.T., maar dat maakt hen nog niet tot
Joden, evenmin als een Puritein uit de 17de eeuw een
Jood is, omdat hij veel voor het O.T. gevoelt. Het
rabbijnsche Jodendom droeg een gansch ander karakter
en ging allerminst op in kennis van de Grieksche
bijbelvertaling. Van het standpunt van den
historicus uit gezien blijft het een onmogelijkheid,
dat de jood Paulus in zijn brieven zijn tijdgenoot
Jezus de attributen zou hebben gegeven van den
Eeuwige.
[99] LITERATUUR
Loman's Nalatenschap, uitg, door van Manen–Meyboom
I, Gron. 1899. – Mijn: Inleiding tot de
Oudchristelijke Letterkunde, Amst. 1927: 77–83; vgl.
N.T.T. 1935: 341 vv.. – Otto Roller, Das Formular
der paulinischen Briefe, Stuttg. 1933. – W. B.
Smith, Der vorchristliche Jesus, Giessen X906: 137
ff.. – J. A. Bruins, in T.T. 1910: 26 vv.. 99
[100]
1. De Brief van Paulus aan de Romeinen.
Men zou dezen „brief“ beter een verhandeling kunnen
noemen naar aanleiding van den tekst: „het
(Evangelie) is een kracht Gods tot behoud voor
ieder, die gelooft, den Jood en den Griek; want de
gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit
geloof tot geloof“ (1 : 16 v.), d.w.z. de
gerechtigheid, die God in den mensch bewerkt, komt
voort uit het geloof, als bron en leidt weer tot het
geloof als doel. De betrekkelijke eenheid van het
geheel sluit niet samenstelling met behulp van
voorhanden geschriften uit. Gelijksoortige stukken
worden samengevoegd in een bepaald kader, zoo: over
de algemeenheid der zonde. (1 : 18–3 : 20); Abraham
en het geloof (4); de vrucht der rechtvaardiging,
waarin een drietal bezwaren tegen het Paulinisme
worden weerlegd (5–7); de heerlijkheid van het
nieuwe leven (8); de verwerping van de joden (9–11);
de plichten van den Christen (12–15). Het laatste
hoofdstuk (16) maakte ten onrechte
[1][1]
op velen den indruk van een toevoegsel van andere
hand.
Reeds het adres verraadt den leerstelligen
verhandelaar en niet den briefschrijver (1 : 2–6).
Marcion heeft deze verzen niet gehad. De wordende
Kerk heeft zich in haar strijd tegen den ketter de
Paulusbrieven toegeëigend, maar niet zonder het h.i.
bedenkelijke daarin te verwijderen en orthodoxe
dogma's daaraan toe te voegen. Voor dit bedrijf zijn
juist deze verzen typeerend. Als het ware tusschen
twee haakjes worden hier in het briefadres
fundamenteele leerstukken der Kerk voorgedragen: de
continuïteit van O. en N.T., die samen de openbaring
vormen van één en denzelfden God; de verbinding van
den Messias–Davidszoon met den Christus van het
Paulinisme; Jezus, de Christus geworden op grond van
zijn opstanding en dus niet als zoodanig gezonden,
gelijk wij elders lezen (8 : 3, 32). Terwijl bij
Paulus de roeping uitgaat van God (4 : 17; 8 : 30; 9
: 11 v., 24; 11 : 29), heet Paulus hier geroepen
door de genade van Christus. Verschijnt het
onderwerp (1 : 1 en [101] 1 : 8 vv.) telkens in het
enkelvoud, in 1 : 5 lezen wij : „door hem hebben wij
ontvangen genade en het apostelschap“. Zahn
verklaarde dit „wij“ als „Paulus en de Twaalve“ en
zag in hen historische personen; wij zullen ze
liever als de vertegenwoordigers van de Katholieke
Kerk beschouwen. Als het apostelschap heet te dienen
om menschen tot gehoorzaamheid te leiden, niet aan
God of Christus, maar aan het geloof (1 : 5), dan
beteekent dat niet geloof in den oorspronkelijken
Paulijnschen zin, maar in dien van „kerkelijke
geloovigheid“. Op deze wijze kon de „op den grens
der ketterij zich bewegende Paulus“ (Barth) door de
kerk toch worden genaast.
De dogmatische inhoud als zoodanig pleit reeds tegen
het karakter van een werkelijken brief. Waarom
zouden deze leerstellige uiteenzettingen en
zedelijke vermaningen bijzonder op haar plaats zijn
in de gemeente van Rome? Nergens blijkt iets van een
persoonlijke betrekking tusschen Schrijver en de
aangesprokenen; men kan zich van hun verhouding geen
bevredigende voorstelling maken, niet omdat de
noodige gegevens ontbreken, maar omdat allerlei
gegevens in den brief met elkander in strijd zijn.
Beurtelings schijnen de lezers Christenen uit de
Joden en Christenen uit de heidenen te zijn; soms
worden echter beiden tegelijk toegesproken. Een
kring van zwakken, die door hun Joodsch verleden
bezwaar hebben tegen het eten van bij de Wet
verboden spijzen of die geen wijn willen drinken en
bepaalde dagen voor heilig houden, kan in een mede
aan hen gericht schrijven moeilijk zóó beschermend
en vaderlijk worden besproken als hier geschiedt
(14), zonder dat zij zich daardoor beleedigd en in
hun heiligste overtuiging gekrenkt zouden gevoelen.
De man, die zegt „eens leefde ik buiten de Wet om“
(7: 9) is niet de volgens de traditie streng Joodsch
begonnen Paulus, maar een dogmatische grootheid, ja,
de representant van het geheele menschdom. Hij
spreekt Grieksch en denkt Grieksch. Hij weet zich
een schuldenaar van Grieken en barbaren; kan zoo een
geboren jood spreken? Doorloopend geeft hij den
indruk, zelf buiten het Jodendom te staan. Zijn
uitsluitend gebruik van de Grieksche vertaling van
het O.T., [102] en niet van den grondtekst, wijst
eveneens op onjoodsche herkomst. Tot zijn bronnen
behoort het Alexandrijnsche Boek der Wijsheid van
Salomo (vgl. 1 : 18–32 met Wijsh. 13 ; v. 9 : 19, 22
met Wijsh. 12 : 12; 15 : 7) en hij volgt den stijl
van de Grieksche wijsgeerige levenswijsheid dier
dagen.
Onmogelijk kan men zich de lezers van dezen brief
voorstellen als menschen, die omtrent het
Paulijnsche geloof moeten worden ingelicht; zij
blijken daarvan reeds volmaakt op de hoogte en in de
geheele wereld is hun geloof bekend (15 : 4 v.; 1 :
8). Hun bekeering ligt reeds in een vrij ver
verleden (13 11) en zij staan bloot aan vervolgingen
(12 : 12, 14 ; 5 : 3–5 ; 8 : 17 vv.). Nu heeft noch
Paulus noch een van diens reisgenooten de gemeente
te Rome gesticht; dikwijls nam hij zich voor haar te
bezoeken, maar werd daarin verhinderd (1 : 13) ; nu
zal het er echter spoedig van komen (15 : 22). Maar
waartoe dan deze lange brief vóór die ophanden
komst? en als deze noodig was, waarom hem dan zoo
lang uitgesteld? Het merkwaardigste is wel, dat deze
Romeinsche gemeente buiten Paulus' prediking om zich
het Paulijnsche geloof heeft verworven (1 : 8, 11
v.). Want wat de Paulinist in de woorden genade,
geloof, gerechtigheid, openbaring, geest legde, had
nog nooit een Griek of Jood daaruit gehoord. Hoe
konden dan die Romeinen deze dingen zoo maar in
dezen brief verstaan? De aangesprokenen, ofschoon
goed onderlegde en wereldberoemde Paulijnsche
Christenen, moeten nog, als geroepen heidenen, tot
gehoorzaamheid aan het geloof worden gebracht (1 : 5
v.). Terwijl Paulus niet wenscht te bouwen op een
door anderen gelegden grondslag en slechts
zendingsarbeid verricht, waar de naam van Christus
nog onbekend is (15 : 20), komt hij door het
schrijven van dezen brief met dat beginsel in
volmaakte tegenspraak.
W. B. Smith en na hem Harnack, hebben echter aan een
afwijkende lezing van 1 : 7 den voorkeur gegeven,
die de woorden „te Rome“ mist. Men kan moeilijk
begrijpen, dat bij meer dan één tekstgetuige die
woorden zouden zijn weggelaten; beter dat zij zijn
ingelascht. In dit laatste geval moet de
ver[103]taling van het vers luiden : aan al de
zijnden; geliefden Gods, geroepen heiligen“. Met die
„zijnde“ zijn dan in mystieken zin aangeduid de
Christenen als deelhebbers aan „den Zijnde“ = God
den Vader, een bij Origenes bekend spraakgebruik.
Elders (Ef. 1 : 1) zullen wij hetzelfde verschijnsel
aantreffen.
Ondanks de katholiseerende bewerking vertoont het
geschrift nog sporen van een Gnostieken achtergrond.
Als God Zijn Zoon uit den hemel heet te hebben
gezonden in gelijkheid aan zondevleesch (8 : 3), —
zijn lichaam is niet het gewone; dat uit zondig
vleesch bestaat, — dan is dat docetisch. God heeft
hem voor ons overgegeven, nl. aan de lagere in deze
wereld heerschende machten (8 : 32), om ons daarvan
vrij te knopen. Die machten houden hem voor een
mensch en herkennen in zijn schijngestalte niet den
Heer der heerlijkheid; zij dooden hem en verspelen
daardoor haar recht op hem en de zijnen (vgl. 1 Cor.
2 : 8; Hemelvaart v. Jesaja 11 : 16). God ontrukt
hem immers weer, en nu voorgoed, aan den dood en
daarmede aan de heerschappij der kosmische, machten,
door hem op te wekken (4 : 24; 8 : 11; 6 : 4, 9; 7:
4). Wie dit Evangelie aannemen worden zich onder
leiding van den H. Geest bewust, zonen Gods te zijn
(8 : 14 vv.). Eerlang mag hun openbaring worden
verwacht (8 : 19 vv.); de schepping is over de
Christenen in barensweeën en hoopt, althans volgens
de lezing van den Gnosticus Basileides (bij Hippol.
VII 25 en 27), spoedig van hen verlost te worden;
zij passen nl. niet in haar kring en derhalve stoot
zij hen gaarne uit. Haar zuchten heeft ten doel, dat
alle menschen van hier omhoogstijgen. De Natuur
wordt dus niet bevrijd, — daaraan doet de
Katholieke tekst denken; maar de Natuur keert terug
tot haar ouden staat als gewrocht van den
Wereldschepper, met wien de zonen van den eenigen
waren God niets te maken hebben. God is niet langer
de Onbekende, maar Abba, Vader (8 : 15). Zoo wordt
hier naast den God, dien Paulus „mijn“ God noemt (1
: 8) en die Vader is (1 : 7; 8 : 15) een andere
voorondersteld.
Het volstrekte karakter van de genade wordt hier
tegenover bedenkingen van aanhangers der Joodsche
Wet verdedigd. Mar–[104]cion las in zijn brief niet
het tractaat over Israël (9–11), dat door eigen
schuld verworpen is, maar waarvoor de beloften
niettemin blijven gelden. De val van Israël werd het
middel om de heidenen tot het heil te brengen;
zoodra dit doel is bereikt, zal Israël naijverig en
ten slotte in zijn geheel gered worden. In een meer
oorspronkelijken vorm zal deze brief uit den
Marcionietischen hoek te Rome gekomen en daar in
een Katholieken geest geredigeerd zijn.
Uit wetswerken, leert onze auteur, wordt geen
vleesch voor den goddelijken Rechter
gerechtvaardigd, want de Wet doet alleen maar de
zonde kennen, doch neemt haar niet weg (3 : 20). De
nieuwe openbaring van Gods gerechtigheid gaat buiten
de Wet om; zij wordt door het geloof in Christus als
genadegave ontvangen. Jood en heiden worden om niet
gerechtvaardigd op grond van de vrijkoopiag in
Christus Jezus, dien God als zoenmiddel heeft
gesteld om zoo Zijn toorn over de menschelijke zonde
te doen bedaren (3 : 21 vv.). Het resultaat van
Christus' dood eigent men zich toe door het geloof
(5 : 8 v.; 6 : 1 vv.; vgl. 2 C. 5 : 18 vv.). Die
offertheorie doet de hand van den Redactor
vermoeden, die door Joodsche bijmengselen en vele
O.T.ische bewijsplaatsen het Paulinisme aannemelijk
wilde maken. Het oorspronkelijke Paulinisme heeft
immers door Christus offer den mensch laten
loskoopen van de kosmische machten, nl. den
Wereldschepper en diens trawanten.
Wanneer de genade zoo als het een en al wordt
beschouwd, trekken sommigen licht de consequentie,
dat men maar bij de zonde moet volharden, opdat de
genade te overvloediger worde (6 : 1, 15). Deze
libertinistische eenzijdigheid wijst onze auteur af.
Door den doop staan de Christenen met Christus in
mystieke gemeenschap; zij hebben deel gekregen aan
zijn dood en opstanding, zoodat zij nu der zonde
zijn afgestorven en Gode leven (6 : 1 vv.). De kern
van den Paulijnschen godsdienst : het sterven en
begraven worden met Christus om met hem te leven,
wordt ons pas duidelijk, wanneer wij denken aan de
Hellenistische mysteriën. Het lot, dat de godheid
eens in het verleden heeft ondergaan, wordt in
bepaalde cultushande–[105]lingen voor oogen gesteld
en herhaalt zich in den geloovige. Desgelijks
doorleeft ook de in het Christusmysterie ingewijde
in de gemeenschap met Christus alles, wat deze heeft
beleefd (5 : 6–12; 6 : 1–11 ; 7 : 5–25 ; 8 : 1–14).
Doop en Avondmaal zijn inwijdingsriten met
sacramenteel–realistische kracht; zij doen den
mensch uit den staat der zonde overgaan in dien der
genade. God helpt in alle dingen mede ten goede hen,
die Hem liefhebben (8: 28). Hem heeft God van te
voren uitverkoren, daarna geroepen, gerechtvaardigd
en vergoddelijkt (8 : 30) ; juist de vier trappen,
die het heilsproces van de mysteriën kenmerken.
Is door Adams overtreding de zonde in de wereld
gekomen en daarmede de dood, door Christus'
rechtvaardige daad komt de rechtvaardiging van
Godswege, die tot het Leven behoort (5 : 18). Wie
Christus' dood in den doop tot zijn eigen dood heeft
gemaakt, dient God in nieuwheid van geest en niet in
oudheid van letter (7 : 6). Slaafsche vrees heeft
dan afgedaan; kinderlijk vertrouwen treedt in de
plaats (8 : 15). Dit alles is Gnostiek gedacht. Ook
in de Mandeesche geschriften heet de Verlosser
altijd tegenwoordig in de gemeente, evenals het
Woord en het Sacrament; maar tegelijk is hij altijd
komende en prijst men hem als dengene, die gekomen
is en die komt, terwijl men zijn komst in sacrament
en prediking beleeft. Dat het inwonen van Gods Geest
gelijk is aan het inwonen van Christus (8: 9–11) en
God zelf in den Christen bidt (8: 15) zijn zuiver
mystieke gedachten.
Christologie, leer van den hemelschen en aardschen
mensch, van den dood als gevolg der zonde, van de
vernietiging van den dood door Christus' dood, —
tegader zijn het in ethischen zin gewijzigde oude
mythologische denkbeelden, zooals wij die bij Attis
en Osiris ook vinden. Loisy heeft er de aandacht op
gevestigd, dat Mithras gelijk Christus zijn
heilswerk vrijwillig verricht en als zedelijke held
verschijnt.
LITERATUUR
Bruno Bauer, Kritik der paulinischen Briefe, Berl.
1852. – W. C. van Manen, Paulus II, Leiden 1891. –
Grafe in Theol. Abhandlungen C. v. Weizsäcker
gewidmet 1892: 270ff–. – Alfred Loisy, Les mystères
païens et le mystère chrétien, Par. 1930. – R.
Reitzenstein, Die hellenistischen
Mysterienreligionen 3, Lpz. 1927. – L. Gordon
Rylands, A critical analysis of the four chief
Pauline epistles, Lo, 1929; id., in N.T.T, 1928
p.118vv.. – W. B. Smith, in Journal of Biblical
Literature 1901. – A. Harnack, in Zeitschrift für
die N.T.liche Wissenschaft 1902 : 8; ff. – Mijn
studie in Aldus Indiaas Cultuur, Erlangen, 1927 p.
74 ff.
[107]
2. Paulus' eerste Brief aan de Corinthiërs.
Allerlei vragen komen hier ter sprake, die met het
gemeenteleven verband houden : partijschappen (1 :
10 vv.; 3 : 1 vv.); onzedelijkheid (5 : 1 vv.); het
rechtzoeken bij ongeloovigen (6 : 1 vv.); het
huwelijk (7); onreinheid van offervleesch (8 : 1
vv.); het recht van den Apostel om van het Evangelie
te leven (9); Avondmaalsviering (11 : 17 vv.);
tongentaal (14). Daartusschen door treffen wij de
beroemde pericopen aan over goddelijke en wereldsche
wijsheid (1 : 18 – 2 : 16), de aan Livius
herinnerende vergelijking van de veelvormige
Christengemeenschap met het ééne lichaam, dat vele
leden heeft (12 : 12 vv.) en het hooglied der liefde
(13). Uit het vermelde kan men reeds opmaken, dat de
belangstelling van dezen schrijver meer uitgaat naar
het leven dan naar de leer. Slechts wat hij [108]
over de opstanding schrijft (15) is een dogmatisch
betoog. Over het algemeen missen wij den kalm
onderrichtenden toon van den schrijver aan de
Romeinen; onze brief is levendiger en opgewekter van
voordracht.
Wie schrijven kan: „den Joden ben ik een Jood
geworden om Joden te winnen“ (9 : 20) en „zie het
Israël naar het vleesch“ (10 : 18) kan geen Jood
zijn. Deze Paulus behoort met de overige Apostelen
tot het verleden (3 : 4 vv.; 4 : 9). Hij is een
ideaal ter navolging en zegt: „ik zou willen, dat
alle menschen waren als ik zelf (7 : 7). Hij dreigt
met zijn komst tot hun bestraffing (4 : 18, 21) en
vraagt : „moet ik met den stok bij u komen of wel
met liefde en den geest der zachtmoedigheid“? (9 :
21). Hij schrijft vergaderingen uit, waarbij zijn
geest als leidende factor werkzaam is (5 : 4) en
treedt als tusschenpersoon op tusschen Christus en
de gewone Christenen (11 : 1). Op zijn werk
terugziende kan hij den omvang daarvan vergelijken
met dien van den arbeid der andere Apostelen; zijn
werk is dus afgesloten (15 : 8 vv.). Gelijk elders
den lezers Gods liefde wordt toegebeden, schrijft
deze „Paulus“ : „mijn liefde is met u allen in
Christus Jezus“ (16 : 24). Hij is de leeraar van
alle gemeenten, in Katholieken zin (4 : 17; 7 : 17;
11 : 16). Reeds bestaat er een geordend
gemeenteleven met verschillende kategorieën van
ambtsdragers (12 : 28 vv.) ; wij hooren van grooten
en kleinen ban als tuchtmiddelen (5 : 5, 9–13). In
zuiver Katholieken geest wordt eenheid van
uiterlijke belijdenis aanbevolen : allen moeten
eensgezind zijn, zonder verdeeldheid vereenigd in
hetzelfde gevoelen en dezelfde meening (1 : 10).
Keerzijde van dezen eisch is de polemiek tegen
Paulinisten van de uiterste linkerzijde,
Hyperpaulinisten, die zichzelf „wijzen“ achten en
zich verheffen (3 : 18; 4 : 6–13), oude Joodsche
zeden verachten en uitsluitend op gnosis vertrouwen
zonder liefde te laten gelden (5 : 1 v.; 8 : 3,
9–13).
Dat de hier gegeven gemeenteregelen niet zijn
uitgelokt door concrete behoeften van de gemeente te
Corinthe, blijkt uit de scheurmakers of
partijmannen, die zich niet alleen naar Paulus,
Apollos en Kephas noemen, maar ook naar Christus
[109] (1 : 10). Men zou denken, dat dit laatste geen
blaam verdiende en elders geldt het als iets goeds
(2 Cor. 10 : 7); in het vervolg vinden wij die
Christuspartij niet meer vermeld (3 : 21). Clemens
Romanus (Cor. I 47 : 3) mist haar eveneens, als hij
op onzen brief zinspeelt. Slechts bij wijze van
spreken, niet als historisch gefundeerd gegeven,
wordt hier van partijen gesproken. Op de
eensluidendheid der apostolische prediking valt de
nadruk (15 : 11).
Tegenover de wijsheid dezer wereld of der menschen,
waarvan in den loop der geschiedenis bleek, dat men
er God niet mee kon leeren kennen (1 : 20–24), stelt
Schrijver de goddelijke wijsheid, die zich in geest
en kracht openbaart (2 : 4 v.). De toegesprokenen
zijn daarvoor nog niet rijp; men moet daarvoor
volmaakt zijn, toegerust met den Geest (2 : 6 vv.).
. De heerschers dezer eeuw kennen haar evenmin (2 :
8). Wij worden hierbij herinnerd aan het gezegde van
Justinus (Apol. 154 vv.), dat de demonen achter de
geheimen der verlossing trachten te komen, maar door
onverstand slechts belachelijke heidensche mythen
doen ontstaan. Slechts de geest van den mensch kan
het wezen van den mensch kennen; zoo kent ook
niemand het wezen der godheid dan de Geest Gods (2 :
11 v.). Tot de terminilogie der Gnosis behoort het
„gekend worden door God“ (13 : 12 ; vgl. Gal. 4 : 9
; Phil. 3 : 12 ; Hermetica 1 : 31; Philo, Kaïns
nakomelingschap 13), dat vrijwel uitverkiezing door
God beteekent.
De hier gegeven oplossing van het huwelijksvraagstuk
klinkt Katholiek: trouwen is goed, niet trouwen
beter. Zoowel een overdreven spiritualisme, dat den
geestelijken mensch (den geestelijke!) ascetisme
voorschrijft, als een nuchter realisme, dat voor
bestendiging van de Kerk op aarde zorgt, vinden hier
erkenning (7 : 1–9). Als argument voor het coelibaat
doet hier dienst wat ook de Stoicijn Epictetus leert
: de gehuwde geraakt in wereldsche zorgen verstrikt;
de ongehuwde kan zijn zorg uitsluitend op den Heer
richten (7 : 32 vv.).
Het verbod voor de vrouw om in de gemeentelijke
samenkomsten met ongesluierd hoofd te verschijnen
wordt gemoti–[109]veerd door het gevaar, dat
engelen, die daar blijkbaar tegenwoordig zijn,
verliefd op haar zullen worden (11 : 10). Talrijke
ziekten en sterfgevallen in de gemeente worden als
straffen beschouwd voor een ongepast gedrag bij den
maaltijd des Heeren (11 : 30). Het middel, dat
onsterfelijkheid verstrekt, wordt bij onwaardig
gebruik gevaarlijk, ja doodelijk. Extatisch spreken
in tongen, d.w.z. het uitstooten van onverstaanbare
ongearticuleerde klanken, moge nuttig zijn voor
particuliere stichting, onze auteur acht het voor de
gemeente slechts van waarde, wanneer het van
verklaring vergezeld gaat (14 : 3 v.); de profetie
schat hij honger (14 : 5 vv.). Dat een vrouw in de
vergadering spreekt, acht hij ongepast (14 : 35).
Tusschen de regelen voor het gebruik van de
geestelijke gaven (12 en 14) staat zonder verband
het loflied op de liefde (13), waaraan een
Stoicijnsche bron ten grondslag schijnt te liggen,
die ook door den Stoicijnsch getinten Platonist
Maximus van Tyrus in de 2de eeuw zal zijn nagevolgd.
Tegenover de vele andere gaven (12 : 4 vv.) staan
slechts drie genadegaven geloof, hoop en liefde;
deze, waarvan de liefde de grootste is, zijn eeuwig,
terwijl de andere tijdelijk zijn. In plaats van
enthousiasme en extaze treedt hier de kerkelijke,
Katholieke moraal, — op haar best!
De behandeling van het laatste groote thema van den
brief, de opstanding (15), maakt tegenover het
voorafgaande een zelfstandigen indruk. Intusschen
blijkt dit hoofdstuk op zichzelf een samengesteld of
overgewerkt geheel. Het begint met een laat
Katholiek toevoegsel, dat niet aan historisch
onderzoek maar aan dogmatiek zijn ontstaan dankt (15
: 1–11); daarop volgt een verhandeling over
onsterfelijkheid, geschreven, toen het Gnostieke
geloof in de geestelijke opstanding contrabande werd
en het anti–docetische gevoelen der wordende Kerk
Jezus met een lichaam van vleesch en bloed deed
opstaan. Wel is het opstandingslichaam anders dan
het aardsche, verheerlijkt; ook op aarde treft men
immers velerlei lichamen aan en het vleesch van
levende wezens verschilt sterk; hemellichamen hebben
zelfs een lichtsubstantie. Gelijk de zaadkorrel moet
[111] sterven om opnieuw bekleed te worden, zoo laat
een ziel haar oude kleed bij den dood in de aarde en
wordt met een hemelsch lichaam bekleed (15 : 35
vv.). Een opvatting, die het midden houdt tusschen
de geestelijke opstanding der Gnostieken en de
vleeschelijke der Joden.
Zonder eenige critiek deelt Schrijver mede, dat men
zich voor ongedoopte overledenen laat doopen, met de
bedoeling, hun de opstanding te verzekeren (15 :
29). Klaarblijkelijk beschouwt men dan den doop als
een magisch werkend sacrament. Evenals de
cultusmaaltijd van de heidenen verbintenis in
reëelen zin met de demonen bewerkt, zoo het
Christelijk Avondmaal verbintenis met Christus (10 :
1 vv.). Van de tafel des Heeren (10: 21) wordt op
dezelfde wijze gesproken als van de tafels van den
Heer Serapis en van Herakles.
Hoewel er slechts één God is (8 : 4), erkent
Schrijver toch de aanwezigheid van vele wezens in
hemel en op aarde, die men goden noemt, en die ook
inderdaad goden en heeren zijn; maar, zegt hij,
„voor ons is er één enkele God, de Vader, van Wien
alles komt en wij zijn voor Hem, en er is één Heer;
Jezus Christus, door wien alle dingen zijn en wij
door hem“ (8 : 5 v.). Dit is minder monotheïstisch
dan wel monolatristisch (de vereering van één god
bij erkenning van meer dan één) uitgedrukt (vgl. 2
Cor. 4 : 4).
Schrijver stelt de vereeniging van den geloovige met
Christus voor door het beeld van
geslachtsgemeenschap (6 : 17, vgl. 16). Christus,
Kracht Gods en Wijsheid Gods (1:24) is een
Alexandrijnsche voorstelling, de verpersoonlijkte
Platonische Idee of eerstgeborene van den Vader, die
bij Philo (Spraakverwarring 28) „voorbeeldelijke
mensch“ heet. LITERATUUR
W. C. van Manen, Paulus III, Leiden 1896. E.
Mosiman, Das Zungenreden, Tüb. 1911. – Richard
Reitzenstein, Historia Monachorum und Historia
Lausiaca, Gött. 1916, 100 ff., 242 ff.. – E. Lehmann
und A. Friedrichsen in Th. St. Kr. 1922, p. 55 ff..
[112]
3. Paulus' tweede Brief aan de Corinthiërs.
Ofschoon deze brief door twee schrijvers heet te
zijn opgesteld : Paulus en Timotheus, vinden wij
dikwijls het onderwerp in het enkelvoud gebruikt.
Eigenaardig is de afwisseling in een vers als dit:
„Wij schrijven u niets anders dan wat gij leest en
ook verstaat. En ik hoop, dat gij het volkomen zult
verstaan gelijk gij reeds ten deele verstaan hebt
van ons : dat wij uw roem zijn, evenals gij de onze
ten dage van onzen Heer Jezus Christus“ (1 : 13 v.).
Over den uitgebreiden kring van geadresseerden en de
niet speciaal voor Corinthe bestemde vermaningen
sprak ik boven reeds (1 : 1 v.; 9 : 2 ; 11 : 10).
Allerlei sporen van aanhechting en bewerking
verraden weer het samengesteld karakter van dit
geschrift; blijkbaar heeft Schrijver verspreide
stukken tot één geheel verwerkt met het doel om
Paulus te verheerlijken door diens verhouding tot de
geloovigen te teekenen, hem tegenover zijn
bestrijders te verdedigen en onderling liefdebetoon
aan te bevelen, – alles tot leering en stichting van
alle Christenen.
Heeft Paulus volgens de kerkelijke overlevering de
gemeente te Corinthe gesticht en wel een 5–tal jaren
vóór het schrijven van dezen brief, dan vragen wij
ons af: hoe konden die Corinthiërs zoo spoedig gaan
twijfelen aan Paulus' apostelschap? Spreekt hij de
hoop uit, hen spoedig weer te bezoeken (12 : 14,
20), dan schijnt dit uitvoerig schrijven wel
overbodig. Maar wij herinneren ons, dat dit tot de
inkleeding der Paulusbrieven behoort, gelijk ook de
afwisseling van vriendelijkheid en gestrengheid in
den toon. Schijnt in het eerste gedeelte (1–9) de
Apostel met de gemeente al weer verzoend te zijn na
voorgekomen moeilijkheden en spreekt hij
vertroostend en opbeurend tot haar, in de vier
volgende hoofdstukken verkeert hij met haar nog in
heftig conflict en moet hij zijn recht op het
apostelschap nog tegenover haar verdedigen; zijn
tegenstanders noemt hij leugenapostelen en
Satansdienaren (11 : 3, 18 vv.; vgl. 7 : 11). Met
het oog daarop heeft men van den „brief van vier
hoofdstukken“ gesproken (10–13), die
afzon–[112]derlijk zal hebben bestaan en vóór de
eerste negen hoófdstokken zijn geschreven. Daarbij
gaat men dan uit van de ons reeds onhoudbaar
gebleken vooronderstelling, dat hier een
persoonlijke uitwisseling van gedachten vóór ons
ligt. In het genre Oudchristelijken brief zijn
dergelijke oneffenheden algemeen en verbazen ons dus
niet.
Gelijk in den eersten brief zijn de tegenstanders
hier de Paulinisten der linkerzijde.
Paulus verschijnt als autoriteit, het middelpunt van
de geloovige gemeente, die zich uit zijn lijden
troost leest (1 : 3 – 11; 4 : 15); als martelaar
lijdt hij plaatsvervangend ten bate van de
geloovigen en is bemiddelaar van de heilswerken van
Christus (1 : 5–7). Zijn komst heet een genadebewijs
en er wordt over hem gesproken als over een
verschijning uit de goddelijke wereld (1 : 15), ja,
als over een anderen Christus. De kracht van
Christus daalt op hem neer en met zijn ganschen
Geest woont Christus in hem.
De bediening des Geestes, het Paulinisme, wordt
tegenover de bediening van de letter, de Wet van
Mozes, gesteld (3 : 12 vv.). Van een daartusschen
liggende prediking van Jezus of diens leerlingen,
gelijk men zich die als grondleggend voor het
ontstaan van het Christendom pleegt te denken, is
hier geen sprake. De Heer is de Geest en waar de
Geest des Heeren is, is vrijheid en de geestelijke
geloovigen spiegelen zich in de heerlijkheid des
Heeren, nadat de bedekking is weggenomen, die
indertijd op Mozes' gelaat het vrije uitzicht op de
heerlijkheid, evenals de werking van die
heerlijkheid op de menschen, belette. Dan worden zij
naar het beeld van die goddelijke heerlijkheid
veranderd, van de eene heerlijkheid tot de andere (3
: 8). Hier hebben wij de uit de mysteriën bekende
vergoddelijkingsmystiek. Gelijk Lucius in Apuleius'
roman : „de Gedaanteverwisselingen“, nadat hij bij
zijn inwijding in het Isismysterie den Zonnegod in
stralend licht en de goden van boven– en onderwereld
heeft aanschouwd; zelfs een incarnatie wordt van den
Zonnegod (XI 23 v.) gelijk ook in de Hermetische
geschriften geleerd : “het beeld Gods moet gij met
de [114] oogen des harten beschouwen en daardoor den
weg tot de hoogere wereld vinden“ (4: 11) en „als
het goddelijke uw geest en ziel verlicht, verandert
het er tot de goddelijke substantie (10 : 6); zóó
betuigt onze auteur, dat God, die eens het licht
schiep, ook in hem een licht heeft doen opgaan, de
Gnosis, de heerlijkheid Gods op Christus' aangezicht
(4 : 6).
Merkwaardig is de voorstelling, dat de Zijnden,
d.w.z. de geestelijke wezens, de ware Christenen,
zich in het lichaam, deze aardsche tentwoning,
bezwaard gevoelen en zuchten, omdat zij niet
ontkleed, maar opnieuw bekleed willen worden (5 :
4); het is hun niet te doen om te sterven, maar om
van het sterfelijke verlost te worden door deel te
krijgen aan het Leven; bij levenden lijve willen zij
het hemelsche kleed, dat in wezen Leven is,
aantrekken, opdat het sterfelijke kleed door dat
Leven worde opgezogen of verslonden. In Christus is
men een nieuw schepsel. Alles in dezen brief ademt
Christusmystiek. Met Christus gestorven heeft men in
het nieuwe leven niet langer de beschikking over
zichzelf, maar wordt men beheerscht door het
beginsel van de Christusliefde (5: 14). In Paulus
spreekt en werkt Christus (13 : 3); hij is orgaan
van Christus en zijn woorden zijn Christuswoorden.
Maar zonder het lijden van Christus ware dit alles
niet mogelijk. Gelijk die uit zwakheid is gekruisigd
en toch uit Gods Kracht leeft, zoo is Paulus zwak in
Christus, maar zal met hem leven ten bate van de
geloovigen en wel uit Gods Kracht (13 : 4). Draagt
hij al Jezus' sterven in zich om, niet minder wordt
Jezus' leven in hem openbaar (4: 10). Paulus' lijden
komt den geloovigen ten goede (6 : 4 vv.); Christus
leeft in hen en zij staan met den Heer in mystiek
verband (13 : 5). „Is iemand in Christus, dan is hij
een nieuwe schepping“ (5 : 17). Het zichtbare is
tijdelijk, het onzichtbare eeuwig (4 : 18), – dat
had ook Plato geleerd, die alleen het geestelijke
voor werkelijk verklaarde : God is, de wereld wordt
en vergaat (Phaedo 100 v.).
LITERATUUR
W. C. van Manen Paulus III, Leiden 1896. – H.
Windisch, Der zweite Korintherbrief, Gött. 1924;
id., Paulus und Christus, Lpz. 1934.
[115]
4. Paulus' Brief aan de Galatiërs.
De bekende eigenaardigheid van den Paulusbrief
vinden wij ook hier, als Paulus alleen en Paulus met
een staf van broeders blijkt te schrijven (1 : 2, 8
v.). Om tusschen den inhoud van dezen brief met de
berichten omtrent Paulus' reizen in Hand
overeenstemming te laten heerschen, heeft men in het
Galatië van het adres de Romeinsche provincie van
dien naam vermoed, die veel meer omvatte dan het
Galatië in engeren zin, zoodat Paulus zich in dit
schrijven tot gemeenten in Lystra, Derbe enz.
gericht zou hebben. Terecht heeft Schürer deze
hypothese een wonderlijke dwaling van de critiek
genoemd en de Galatiërs van den brief in het
eigenlijke Galatië, het centrale plateau van
klein–Azië, het oude Keltenland, het gebied van de
rivier de Halys gezocht. Nergens blijkt nl. dat de
bewoners van Pisidië en Lycaonië ooit Galatiërs zijn
genoemd. Hoe zou een brief met dit adres juist de
eigenlijke Galatiërs bedoelen buiten te sluiten?
Maar dan rijst de groote moeilijkheid, dat Paulus,
die als stichter geldt van de Galatische gemeenten
(1 : 6–9), volgens Hand. nooit in dat bergland is
geweest. Voorts verbaast ons de vooronderstelling,
dat zij voor Paulijnsche prediking vatbaar waren en
als gemeenten zeer hoog heeten te staan (3 : 1–5),
ja, zelfs dat zij dezen brief hebben kunnen
begrijpen, wat men van een onbeschaafd bergvolk niet
kan verwachten. Loman vergeleek dan ook dezen brief
aan deze lezers met „Hegel voor de Atchineezen“.
Gesteld echter, dat zij kort geleden in staat waren
geweest om het diepzinnige Paulijnsche Evangelie te
verstaan en te beamen, hoe kunnen zij dan nu
plotseling afvallen en hoe kunnen deze geestelijke
Christenen, – niet een enkele, maar allen, – de
prooi worden van „iemand“ of „eenigen“, die voor
besnijdenis ijveren (1 : 6 v.; 3 : 1; 4 : 8–11; 6 :
12 v.) ? Hoe kunnen zij aldus Paulus' geheele
zendingswerk onder hen verijdelen? Zoolang hij bij
hen was ging alles goed (4 : 18), maar hij is niet
weg, of al die overtuigd Paulijnsche Christenen in
al die [116] Galatische gemeenten willen zich
plotseling laten besnijden. In strijd met den ons
van elders bekenden verdraagzamen geest, die Paulus
allen alles laat worden om allen voor het Evangelie
te winnen (1 Cor. 9 : 19 vv.), behelst deze brief
heftige uitspraken in menigte. Al dadelijk (1 : 8)
een vervloeking en nog wel met herhaling (1 : 9); de
betiteling : „onverstandige Galatiërs“ (3 : 1, 3);
de woorden: „zoo gij u laat besnijden, baat Christus
u niet“ (5 : 2); „losgemaakt van Christus zijt gij,
die door de Wet als rechtvaardig wordt erkend; van
de genade zijt gij vervallen“ (5: 4). Het
allerscherpst klinkt wel: „Och mogen zij zich zelfs
laten versnijden (= castreeren; Calvijn vond dit te
kras en vertaalde „ondergaan“), die u tot opstand
brengen (5 : 12). Alles wat over dien afval wordt
gezegd is echter even vaag, zoodat het voor tal van
plaatsen kan gelden. Waar eens op een bepaalde
omstandigheid wordt gezinspeeld, wint de situatie
niet aan duidelijkheid
Paulus had niet in Galatië willen vertoeven, maar
ziekte dwong hem: „wegens (niet : ondanks) ziekte
heb ik u gepredikt (4 : 13). Er is toch zeker een
buitengewone krachtsinspanning naar lichaam en geest
noodig om een vreemd volk te kerstenen, in een
uitgestrekt land met vele steden en zonder bepaald
centrum. Gaat dat zoo maar incidenteel en nog wel
„wegens ziekte“? Men heeft naar den aard dier ziekte
gegist en aan epilepsie, malaria, melaatschheid
gedacht; ook wel aan een oogziekte als gevolg van de
te Lystra ondergane steeniging (Hand. 14 : 19). Maar
ziekte of zwakheid is het traditioneele
verschijnsel, dat de gaven van den man Gods
vergezelt, opdat hij niet roeme in zichzelf (vgl. 2
Cor. 12 : 7 vv.).
Wil Schrijver de deelneming der Galatiërs in Paulus'
lijden uitdrukken, dan vervalt hij in geweldige
overdrijving : als een engel Gods, als Christus
Jezus zelf hebben zij hem opgenomen (4 : 14). Hoe
kwamen die heidensch denkende en gevoelende menschen
op dit toch niet zoo voor de hand liggende
denkbeeld? Heet het vervolgens, dat zij hun oogen
uitgegraven zouden hebben en hem gegeven, als dit
mogelijk ware geweest (slechts het woord
noodig zou hier zin hebben gehad), dan [117]
schijnt toch wel tot een klein kringetje van intieme
vrienden te worden gesproken. Men vergete echter
niet, dat Paulus dit schrijft aan de gemeenten
van Galatië! Een duidelijk bewijs voor het
gekunstelde van het geheel. De bekeering van Galatië
wordt als een wonder Gods en de. Apostel als een
bovenmenschelijk wezen geteekend.
Het geschiedkundig deel van den brief (1 : 6 – 2 :
21) bevat een verdediging van Paulus'
zelfstandigheid, maar het geheel is een heftig
pleidooi voor de leer der rechtvaardiging uit het
geloof en niet uit Wetswerken. Toch wordt telkens
iets teruggenomen van de scherpste uitlatingen. Gaat
Paulus, 17 jaar na zijn bekeering naar Jeruzalem,
dan geschiedt dit door hoogere leiding (2 : 2), maar
toch ook uit vrees voor bedenkingen van sommigen (2
: 1–10). Tegen de Apostelen aldaar valt hij bitter
uit; hij acht zich hun meerdere en wil geen
gemeenschap (2 : 6), en toch legt hij hun zijn
Evangelie ter beoordeeling voor, en zij dwingen hem
tot niets, ja, steken hem de vriendenhand toe (2 :
9). Toen Paulus door een openbaring van Christus was
bekeerd, raadpleegde hij niemand van hen, die vóór
hem Christenen waren (1 : 17). Allard Pierson
vestigde de aandacht op het onwaarschijnlijke van
dit gegeven door de volgende parallel: een jongere
tijdgenoot van Plato, uit Zuid–Italië geboortig, die
als vurig Sophist zich innig heeft verheugd over
Sokrates' dood, maar eenige jaren later tot andere
gedachten komt, ziet nu in, dat gelijk Sokrates te
denken, te gevoelen, te leeren, te leven, zich met
Sokrates geheel en al te vereenzelvigen, het ééne
noodige is. Wat doet hij nu? Vlug naar Athene
reizen, waar Plato en Acibiades nog leven, die
Sokrates hebben gezien en gehoord en gekend? niets
van dat alles. Hij reist naar Egypte, vertoeft daar
drie jaar, schrijft en spreekt sedert levenslang
over Sokrates en wordt door een lichtgeloovige
wereld gehouden voor den geloofwaardigsten getuige
omtrent den wijze, den betrouwbaarsten tolk van
diens leer en bedoeling!
Het werk van een vurig Paulinist in Marcion's geest
is in dezen brief door een bezadigd katholiseerend
Paulinist gema–[118]tigd. Deze dubbele herkomst
blijkt uit de dubbele benaming van den Rotsman, die
afwisselen Kephas en Petrus heet; van de hoofdstad
der joden, die Hieroesalem en Hierosolyma wordt
genoemd. Wordt „Abrahams' zaad op de eene plaats (3
: 7, 29) als titel voor de geloovigen gebruikt,
elders voor Christus (3 : 16). Er is maar één
Evangelie, het Paulijnsche, – aldus de
oorspronkelijke, onverzoenlijke auteur; er is een
dubbel Evangelie, want ook het meer Joodsch getinte
wordt erkend, aldus de Katholieke redacteur, die elk
wat wils geeft (1 : 6). Naast het scherpe ijveren
tegen de besnijdenis staat onverschilligheid ten
opzichte van deze practijk (5 : 6; 6 : 15). Ofschoon
de Galatiërs aanstonds in het Paulijnsche Evangelie
zijn onderwezen, worden zij geacht het O.T., en met
name de Wet degelijk te kennen.
Gnosis (Marcion) en wordende Groote Kerk (Justinus)
zijn de beide factoren, die wij telkens bij het
ontstaan van den kanonieken Paulusbundel mogen
vooronderstellen. Van Manen heeft getracht den
korteren brief, zooals Marcion dien bezat, te
herstellen en maakte de hoogere oorspronkelijkheid
daarvan aannemelijk. Tertullianus noemt Paulus
tegenover Marcion : „uw Apostel“. Niet overlevering
of Schrift, maar openbaring acht het oorspronkelijk
Paulinisme het hoogst (1 : 16). Christenen zijn
geestelijke menschen; het Joodsche is het
vleeschelijke; gelijk God een tegenstelling vormt
tot de wereld, zoo ook tot de Wet, die machteloos is
om de menschen te behouden en hen zelfs onder een
vloek brengt (3 : 3, 10). De Geest, de vrijheid, het
Evangelie treden in haar plaats. Mystieke vroomheid
spreekt uit de woorden : „ik ben met Christus
gekruisigd en niet langer leef ik, maar Christus
leeft in mij“ (2 : 20). De Wet is door engelen
uitgevaardigd (3 : 19), toegevoegd aan de belofte,
die Abraham heeft gekregen, en wel „om der
overtredingen wil“; wat men heeft willen verklaren
als „ter beteugeling van de overtredingen“; maar
Augustinus en Calvijn hoorden er uit „om de
overtredingen te vermeerderen“. Hierover verspreidt
dan de brief aan de Romeinen (4 : 15; 5 : 13, 20; 7
: 11 vv.) pas het noodige licht. Trouwens allerlei
op zichzelf onverstaan–[119]bare plaatsen. in onzen
brief worden opgehelderd door wat wij ons uit vorige
brieven herinneren. Heet het : „Christus heeft ons
losgekocht uit den vloek der Wet, doordat hij voor
ons een vloek werd“ (3: 13), dan vragen wij allicht:
waarom is de Wet een vloek? en Rom. 1–2 geeft het
antwoord. Men moet het geheele daar ontwikkelde
complex van ideeën kennen om deze raadselachtige
uitdrukking te begrijpen. Zoo moet men Rom. 4 hebben
gelezen om het onvoorbereide woord te verstaan:
„Abraham geloofde in God en het werd hem tot
gerechtigheid gerekend“ (3 : 6). „Gij allen, die tot
Christus gedoopt zijt, hebt Christus aangedaan“ (3 :
27) is een combinatie van Rom. 6 : 3 en 13 : 4. Men
denkt daarbij aan de mysteriën, waar het aandoen van
het kleed van den god tot god maakt. Worden zij, die
Christus toebehooren, Abraham's zaad genoemd,
erfgenamen overeenkomstig de belofte (3 : 29), dan
moeten wij ons voor den geest roepen, hoe Rom. 9 : 6
vv. tusschen nakomelingschap naar het vleesch en
naar de belofte onderscheidt. De onmogelijkheid, dat
een man op het denkbeeld komt, wederom in
barensweeën te verkeeren over kinderen, die hij
daarenboven reeds eenmaal ter wereld heeft gebracht
(4 : 19), wordt pas verstaanbaar, als men zich I
Cor. 4 : 14 v. herinnert, waar Paulus als vader der
gemeente verschijnt, omdat hij haar het geestelijk
leven schonk. De navolger van deze beeldspraak
maakte er iets ongerijmds van. Van menschen, die
zich aan allerlei zonden schuldig maken, beweert
Schrijver, tevoren reeds gezegd te hebben, dat zij
het Godsrijk niet zullen beërven (5 : 21). Dat woord
vinden wij echter tevoren niet in onzen brief, wel 1
Cor. 6 : 9 v..
Men kan zeggen, dat de inhoud van dit geschrift een
korte samenvatting is van het stelsel, dat de
schrijver aan de Romeinen heeft ontwikkeld. Dit
weerlegt dan reeds het gevoelen der Tübinger School,
alsof deze brief als de scherpste en
onverzoenlijkste uiting van Paulus' anti–wettischen
geest zijn eersteling geweest zou zijn, waarna hij
dan in 1 & 2 Cor. en Rom. kalmer heeft geschreven.
Bruno Bauer, Steck, Van Manen keerden tot de oude
overgeleverde volgorde dezer brieven terug. [120]
Wie hen in den tegenwoordigen vorm bracht, heeft ze
blijkbaar als stukken van één boek bijeengevoegd.
Pas na 70, den val van jeruzalem, als de
priesterschap is verstrooid, kon het verhaal
ontstaan, dat Christus reeds een poos geleden was
verschenen en een nieuwe gemeente had gesticht. Het
Christendom als gezaghebende wereldgodsdienst maakt
aanspraak op het wettige erfgenaamschap van de
Joodsche hiërarchie. Jeruzalem verschijnt in dezen
brief reeds als dienstbaar (4 : 25), het jodendom
als een afgesloten geheel en de lijnrechte
tegenstelling van het Christendom.
Zien wij de verschillen van afkomst,
maatschappelijken stand en sexe in de Christelijke
gemeenschap wegvallen, dan vindt dit verschijnsel
zijn parallel in de gemeenten der mysteriediensten.
Wie zich overgeven aan den Verlosser zijn één (3 :
28 ; vgl. Rom. 10 : 12). LITERATUUR
Allard Pierson, de Bergrede e.a. Synoptische
fragmenten, Amst. 1878: 98–112 – Loman's
Nalatenschap I, Gron. 1899. – Rudolf Steck, Der
Galaterbrief, Berl. 1888. – Mijn: Pro domo in N.T.T.
1923, p. 186vv.. – Heinrich Schlier, Der
Galater–Brief, Gött. 1941. – W. C. van Manen in T.T.
1887, p. 382 vv.; 451 vv..
[121]
5.
Paulus' Brief aan de Efeziërs. Deze behoort tot denzelfden bundel als de door de Tübingers eenzijdig bevoorrechte Hoofdbrieven. Naast verwantschap van denkbeelden, van vorm en inhoud, taal en stijl, vindt men ook afwijkingen en verschillen. Maar dit is ook het geval met de Hoofdbrieven onderling. Het is ondenkbaar, dat Paulus tusschen ± 55 en 59 vier brieven heeft geschreven en dan, een 80–tal jaren later, daarvan een nabootsing verschijnt, die in geest en hoofdzaak, taal en stijl zooveel overeenkomst vertoont. Aan den anderen kant is het verschil echter wel zoo groot, dat wij dezen brief niet aan denzelfden auteur kunnen toekennen als bv. aan dien aan de Romeinen. De oplossing van het probleem biedt de boven voorgestane beschouwing der brieven, die hun ontstaan danken aan verschillende schrijvers uit een en denzelfden kring. Paulus bleek ons een verzamelnaam, als in het O.T. Mozes, David en Salomo. De verschillen kan men deels verklaren uit het hier aan de orde gestelde onderwerp, deels uit het feit, dat hier een andere schrijver aan het woord is. Deze handelt hier over de Kerk; maar 1 Cor. bevat het woord Kerk 22 maal, terwijl het in Rom. 1–15 nimmer voorkomt en Rom. 16 het 5 maal heeft. Niemand zal op grond hiervan willen beweren, dat 1 Cor. dan tientallen jaren na Rom. moet zijn geschreven. De voorstelling omtrent de Kerk als de eenheid der kerken, het lichaam van Christus, vinden wij ook in de Hoofdbrieven (Rom. 12 : 5 ; 1 Cor. 10 : 16 v.; 12 : 12 vv.). Ook daar traden verschillende thema's op den voorgrond : Rom. 1–8 de rechtvaardiging, 1 Cor. 12–14 de geestelijke gaven; Gal. de besnijdenis.
Paulus heeft, evenals Johannes in de Openbaring (2
v.), aan 7 gemeenten geschreven. Dit getal drukt de
volkomenheid, het compleet–zijn uit. Evenals die
brieven in de Openbaring van Joh., gelijk wij later
zullen zien, eigenlijk één geheel zijn en tot de
geheele Christenheid gericht, zoo de Paulijnsche
eveneens en onze brief verraadt dit ten overvloede,
als hij alle [121] gemeenten in haar
afzonderlijkheid oplost in de Gemeente of Kerk. Een
plechtige, kerkelijke liturgische toon klinkt ons
uit dezen brief tegemoet (5 : 14). Bij lezing
krijgen wij den indruk, dat hier van een
apocalyptisch Godsrijk geen sprake is, maar de Kerk
op aarde lang zal voortduren (3 : 20).
Door hun uitverkiezing tot heiligheid en
onberispelijkheid zijn de ware Christenen reeds in
den hemel gezegend geweest in den praeëxistenten
Christus. (1 : 3) en tot het toonschap voorbestemd
(1 : 5). Die ware Christenen blijken Paulus en de
zijnen te wezen : de Apostelen, de clerus, de
ideeële gemeente. Naast hen worden „de profeten“
genoemd (2 : 20), O.T.ische profeten, want Marcion
heeft die woorden niet gelezen; als grondslagen van
de Kerk nemen zij naast de Apostelen de tweede
plaats in. De ware Christenen bezitten de
verlossing, die bestaat in de openbaring van het
geheim (1 : 7–10). Zij hebben het erfdeel gekregen;
de anderen krijgen den Geest als onderpand, als
eerste afbetaling op de erfenis (1 : 11). Luidt het:
„wij, die reeds vroeger op Christus gehoopt hebben“,
– vroeger nl. dan de lezers, – dan spreekt uit deze
ambtsdragers de Kerk, die aan haar leden voorafgaat;
de clerus, die ook „het ware Israël“ mag heeten (1 :
12). De Kerk is een nieuwe schepping Gods, waarin de
hemelsche krachten reeds werkzaam zijn. Daarentegen
zijn de ongedoopten het eigendom van den Overste
dezer wereld, den Demioerg. De verlossing, die tot
Gods eigendom maakt, geschiedt door den doop (1 :
14; 4 : 30). Niettemin duurt de strijd voort,
zoolang het aardsche leven duurt; de strijd tegen de
overheden, machten, wereldbeheerschers dezer
duisternis, de geesten der boosheid in de hemelsche,
d.w.z. de lagere hemelsche sfeeren (6 : 12).
Wij hoorden reeds van den hemelschen Mensch, die uit
zijn val en verstrooiing in de wereld tot zichzelf
komt en identiek is met de totaliteit der verlosten
naar de voorstelling van de Gnostiek. Na de
volbrachte verlossing wordt dan de gevallen
afzonderlijke mensch met zijn beter ik in den hemel
vereenigd. Nu wordt in onzen brief de verhouding van
Christus en de Kerk als die van hoofd en lichaam
gedacht (1 : 22 v.; 2 : 15 v.; [123] 3 : 6; 4 : 3
v., 12, 15, 25; 5 : 23, 29 v.). Christus heet hoofd
van het lichaam, maar ook hoofd èn lichaam tegelijk,
alomvattend, inzoover de Kerk wordt beschouwd als
vervulling, vólmaking, van hem, die alles in allen
vervult (1 : 23), den volkomen Man (4 : 13). Door de
Kerk is Christus op aarde lichamelijk tegenwoordig;
door Christus, haar hoofd in den hemel, is zij zelf
reeds in den hemel overgezet. De aardsche Verlosser
is één met den hemelschen Mensch, die in de
Lichtwereld vertoeft, maar óók met de totaliteit der
geloovigen, die hij omhoogvoert tot den volmaakten
Mensch, die hij zelf is. Meer dan de kruisiging
hebben hier de nederdaling en de hemelvaart voor de
verlossing beteekenis. De ten hemel varende
Verlosser overwint onderweg in het rijk van het
midden of van de lucht en van de lagere heerschers,
deze machten (4 : 8 vv.) en doorbreekt den muur, die
de wereld afscheidt van het goddelijke (2 : 14 vv.).
De Valentinianen spraken van Horos, de Grens, die
het Kruis als teeken heeft. Christus sloopt den
scheidsmuur ook tusschen heidenen en verbondsvolk
doordat hij met zijn dood in zijn vleesch de Wet der
geboden en inzettingen buiten werking stelt (2 : 15;
vgl. R. 3 : 21; 10 : 4). In zijn ééne lichaam schept
hij nu twee deelen : Joden en heidenen, tot één
nieuwen Mensch. De Kerk heeft als dat lichaam van
Christus haar levensbeginsel slechts in hem als het
hoofd, en groeit naar hem toe en bevestigt zichzelf
(4 : 15 v.). De hemelsche Mensch bouwt zijn lichaam
op tot het hemelsche bouwwerk van zijn Kerk (2 : 19
vv.), waaraan de Wijsheid Gods openbaar wordt (3 :
10 v.). De Heiland heeft zijn Kerk lief, koestert,
reinigt en behoudt haar; zij heet zijn vrouw, hij
haar man; in gehoorzaamheid en liefde zijn zij samen
verbonden en vormen a.h.w. een Gnostieke syzygie of
echtpaar van aeonen. Achter deze voorstelling staat
nl. de Gnostieke mythe van het heilig huwelijk;
Valentinus noemt Christus zoowel bruidegom als
behouder van de Wijsheid. Heet Christus bij onzen
auteur het hoofd van de Kerk, dat het lichaam in
stand houdt, dan wordt hij blijkbaar als de Geest
gedacht, die ten opzichte van het lichaam of het
vleesch immers juist deze taak [124] heeft te
vervullen (5 : 23). Waarin dan duidelijk ligt
opgesloten: Christus' vleeschwording is Kerkwording;
Christus is de geest, de Kerk het vleesch, maar het
door den Geest geheiligde vleesch.
Tegenover de verdeeldheid barende kettersche Gnosis
leert onze brief de eenheid van de Kerk, die op
apostolischen grondslag is gebouwd. Christus heeft
zijn waarachtiger vorm niet in den Gnostieken
Christus, maar in Jezus (4 : 20). Leert de Gnosis,
dat de Verlosser, de hemelsche Mensch, het lichaam,
het vleesch aanneemt, niet zijn lichaam en zijn
vleesch, zoodat het waar en wanneer van de
menschwording onbelangrijk zijn; de Kerk leert, dat
deze op een bepaald tijdstip en op een bepaalde
plaats geschiedt. Is in de Gnostiek de menschwording
een kosmologische gebeurtenis; de Kerk vat haar meer
anthropologisch op.
Marcion heeft onzen brief in korteren vorm en als
gericht tot de Laodiceërs gelezen. Trouwens ook in
onzen kanonieken tekst behooren de woorden : „te
Efeze“ (1 : 1) niet thuis. Waarom zou het in oude
handschriften zijn uitgevallen? Men begrijpt beter,
waarom het is ingevoegd, nl. om de plaats aan te
geven, waarvoor de brief bestemd heette, toen men in
dergelijke literatuur persoonlijke correspondentie
van Paulus ging zien. De brief mist trouwens elk
persoonlijk moment en van eenige aanleiding tot het
schrijven daarvan blijkt niets. Tertullianus zegt er
het volgende van: „Marcion heeft zijn best gedaan,
dat adres in te lasschen, als ware hij ook op dàt
punt een naarstig onderzoeker. In de adressen
stellen wij echter volstrekt geen belang, daar de
Apostel, als hij aan sommigen schreef, aan allen
heeft geschreven“ (Tegen Marcion V 17). Hieruit
spreekt duidelijk het besef, dat de Apostel zich
richt tot de geheele Christenheid en niet tot een of
anderen afzonderlijker kring. Al het particuliere,
plaatselijke, persoonlijke; de bijzondere verhouding
tusschen Schrijver en lezers, waarmede de nieuwere
critiek schermt, heeft Tertullianus in de brieven
blijkbaar niet belangrijk gevonden. Schrijver toont
al weer afhankelijk te zijn van voorafgaande
geschriften. Wordt de ge–[125]nade vermeld, die aan
Paulus is geschonken, dat hem door openbaring het
mysterie werd bekend gemaakt, dan lezen wij :
„gelijk ik tevoren in het kort heb geschreven“ (3 :
3). Men zal dit echter tevergeefs zoeken in het
voorafgaande deel van den brief; maar Gal. 1 : 12–16
licht ons volkomen in. Het is als een stukje
commentaar, dat wil leeren, hoe Paulus' opvatting
van het Christusmysterie moet worden verstaan.
De eerste drie hoofdstukken hebben een
theoretischer, de laatste drie een practischen
inhoud. Hier vinden wij de wekstem, die de in den
nacht der zonde slapende ziel moet doen ontwaken (5
: 14), uit de Gnostiek welbekend. Tegen de Gode
vijandige machten moet de mensch beschermd worden
door de wapenrusting Gods. Het denkbeeld van den
krijgsdienst van Christus vindt zijn parallel in de
Isisvereering (Apuleius XI 15).
„Paulus“ moge hier verklaren, dat hij de geringste
van alle heiligen of geloovigen is (3 : 8), maar dan
herkennen wij in hem –de kerkelijke autoriteit, die
later bij monde van Paus Gregorius den Groote zich,
en niet uit bescheidenheid alleen, den „knecht der
knechten Gods“ zou noemen.
LITERATUUR
Edgar J. Loodspeed, New Solutions of N.T. Problems,
Chicago 1927; – id., in A. Th. R. 1930; 189 sqq. –
id., The meaning of Ephesians, Chicago 1933 – H.
Schlier, Christus und die Kirche im Epheserbrief,
Tub. 1930 – Clayton R. Bowen in A.Th.R. 1933, IV,
279sqq.. – Henri Delafosse, Les écrits de Saint Paul
III, Par. 1927: . rzs suiv..
[126]
6. Paulus' Brief aan de Philippiërs.
Ofschoon de schrijvers van dezen brief Paulus en
Timotheus heeten (1 : 1; vgl. 2 Cor. 1 : 1),
schrijft Paulus verder alleen en spreekt hij zijn
voornemen uit om zijn medeschrijver naar Philippi te
zenden (2: 19, 23). Hijzelf verschijnt beurtelings
als gevangen man en als vrije (1 : 7, 13 v., 17
tegenover 2 : 25; 4 : 10 vv.). Als geadresseerden
figureeren : „alle de heiligen in Christus Jezus, de
Zijnden, te Philippi, met opzieners en diakenen“.
Maar geen der bijzonderheden, die in Hand. (16:
12–40) ons over Paulus' stichting van deze
Macedonische gemeente worden meegedeeld, vindt in
dit stuk vermelding, ja zelfs de stichting niet. Zoo
blijft de historische achtergrond van dit schrijven
duister; over Timotheus, Epafroditus, de omgeving
van Paulus en de lezers wordt verward en verwarrend
gesproken. Paulus' boeien hebben groote beteekenis
voor het Christendom, doordat zij anderen opwekken
tot volharding in hun zendingstaak (1 : 12–14).
Ofschoon hij het opbreken uit dit leven
aantrekkelijk vindt, wil hij toch liever in het
vleesch blijven, omdat dit terwille van de
aangesprokenen noodiger is (1 : 23 vv.). In zijn
lichaam zal Christus beide door leven en dood groot
gemaakt worden (1 : 20). Paulus' komen en gaan zijn
belangrijke gebeurtenissen voor het leven der
Christenen (1 : 30; 2 : 17); hij is voorbeeld ter
navolging (3 : 7; 4 : 9); zijn lijden en sterven
zijn een offer ten bate van de geloovigen (2 : 17),
een heilaanbrengende dood op de wijze van dien van
Christus. Hij noemt zich ingewijde in allen deele en
in alle dingen (4 : 12), daarmee bedoelende, dat hij
tegen alle omstandigheden des levens is opgewassen,
zooals ook de ingewijden in de mysteriën hoogere
kracht ontvangen.
Men krijgt den indruk, dat de lezers wel uitmuntende
Paulijnsche Christenen moeten zijn, die van den
eersten dag af tot nu toe deelneming betoonen in
Paulus' Evangelie (1 : 3–8, 29); altijd waren zij
gehoorzaam (2 : 12); daarom mogen zij zijn vreugde
en kroon heeten (4 : 1). Daartegenover staan
ech–[127]ter uitspraken, waarin tegen verkeerde
elementen hevig wordt uitgevaren; met „honden,
slechte arbeiders, versnijdenis“ worden zij betiteld
(3 : 2); velen heeten vijanden van het kruis van
Christus, wier einde het verderf, wier god de buik,
wier eer is in hun schande en die de aardsche dingen
bedenken (4 : 18 v.). Zoo vertegeenwoordigen deze
Philippiërs in den bekenden trant der Paulusbrieven
weer alle Christenen. Bij lezing herkennen wij
telkens bekende klanken uit de Hoofdbrieven, waaraan
de auteur blijkbaar een meer practischen brief heeft
willen toevoegen. Hij pleit voor eensgezindheid
onder de geloovigen (1 : 27 ; 2 : 1 vv. ; 4 : 2 vv.,
8 vv.). Nergens komt de opwekking tot blijdschap zoo
veelvuldig voor als in dezen brief (2: 18; 3: 1; 4:
4; vgl. 2 Cor. 13: 11).
In een rhythmische hymne (2: 6–11) schildert
Schrijver Christus' zelfvernedering op een wijze,
die herinnert aan de Gnostieke voorstelling van de
hemelsche Wijsheid (Sophia), uit den Alle;hoogste
voortgekomen, doch aan Hem niet gelijk, die echter,
belust op Gods grootheid, deze heeft zoeken te
bemachtigen. Hoe anders handelde Christus! Hij was
in godsgestalte (theos zonder lidwoord beteekent
afgeleide goddelijkheid, met lidwoord God den Vader,
vgl. vs. 9 en Joh. 1 : 1). Als goddelijk wezen stond
het hem vrij, goddelijke gedaante te bezitten. Maar
hij wenschte deze niet als geschenk van het lot of
als privilege te aanvaarden; door zelfvernedering
wilde hij haar zich waardig maken. „Hij ontledigde
zichzelf“, ekenôsen; het woord herinnert ons
aan het kenôma van de Gnostiek, de
tegenstelling van het Pleroma, de volheid van de
godheid, van de aeonen of eenige ideeën. Daarvoor
ontvangt hij dan als belooning van God–Vader iets
meer dan het gelijk zijn aan een goddelijk wezen :
hij wordt zeer bijzonder verheven, niet alleen boven
de menschelijke gestalte, waartoe hij zich
vrijwillig had vernederd, maar ook boven zijn
aanvankelijken goddelijken staat, boven alle andere
„goden“ (vgl. 1 Cor. 8 : 5). Was hij tijdens zijn
hemelsch voorbestaan een goddelijk wezen naast vele
anderen geweest, door de zedelijke daad van zijn
menschwording is hij tot den allen en alles te boven
[128] gaanden „Heer“ geworden. Als goddelijk wezen
had hij niet onder de natuurmachten gestaan, waaraan
de menschen onderworpen zijn (Gal. 4 : 3); door zijn
nederdaling maakt hij zich daarvan vrijwillig slaaf
om aldus den Wereldheerscher en diens trawanten te
misleiden (vgl. 1 Cor. 2 : 6–8). Hij heeft m.a.w.
zijn lot tot zijn daad gemaakt en wat hij geërfd had
willen verwerven om het aldus pas goed te bezitten.
Couchoud meent, dat de eerenaam, dien hij na zijn
kruisiging ontvangt, de naam Jezus is, en noemt dit
dan terecht noodlottig voor Jezus' historiciteit.
Mij komt echter waarschijnlijker voor, dat hier de
mystieke naam èhjèh, de godsnaam uit Exod. 3 : 14,
is bedoeld, welke in de Grieksche vertaling der
Zeventig met „den Zijnde“ is weergegeven.
LITERATUUR
Ernst Lohmeyer, Der Brief an die Philipper Gött.
1928; – id., Kyrios Jesus, Heidelb. 1928. – Mijn
artikel in N.T.T. 1928, p.250 vv.. – P. L. Couchoud
in Hibbert Journal, Jan. 1939: 193 sqq..
[129]
7. Paulus’ Brief aan de Colossiërs
Men heeft de brieven aan de Col. en aan de Ef. een
broederpaar genoemd met het oog op hun groote
overeenstemming, niet alleen in denkbeelden, maar
ook in woordgebruik. Van de 1600 woorden in onzen
brief zijn er 400 dezelfde als in dien aan de Ef.,
en soms staan zij zelfs in reeksen van tien precies
gelijk na elkander. De afhankelijkheid schijnt aan
den kant van onzen auteur te zijn. Als deze spreekt
over het mysterie, dat verborgen is geweest voor de
aeonen en de geslachten, maar nu geopenbaard aan
Zijn heiligen, wien God bekend wilde maken, wat de
rijkdom der heerlijkheid is van dit mysterie onder
de heidenen (1 : 26 v.), rijst onwillekeurig de
vraag wie zijn die heiligen? Het zouden de
geloovigen in het algemeen kunnen zijn maar
blijkbaar is dat niet de bedoeling, want de
beperking: „wien God wilde bekend maken“, wat de
rijkdom bovengenoemd is, wijst op een élite, die
door openbaring krijgt wat de groote menigte door
prediking ontvangt. Slaan wij nu Ef. 3 : 5 op, dan
zien wij, dat die heiligen als „apostelen en
profeten“ worden omschreven. Hierdoor valt pas het
noodige licht op onzen tekst. Eveneens behoeft de al
te abrupte uitdrukking: „gij die eens vervreemd
waart“ (1 : 21) toelichting uit de duidelijke
uitspraak „vervreemd van het leven Gods“ (Ef: 4:
18).
Boven zagen wij reeds, dat Marcion den brief aan de
Ef. als brief aan de Laodiceërs heeft gekend.
Tertullianus heeft den ketter om die wijziging in
het adres een verwijt gemaakt. Intusschen geeft onze
auteur wel aanleiding tot de opvatting van Marcion
(2 : 1; 4 : 16).
Dit stichtelijk dogmatisch opstel in briefvorm dient
om te worden voorgelezen in de gemeentelijke
samenkomsten (4 : 16). In de hier bestreden
dwaalleeraren hebben wij de uiterste linkerzijde te
zien van het Paulinisme, een richting, die men in
Katholiek wordende kringen bedenkelijk kettersch
begon te [130] vinden. O.a. protesteert Schrijver
tegen de vereering van engelen: „Laat niemand u den
prijs (nl. het heil) doen missen door eigenmachtige
nederigheid en engelenvereering, zich op de dingen,
die hij bij zijn inwijding heeft gezien, zonder
reden verheffende door zijn vleeschelijke
gezindheid“ (2 : 18, vgl. Openb. 22 : 8 v.). Het in
dit verband moeilijk verstaanbare woord
„nederigheid“ heeft Theodoretus aldus verklaard: de
ketters zeiden, dat de god van het heelal
onbereikbaar en onbegrijpelijk was, en men daarom
moest trachten door bemiddeling van de engelen de
goddelijke genade te verwerven. Een soort
voorbidding dus van de engelen bij de godheid. Mij
komt waarschijnlijker voor, dat die nederigheid of
deemoed hier een cultische beteekenis heeft (elders
wordt het woord voor „vasten“ gebruikt (vgl. Herder,
Gez. III 10, 6; Gel. V 3, 7). Het is de vereering
van de overheden en machten, die door Christus
ontwapend en openlijk aan de kaak gesteld zijn, toen
hij zijn zegetocht hield aan het kruis (2 : 15);
deze zin komt pas uit den tekst aan het licht,
wanneer men Ef. 2 : 16 heeft nageslagen. Deze
wereldelementen leggen ascetische bepalingen op van
„raak niet, smaak niet, roer niet aan“ (2 : 21). Dit
noemt Schrijver een eigengemaakten godsdienst, een
Godsvereering op eigen houtje, los van de Groote
Kerk, en ziet in de „nederigheid“ en hardheid tegen
het lichaam, zonder eenig eerbetoon, waardoor het
vleesch verzadiging zou kunnen vinden, niets dan
pseudo–wijsheid (2: 22).
Christus moet als object van vereering in de plaats
treden van die wereldelementen of wereldfactoren.
„Ziet toe, dat niemand u als buit medeslepe door de
philosofie en ijdel bedrog naar de overlevering der
menschen, naar de beginselen der wereld en niet naar
Christus“ (2 : 8). Dit is de eenige plaats, waar het
woord philosofie in het N.T. voorkomt en het heeft
hier een slechten klank. Christus als beeld van den
onzienlijken God en eerstgeborene van alle
schepselen (1 : 15), herinnert aan den Logos van
Philo, die den op zichzelf verborgen God openbaart,
als bemiddelaar tusschen Hem en de wereld optreedt
en eerstgeborene of oudste Zoon Gods heet. [131]
Christus als wereldgrond (1 : 16) behoort tot
dezelfde Philonische gedachtensfeer.
Heet het in onzen brief, dat de leden, die op de
aarde zijn, gedood moeten worden, – de nadere
omschrijving van deze duistere woorden maakt ze nog
ondoorzichtiger : ontucht, onreinheid, hartstocht,
booze lust, hebzucht (3 : 5 v.), toorn, woede,
boosheid, lastering, smaadrede, leugen (3 : 8).
Verduidelijking geven de Hermetische geschriften,
waar de leden van de tent, d.w.z. van het stoffelijk
omhulsel, gedood moeten worden; de twaalf demonen,
die in den mensch wonen en als leden van zijn
aardsche wezen worden beschouwd, moeten door de tien
Godskrachten of deugden worden uitgedreven, die dan
als leden van den mensch in hun plaats treden
(Poimandus 13); dit beteekent de samenvoeging van
het nieuwe goddelijke wezen in den mensch
(synarthrosis toe Logoe).
Terwijl voor het oude Paulinisme de schepping buiten
God staat en het verlossingswerk van Christus juist
van de schepping verlost, treft ons hier het
denkbeeld, dat in Christus, het beeld van den
onzienlijken God (vgl. 2 Cor. 4: 9), den eerder dan
al het geschapene geborene, alles in de hemelen en
op de aarde is geschapen : het zichtbare en
onzichtbare, tronen, heerschappijen, overheden en
machten; alle dingen zijn door hem en tot hem
geschapen en hij is vóór alles en alles bestaat in
hem (1 : 15–17). Deze verzen heeft Marcion niet
gelezen en behooren tot den Katholieken bewerker.
Volgens de Gnostiek was er in het goddelijke Pleroma
een scheur en tweespalt gekomen, waarvan de gevolgen
ook voor de aarde niet uitbleven en kon de
verlossing der menschen door den Heiland slechts
geschieden, wanneer tegelijk de kosmische harmonie
werd hersteld. Zoo ook in dezen brief: alles wat op
aarde en in de hemelen is, is door en tot Christus
verzoend (1 : 20 ; vgl. 2 : 14 v.).
Gelijk in Ef., Phil., en Philem., verschijnt ook
hier de Apostel als gevangene (de zgn.
Gevangenschapsbrieven; 4 : 10, 18), maar ook als
lijder ter wille van het Evangelie (1 : 24, 29; 2 :
1). Over zijn verhouding tot de toegesprokenen lezen
wij [132] tegenstrijdige uitspraken (1 : 3, 24; 2 :
1, 5 tegenover 1 : 4, 8). Zonder zijn bron te
vermelden citeert Schrijver het O.T. (3 : 1; vgl.
Ps. 110 : 1; 3 : 10; vgl. Gen. 1 : 27). Op dezelfde
wijze reproduceert hij Paulijnsche teksten; hij
werkt met denkbeelden en klanken, die hem uit de
lectuur daarvan zijn bijgebleven; zoo zijn al
dadelijk de beginwoorden van den brief letterlijk
navolging (vgl. 1 : 1 met 2 Cor. 1 : 1).
Paulus wordt hier als een soort Christus beschouwd,
die, bij alle Christenen bekend, met zijn lijden
aanvult, wat na Christus nog voor de Gemeente
plaatsvervangend moet worden geleden. Te
eigenaardiger is deze opvatting, omdat het
hoofdthema van den brief „de algenoegzaamheid van
Christus“ zou kunnen heeten. Voor de Colossiërs, die
hij nooit heeft gezien, lijdt Paulus en verheugt
zich daarin. Maar hij vormt ook met Christus en de
Kerk een trias (1 : 24) en is Christus'
vertegenwoordiger op aarde.
LITERATUUR
M. Dibelius, An die Kolosser u.s.w. 2, Tüb. 1927.
[133]
8. De beide Brieven van Paulus aan de
Thessalonicensen.
Beide brieven dragen naast den naam van Paulus ook
dien van Silvanus en Timotheus als schrijver (I 1 :
1., II 1 : 1). Maar naast het herhaaldelijk
gebruikte meervoud verschijnt telkens het enkelvoud
en schijnt Paulus alléén te schrijven (I 2 : 18; 4 :
9 ; 5 : 27 ; II 2 : 5 ; 3 : 17). Dat deze brieven
uitsluitend aan de gemeente van de Macedonische stad
zouden zijn gericht wordt twijfelachtig als wij
lezen: „ik bezweer u bij den Heer, dat deze brief
aan alle broeders worde voorgelezen“ (I 5 : 27). In
een slechts aan alle broeders te Thessalonika
gericht schrijven ware die opwekking overbodig. Lof
en berisping van de lezers wisselen elkander weer af
(vgl. I 1 : 1 vv.; 2 : 8, 13, 19 v.; 3 : 6 vv. ; 4 :
9 v.; 5 : 5 met 4 : 3 vv., 11 vv.; 5 : 6, 12, 15;
vgl. ook II 1 : 3 v.; 2 : 13; 3 : 4 met 3 : 6, 11).
De vermaningen passen slecht bij den lof, die aan de
lezers wordt toegezwaaid en de verdediging van
Paulus (I 2 : 3 vv.) evenmin bij hun goede
gezindheid jegens hem (I 1 : 5 v.; 3 : 7).
Afhankelijkheid van voorafgaande Paulusbrieven
blijkt duidelijk. De combinatie Paulus – Silvanus –
Timotheus vonden wij 2 Cor. 1 : 19; dat het
Paulijnsche Evangelie niet alleen in woorden, maar
ook in kracht kwam (I 1 : 5), herinneren wij ons
uit 1 Cor. 4 : 20. De verwachting van den Zoon Gods
uit de hemelen, dien God uit de dooden heeft
opgewekt, Jezus, die ons redt van den toekomstigen
toorn (I 1 : 10), heeft haar antecedenten in Rom. 2
: 5; 5 : 9; Ef. 5 : 6; Col. 3 : 6. De Schrijver van
den tweeden brief gebruikt vooral den eerste als
voorbeeld ter navolging. Dit blijkt ten
duidelijkste, wanneer de werkzaamheid van den
Apostel in de gemeente (II 3 : 8) met vrijwel
dezelfde woorden wordt beschreven als in den eersten
brief 12 : 9) : „met moeite en gezwoeg hebben wij
dag en nacht gewerkt om niemand uwer tot last te
zijn“. Zoo iets moet ontleend zijn, want zoo
schrijft men zichzelf niet na. Er zijn trouwens, als
men afziet van de pericoop 2 Th. 2 : 2–9 en [134] 11
v., slechts 9 verzen in 2 Th., die niet hun parallel
vinden in 1 Th.; zoodat men veilig kan zeggen: 2 Th.
wil een aanvulling leveren op het werk van zijn
voorganger, omdat hij nadeelige gevolgen vreest van
de wijze, waarop deze de onmiddellijke nabijheid van
den dag des Heeren heeft gepredikt; slechts in die
aanvulling vertoont hij eenige oorspronkelijkheid.
In den eersten brief neemt nl. de komst (
paroesie) van onzen Heer Jezus Christus een
hoogst belangrijke plaats in (I 3 : 13). Het lot,
dat bij die gelegenheid den reeds ontslapenen zal te
beurt vallen, heeft Schrijvers volle belangstelling;
zij zullen niet ten achter staan bij hen, die dan
nog in leven zijn (I 4 : 13–15). „Wanneer de Heer
zelf op een bevel, op den roep van een aartsengel en
op de bazuin Gods zal nederdalen van den hemel, dan
zullen ook de dooden in Christus opstaan, zij het
eerst; vervolgens zullen wij, die in leven blijven,
tegelijk met hen worden opgenomen door wolken in de
lucht, den Heer tegemoet, en zoo zullen wij altijd
met den Heer zijn“ (I 4 : 16 v.). In verband
hiermede laat de schrijver van den tweeden brief
zijn waarschuwende stem hooren : men moet niet
meenen, dat dit al aanstonds te verwachten is. Er
zal nog heel wat moeten voorafgaan. Die dag des
Heeren komt niet, tenzij eerst de afval kome en de
mensch der ongerechtigheid geopenbaard worde, de
zoon des verderfs, die zich tegenover en boven God
stelt. Voorloopig wordt deze nog tegengehouden, al
werkt hij in het verborgen; als hij openlijk
verschijnt, zal de Heer Jezus hem met den adem zijns
monds vernietigen (II 2 : 1–12). De lezers worden
vermaand, zich aan de hun overgeleverde leer te
houden, zooals die mondeling of schriftelijk van
Paulus' wege tot hen is gekomen (II 2 : 15) en
ordelijk en werkzaam te zijn (II 3 : 6–12).
Deze geschriften behooren vrijwel in denzelfden
kring en tijd thuis als de voorafgaande
Paulusbrieven. Wie, gelijk velen doen, het eerste
voor den alleroudsten brief van den Apostel houdt,
krijgt moeite met de verklaring van op lateren tijd
wijzende trekken als: vervolgingen (I 1 : 6; 2 : 14;
3 : 3v.; ook II 1 : 4 v., 6 v.) en voorschriften
omtrent de houding, die [135] men tegenover
voorgangers heeft aan te nemen (I 5 : 12 v.).
Daarbij komt dan in den tweeden brief nog het
terugzien op de overleveringen van Paulus (II 2 :
15; 3 : 6) en het instituut van den ban ( 3 : 14).
LITERATUUR
E. von Dobschütz, Die Thessalonicher–Briefe, Gött,
1909 – M. Dibelius, An die Thessalonicher I–II3.
Tüb. 1937.
[136]
9. De Brief van Paulus aan Philemon.
Tertullianus zegt, dat deze brief het slechts aan
zijn kortheid te danken heeft, dat hij alleen aan de
schennende handen van Marcion is ontsnapt. Moderne
geleerden hebben diezelfde kortheid als argument
gebruikt voor zijn echtheid! De Tübinger F. C. Baur
bracht hem echter in verband met het literaire genre
van de romantische „Herkenningen“. De situatie is
nl. deze: Philemon's slaaf Onesimus is weggeloopen,
bij Paulus gekomen, door dezen bekeerd en aan zijn
meester teruggezonden; deze wordt nu aangespoord hem
christelijk te behandelen (vs 8–20). Voorondersteld
wordt hier een waarachtige levensgemeenschap van
alle Christenen, zoodat de een in den ander zijn
eigen zelf herkent, zich volmaakt één met hem weet
voor eeuwig. De bekeerde slaaf wordt tot geliefden
broeder, wien alle onrecht en schuld zijn vergeven.
De Apostel, die hem bekeerde, is niet slechts zijn
geestelijke vader, maar in dezen bekeerling neemt de
meester van den slaaf ook diens geestelijken vader
op (vs. 12, 17). De slaaf zou de plaats van zijn
Christenmeester bij den gevangen Paulus kunnen
innemen (13); door denzelfden eenheidsband wordt hij
ook middelaar tusschen zijn geestelijken vader en
zijn Christenmeester, die nu voortaan in zijn slaaf
Paulus moet zien. Aldus heft het Christendom alle
scheiding veroorzakende verschillen op. De Apostel
staat voor den bekeerden slaaf bij diens meester in
en neemt diens schuld voor zijn rekening; de meester
is als Christen ook schuldenaar van den Apostel
(19). Zooals de Christenslaaf nu pas een zijn naam
waardige, Onesimus (= nuttige) is, zoo moet Philemon
nu Paulus' Onesimus zijn in den Heer (20).
Dat het geschriftje slechts in schijn een brief is,
blijkt reeds uit de voorstelling, dat Paulus
schrijft, maar ook Paulus samen met Timotheus (1);
dat de geadresseerde Philemon heet, doch Schrijver
zich telkens tot meer personen, tot een gemeente
richt (2). Doorloopend volgt hij Paulijnsche brieven
vrij na, vooral Ef. en Col.. De naam Onesimus is aan
Col. 4 : 9 ontleend, [137] waar echter niets op een
slaaf wijst; Timotheus aan Col. 1 : 1.
Couchoud heeft den stijl van dit kunstige product
nauwgezet bestudeerd en daarin een compositie van
acht strofen, elk van acht regels herkend, die
herinnert aan de wetten der Semietische poëzie, een
nieuw genre, dat het midden houdt tusschen den stijl
van Jeremia en dien van Dio Chrysostomus van Prusa
(± 100 n. C.); rhythmische schema's van den bijbel
zijn hier met schitterende Grieksch–rhetorischen
inhoud gevuld. Het zou een opzetellijk bedoelde
Grieksche pendant zijn van de oude geïnspireerde
heilige Schriften.
Van innig contact tusschen Schrijver en
geadresseerde blijkt dan ook niets; er bestaat
veeleer tusschen hen een persoonlijke en zakelijke
distantie. Alle in vs. 2 vermelde namen doen vreemd
aan in een voor Philemon bestemden brief. Het genre
Paulusbrief is nu eenmaal aan meer dan één gericht
(vgl. 1 Cor. 1 : 2 ; 2 Cor. 1 : 1); de huisgemeente,
hier ter plaatse onverstaanbaar, komt uit Col. 4 :
15 (vgl. R. 16 : 5; 1 Cor. 16 : 29). Waarom doet
Schrijver een zeker gezag gelden met zijn woord :
„Ik Paulus“ (19)? Wordt hem dit dan betwist? Neen,
hij volgt slechts na wat hij elders las (het
plechtstatige Gal. 5 : 2 en Ef. 3 : 1). Van zijn
eigenhandig schrijven vindt men het voorbeeld elders
(1 Cor. 16 : 21; Gal. 6 : 11; Col. 4 : 18). Van vers
tot vers kan men aantoonen, dat de brief een kunstig
samenvoegsel is van wat elders te lezen stond, dus
geen door bijzondere omstandigheden uitgelokte
particuliere correspondentie. Zwevend is de figuur
van Philemon, romantisch die van Onesimus, terwijl
Paulus zelf niet als mensch van vleesch en bloed,
maar als dogmatische grootheid verschijnt. Niet
alleen schrijft hij in boeien brieven (1), maar
verwekt daarin zelfs geestelijke kinderen (10) en
spreekt, ofschoon gevangen, den wensch uit, dat
Onesimus bij hem blijve om hem te dienen. Als
Onesimus bij hem toevlucht zoekt en Paulus zich borg
verklaart voor diens schulden en hem onderhoud
verschaft, is hij blijkbaar vrij man. Gevangene van
Jezus Christus blijkt een eeretitel voor den
martelaar–heilige, een kerkelijken
hoogwaardigheidsbekleeder van den allereersten rang.
In hem [138] gaan nederigheid en hoogheid samen en
slechts aan zijn priesterhand mag de gemeente tot
God naderen. „Gevangene van Christus“ mag men
evenmin letterlijk opvatten als „slaaf van
Christus“. De kerkvorst heeft het recht, Onesimus
van Philemon tot zijn dienst op te eischen; maar
liever wil hij Philemon daartoe door vriendelijke
vermaning bewegen (8, 10). De kracht van het
Christelijk geloof, betoont zich in recht begrip van
al wat onder Christenen het goede mag heeten, dat
naar Christus brengt, d.w.z. in den hemel (6).
Paulus vertrouwt op Philemons' gehoorzaamheid en
weet, dat deze zelfs nog meer zal doen dan van hem
met woorden wordt gevraagd (21). Hij zal Onesimus
ter beschikking van Paulus stellen om hem in diens
martelaarschap voor het Evangelie van dienst te zijn
en wel ten bate van Philemon (13, 17). Men zou de
bedoeling aldus kunnen weergeven: Neem hem op, alsof
ik het was; mij Paulus, zoudt gij toch niet als uw
particulieren slaaf willen; laat hem vrij, opdat hij
slaaf zij in dienst van het Evangelie en niet langer
van u. Zoo zult gij meer baat van hem hebben, daar
ik, de met goddelijk gezag bekleede
Apostelmartelaar, als een soort bisschop, door
Onesimus' hulp ondersteund, voor u bid, ja, zelfs
lijd.
Hugo de Groot heeft reeds naar de brieven van
Plinius (IX 21 en 24) verwezen, waar deze stadhouder
van Trajanus in Bithynië pleit voor een vrijgelatene
van Sabinianus, die bij hem was gekomen en dien hij,
Plinius, met een brief terugstuurde, waarop
Sabinianus den delinquent weer in zijn huis en hart
plaats gaf.
Hoewel wij de afschaffing van de slavernij in de
19de eeuw niet onchristelijk zullen noemen, treft
ons toch, dat in onzen brief deze instelling
onaangetast is gebleven. Slechts de toepassing
daarvan werd verzacht. Gehoorzaamheid in alles en
zelfs tegenover onbillijke meesters wordt den slaven
aanbevolen (vgl. Col. 3 : 23; 1 Pe. 2: 18; Ef. 6: 5
vv.). Ter aanvulling van wat hij incidenteel elders
over de slavenkwestie vond geschreven, geeft onze
auter dit naar vorm en inhoud kostelijke
geschriftje.
[139] LITERATUUR
F. C. Baur, Paulus II, Stuttg. 1845. – E. Lohmeyer,
Die Briefe an die Kolossen und an Philemon, Gött.
1930 – P. L. Couchoud in Revue de l'histoire des
religions 1927, p.129 suiv.. – Goodenough in
H.Th.R., April 1929, p.181 sqq.. – Mijn opstel in
N.T.T, 1940, t vv..
[140]
10. De Pastorale Brieven.
Wij mogen de beide brieven van Paulus aan Timotheus
en dien aan Titus onder dezen reeds lang gangbaren
titel tezamen behandelen, omdat zij, waar zij het
eerst voorkomen, reeds gezamenlijk worden vermeld.
Alle drie houden zich bezig met hetzelfde thema: de
herderlijke werkzaamheid in de gemeenten. Daarbij
nemen raadgevingen met betrekking tot afdwalingen in
leer en leven tevens een belangrijke plaats in. De
traditioneele opvatting, dat in 1 en 2 Tim. de
Apostel aan zijn geestelijken zoon schrijft, wanneer
deze te Efeze door hem is achtergelaten vindt geen
steun, wanneer men let op den reeds zwaarwichtigen
aanhef: „Paulus, Apostel van Christus Jezus, naar
het bevel van God, onzen Redder en onze hoop (I 1 :
1; vgl. II 1 : 1 en Tit. 1 : 1). Evenmin past
tegenover hem de mededeeling aangaande Paulus'
verleden van lasteraar, vervolger en misdadiger uit
onwetendheid (1 Tim. 1 : 13), of diens aanstelling
als verkondiger, apostel en leeraar (II 1 : 11), als
martelaar voor het Evangelie (II 4 : 6 vv.), met
bijzondere vermelding van vervolgingen, waaraan hij
heeft blootgestaan (II 3 : 11). Tot Titus „zijn
echten zoon overeenkomstig gemeenschappelijk geloof“
behoeft Paulus toch niet te zeggen, dat hem de
prediking volgens opdracht van God is toevertrouwd
(Tit. 1: 3 v.).
Met Paulus' autoriteit willen de schrijvers van deze
brieven voorschriften ingang doen vinden, die
slechts voor den vorm met particuliere
omstandigheden in verband zijn gebracht. Dat
Timotheus zich moet toeleggen op de drieledige taak
van voorlezen van het O.T. (misschien ook van
Paulusbrieven), vermanen en onderwijzen, geldt
natuurlijk niet slechts voor de periode „tot ik
terugkom“ (I 4 : 13), maar voor altijd. Het geheele
briefkarakter gaat teloor, wanneer er een preek tot
velen wordt gericht (I 6 : 6–16), al worden deze
velen samengevat onder den titel: „mens Gods“ (I 6 :
11), die als benaming van den wedergeborene uit de
Hermetische mystiek bekend is.
[141] In het persoonlijk tot Timotheus gerichte
vinden wij veel onverstaanbaars; Paulus moet van
zijn medereiziger toch wel verwachten, dat deze weet
wat hij leeren en hooghouden moet. Zoo bevreemdt het
ons, dat deze gevaar zou loopen, in den strik der
geldgierigheid te vallen (I 6 : 9 v.) of niet zou
weten, wat hij den rijken onder het oog moet brengen
(I 6 : 17). Hoe kan tot Titus, die door Paulus op
Creta is achtergelaten, om daar presbyters aan te
stellen, gezegd worden : „de genade zij met u allen“
(Tit. 3: 15)? Dit wijst op een geschrift voor
ruimeren kring, evenals de algemeene voorschriften
(Tit. 2 : 1–3 ; 11). Men begrijpt niet, waarom
Paulus, als hij pas den geadresseerde heeft verlaten
en spoedig weer bij hem hoopt te komen, deze brieven
schrijft, waarvan de voorschriften immers niet
bestemd zijn voor het oogenblik, maar duurzame
geldigheid hebben. Moesten Timotheus en Titus deze
dingen niet reeds lang weten?
Om de echtheid van deze brieven, die men in Paulus'
leven volgens Hand. niet kan plaatsen, toch te
handhaven, heeft men vermoed, dat de Apostel, na
zijn vrijlating uit de gevangenschap te Rome, nog
een zendingsreis zal hebben gedaan en daarop
andermaal gevangen genomen zal zijn. Een dergelijk
geheel ongegrond vermoeden bewijst wel de
verlegenheid van de verdedigers der echtheid.
Timotheus wordt geteekend als een toonbeeld van den
onverbasterden Paulinist, die het geloof in zich
draagt, dat reeds in zijn grootmoeder en moeder
heeft gewoond (II 1 : 5) en die Paulus' leer, wijze
van doen, bedoeling, geloof, geduld, liefde,
volharding tot richtsnoer heeft genomen (II 3 : 10).
Paulus is nl. degene, die alles regelen moet en
leeren, hoe men zich in de gemeente van den levenden
God heeft te gedragen, ook al is hij er zelf niet
meer (I 1 : 11; 2 : 7; II 1 : 13; 2 : 2; 4 : 3; Tit.
1 : 5). Voor de Christenen is zijn beteekenis deze:
dat hij door de genade Gods van een zondaar tot een
voorbeeld voor de latere geloovigen is geworden, en
nu geen zondaar meer aan zijn redding behoeft te
wanhopen (I 1 : 15 v.; II 1 : 8, 16). Als een andere
Christus lijdt hij ten bate van de
uitver–[142]korenen (II 2 : 10) en niemand behoeft
zich te schamen voor zijn gevangenschap (II 1 : 8,
16), maar men richte zich naar de “gezonde“ woorden,
die men van hem heeft gehoord (I 1 : 10; 6 : 3; II 1
: 13; 2 : 1). Een andere leer te prediken is uit den
bonze (I 1 : 3). De uitdrukking „gezonde leer“
vinden wij in het N.T. slechts hier (I 1 : 10; I 14
: 3 ; Tit. 1 : 9, 13; 2 : 1). Een verkeerde Gnosis –
er wordt dus ook een goede erkend! – leidt sommigen
tot afdwaling ten opzichte van het zuivere geloof (I
6 : 20 v.). Met name worden mythen en
geslachtsregisters als afkeurenswaardig bezit van de
bestreden ketters vermeld (I 1 : 4; 4 : 7). Reeds
Theodoretus (5de eeuw) zag daarin verhalen over
Jezus' geboorte en diens genealogieën, zooals wij
die in de eerste hoofdstukken van Mt. en Lc. vinden.
Wij zagen Mc. met een beroep op O.T.ische teksten
het bewijs leveren, dat het evangelieverhaal eerst
met Jezus' doop moet beginnen. Wanneer Clemens
Alexandrinus bericht, dat evangeliën met
genealogieën ouder zijn dan die zonder, mag men
daaruit afleiden, dat Mc. en Joh. jonger zijn dan
Mt. en Lc. in den tegenwoordigen vorm; maar niet dat
de oudste evangelieschrijving al met
geslachtsregisters heeft gewerkt; integendeel, Mc.
zal in dit opzicht de oude, docetische traditie
hebben gehandhaafd (vgl. Hand. 1 : 22; 10 : 38). De
genealogieën werden toegevoegd om het leven des
Heeren meer „menschelijk“ te maken. Marcion heeft ze
niet gehad. Tegenover de oude Gnostiek–Paulijnsche
voorstelling van den uit den hemel neergedaalden of
bij den doop in Jezus binnengekomen Christus,
dienden zij om Jezus' menschheid en zijn
vleeschelijke afkomst van David te bewijzen. Mochten
zij gelijk hebben, die bij de genealogieën in de
Pastorale brieven op het voetspoor van Tertullianus
aan de reeksen en paren van aeonen der
Valentiniaansche Gnosis denken, dan kunnen reeds om
die reden de brieven niet vóór het midden der 2de
eeuw zijn vervaardigd. Wordt in den brief aan Titus
(1 : 14; vgl. 3 : 9) van Joodsche mythen gesproken,
dan mag men dit als een diskwalificatie opvatten in
den mond der anti–semietische Katholiek–wordende
Kerk, die zich wel het O.T. toeëigende en zichzelf
tot het [143] ware Israël proclameerde, maar
Israël–naar–het–vleesch verachtte. Intusschen kan
men zich van de hier bestreden dwaalleeringen geen
duidelijk beeld vormen. Het is dan ook niet één
bepaalde ketterij, waartegen de schrijvers zich
keeren : zij waarschuwen tegen allerlei ketterijen.
Kostelijk is de schilderij, die ons wordt opgehangen
van kettersche propagandisten, die bij voorkeur
binnendringen in de huizen om vrouwtjes in te palmen
van niet te best allooi, die aldoor leerlingen
blijven, maar nooit tot de kennis der waarheid komen
(lI 3 : 6 vv.). De ketterbestrijder denkt er niet
aan, tegen deze dwaalleeraren argumenten aan te
voeren; hij stipt slechts met duistere bewoordingen
een en ander door hem afgekeurd moment aan en maakt
hen zwart door hen te beschuldigen van verzet tegen
de waarheid, van een bedorven verstand en van een
geloof, dat den toets niet kan doorstaan (I 3 : 8);
die onnoozele, wulpsche vrouwtjes dienen dan om hun
minderwaardigheid nog eens extra te accentueeren,
terwijl zij elders door bonze geesten heeten te zijn
geïnspireeerd (I 4 : 2).
In deze brieven voltrekt zich de vereeniging en
verevening van Paulinisme en Katholicisme. Wanneer
hier de strenge organisatie van de gemeenten zooveel
grooter rol speelt dan in de andere brieven, vergete
men niet, dat dit het speciale thema van de
Pastorale brieven is. Toch zagen wij het
hiërarchische element reeds aankomen in 1 Cor., waar
Paulus zijn gezag over de gemeente verdedigt (1 Cor.
4 : 18 vv.; 5 : 4; 11 : 1) en van kerkelijke
ambtsdragers spreekt (1 Cor. 12 : 24 v.; 16 : 16,
18); in 2 Cor. dreigt hij met een proefneming, of de
Heer der Kerk in hem niet machtig is (2 Cor. 13 : 12
v.), terwijl hij in 1 Cor. ook al een vasten norm
voor de zuivere leer in alle gemeenten kent (1 Cor.
5 : 17; 7 : 17) en de tegenstelling Katholieke leer
en dwaalleer al zoo vast staat, dat het heet „want
er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat de
beproefden onder u openbaar worden“ (1 Cor. 11 :
19).
Vinden wij in onze brieven naast geloof, dat voor
Paulus het één en al heet te zijn, ook de liefde;
ditzelfde kennen wij uit de vorige brieven eveneens.
Wie. het Christendom om–[144]schrijft als
„Godsverering en vroomheid“ gebruikt de abstracte
kategorieën van de Grieksche verlichting en laat het
heil uit theoretische kennis opkomen (I 2 : 4; 4 :
3; II 2 : 25; 3 : 7; Tit. 1 : 1). Hier is het
Paulijnsche „geloof“ versteend tot den Katholieken,
objectieven geloofsregel (I 1 : 19; 4 : 1, 6 vv.; II
3 : 8; Tit. 1 : 4). De Kerk heeft zich in
tegenstelling met de Gnostiek aan de H. Schrift te
houden, die in allen deele door God ingegeven en als
zoodanig nuttig is tot onderricht (van den
onwetende), tot bestraffing (van den falende), tot
terechtwijzing (van den dwalende), tot opvoeding in
de gerechtigheid (II 3 : 16).
Dat deze brieven aan één afzonderlijke persoon zijn
gericht, wijst op eenhoofdig gemeentebestuur. Voor
de wereldlijke overheid wordt gebeden (I 2 : 2 v.);
met de bedoeling om haar Gods stoffelijke zegeningen
te bezorgen? Waarschijnlijker: om van God haar
bekeering af te smeken; daarbij immers past de
toelichting : „opdat wij een stil en rustig leven
mogen leiden“. Het volgende vers noemt het goed en
Gode onzen Redder welgevallig, die wil dat alle
menschen, – dus ook de heidensche overheid –, gered
worden en tot kennis der waarheid komen.
Het typische gebruik van het woord Redder of Heiland
(Sótèr), dat overigens van Christus wordt gebruikt,
maar hier van God, herinnert aan de taal der
mysteriën, waar de Heilsgod de centrale plaats
inneemt, doch doet tegelijk denken aan den éénen God
van de Kerk, die goed is en geen Scheppergod en
Wetgever tegenover zich duldt, maar deze machten in
zichzelf bevat (I 1 : 1; 2 : 3; 4 : 10; Tit. 1 : 3;
2 : 10; 3 : 4). De uitdrukking „verschijning“
(epifanie, I 6 : 14; II 1 : 10; 4 : 1), van Jezus
Christus gebruikt, behoort tot de Hellenistische
terminologie. Christus heeft zichzelf tot losprijs
voor allen gegeven (I 2 : 6), nl. aan den Overste
dezer wereld. In plaats van de godsdienstige
verlossing treedt de zedelijke vernieuwing (Tit. 2 :
14). In tegenstelling met de sectarische Gnostiek
wil God in Rome's Kerk alle menschen redden (I 2 :
4; Tit. 2 : 11).
De Kerk van den levenden God heet zuil en fundament
der [145] waarheid (I 3 : 16). Door tucht voedt zij
haar leden op (I 20; I I 4 : 2; Tit. 1 : 9, 13; 2 :
15) en drijft, zoo noodig, ketters buiten (I 1 : 20;
Tit. 3 : 10 v.). De doop verleent het heil, waarover
de Kerk beschikt (I 3 : 15; Tit. 3 : 5);– hij heet
bad der wedergeboorte (Tertullianus, De Doop 5,
verbindt dit begrip met den doop van Eleusis) en
vernieuwing van den H. Geest; door dit sacrament
wordt de gemeente gereinigd (Tit. 3 : 5). Tegenover
het ascetisme van de Gnosis staat hier de op
vatting, dat al het door God geschapene goed is ten
gebruike en niet verwerpelijk, wanneer het nl. met
dankzegging wordt ontvangen, daar Gods woord en het
gebed het heiligt (I 5 : 4 v.).
Dat de rijke door weldadigheid zich schatten in den
hemel moge verzamelen, verraadt zich als een zeer
bruikbaar kerkelijk gebod (I 6 : 19).
Verschillen in stijl met andere „Paulusbrieven“ zijn
onmiskenbaar; de Pastorale brieven zijn eentonig,
vaak kleurloos en springen van den hak op den tak.
Wat hun woordgebruik betreft vertoonen zij
overeenkomst met de Apologeten der 2de eeuw.
LITERATUUR
F. C. Baur, Die sog Pastoralbriefe, Tüb. 1835. –
Bruno Bauer, Die paulinischen Briefe, Berl. 1852,
III 77 ff. – H. H. Mager, Ueber die Pastoralbriefe,
Gött. 1913. – M. Dibelius, Die Pastoralbriefe 2.
Tüb. 1931.
[146]
11. De Brief aan de Hebreën.
Volgens onzen anonymen briefschrijver moet men naar
den Zoon luisteren, omdat deze zelfs boven de
engelen staat. Hij heeft zich vernederd om ons te
redden (1 v.). Ook is hij meer dan Mozes (3 : 1
vv.). God belooft aan de geloovigen rust (3 : 7–4 :
13). Jezus is de medelijdende hoogepriester „naar de
ordening van Melchizedek (5 : 10). Vermaningen
besluitten het geschrift. (10 : 19–23, 25).
De overlevering houdt het voor een Paulusbrief.
Karlstadt en Hugo de Groot hebben daaraan
getwijfeld. Met wat wij in het voorafgaande omtrent
het genre Paulusbrieven hebben geleerd, mogen wij
zeggen, dat het daartoe behoort. Is het niet een
open brief ter stichting en leering voor de
geloovigen? De inkleeding wordt gebrekkig
volgehouden : nu eens worden de lezers als gewezen
joden, dan weer als gewezen heidenen gedacht. Zij
hebben uitmuntende voorgangers (13 : 17, 24), maar
moeten niettemin buiten dezen om voorgelicht en
geleid worden (5 : 11; 6: 2); toonbeelden zijn zij
van trouw en volharding, maar staan toch op het punt
af te vallen en reddeloos verloren te gaan (6 : 4
vv.). Hoe kunnen dezelfde braven, die geleden hebben
terwille van hun Christelijke belijdenis en daarbij
volhard (10 : 32 vv.; C : 10), nu weer als zondaren
en achterlijken worden vermaand (10 : 35 vv.) en hoe
kan men tot hen het verwijt richten, dat zij nog
niet ten bloede toe hebben weerstaan tegen de zonde,
en smart en vervolging noodig hebben (12 : 4–11)? A1
deze en andere bezwaren vervallen, zoodra wij de
brieffictie doorzien. Schrijver zelf noemt zijn boek
dan ook „woord der vermaning“ (13 : 22). Toch staat
het dogmatische bij hem op den voorgrond, zoodat men
beter zou kunnen spreken van een leerstellige
verhandeling met daaraan toegevoegde vermaningen. Er
blijkt bekendheid met Paulusbrieven (Rom. en 1
Cor.).
Wel verre van als een historische figuur te
verschijnen, wiens beeld slechts aan de dankbare
vereering van latere geloovigen [147] goddelijke
trekken dankt, vertoont de Jezus van onzen brief
zich als den Godszonn, den Eerstgeborene, het
afschijnsel van Gods heerlijkheid en den afdruk van
Zijn wezen, die de aeonen (= wereldruimten) heeft
gemaakt en alle dingen draagt door zijn machtig
woord. Gezeten aan Gods rechterhand is hij met eer
en heerlijkheid gekroond en hooger dan de engelen.
Een en ander herinnert sterk aan den Logos van
Philo, den Godsknecht uit Jez. 53 en den Godszoon
Herakles. Niets wijst op een mensch in den zin van
het geschiedkundig onderzoek. Reeds het feit, dat
hij evenals Philo's Logos (die geen vleesch en bloed
aanneemt) zondeloos heet, weerspreekt zijn reëele
menschelijkheid.
Het voor Schrijver belangrijke begrip „rust“ (katapausis,
3 : 7 vv.) komt uit Alexandrië, waar Philo het
motief van den pelgrimstocht uit deze wereld naar
God gebruikt; deze wordt voorgesteld als een
kosmisch mysteriedrama. De hoogste trap van den
„koninklijken weg“ is bij Philo het bereiken van de
rust, want God is het onbewegelijk Staande, zoodat
wie tot God treedt, stilstand begeert (Kaïn's
nakomelingschap 23). Ook onze auteur beschouwt het
aardsche leven als een buitenlandsch verblijf en het
doel van den pelgrimstocht is de terugkeer in het
als stad voorgestelde hemelsche vaderland.
Onder het Oude Verbond werden de lichamen der
offerdieren bij het zondoffer buiten de legerplaats
verbrand, terwijl hun bloed in het heilige der
heiligen werd gebracht terwille van de zonden. Onze
auteur betoogt nu, dat Jezus daarom ook buiten de
poort heeft geleden, opdat hij door zijn eigen bloed
het volk Gode zou heiligen (13 : 10 vv.). Luidt het
dan: „laat ons derhalve ook tot hem uitgaan buiten
de legerplaats door zijn smaad te dragen“ (13 : 13),
dan is daarmee bedoeld : in de woestijn, in de
wereld. Als Jezus buiten de poort smaad lijdt, dan
moet hij binnen de poort wel zonder smaad, in eer en
heerlijkheid zijn. Die poort is dan de hemelpoort.
Hij verlaat zijn rustplaats om smaad te verdragen.
Onze rustplaats hier op aarde is representante van
de hemelsche rust. Wat dan licht werpt over de
volgende woorden: „want wij hebben hier geen [148]
blijvende stad“ (13 : 14). Ook hier hebben wij wel
een stad, zelfs een Godsstad, maar geen blijvende;
daarom streven wij naar de toekomende, ons door God
toegedachte, die wél blijvend zal zijn. Als Godsvolk
behooren daartoe de geloovigen reeds hier op aarde,
maar vanwege den pelgrimstocht is de rust niet
duurzaam. Kanaän is voor Abraham slechts een station
op den weg naar het hemelsche jeruzalem (11 : 10,
16; 12 : 22). De tegenwoordige, aardsche, wereld
heeft slechts legerplaatsen, die weer opgebroken
moeten worden; de rust of de hemel op aarde wordt
bij tijd en wijle in den cultus genoten.
Van de evangeliegeschiedenis schijnt Schrijver niet
meer te kennen dan „de komst van den Behouder Jezus
Christus, onzen Heer, diens lijden en opstanding“,
zooals Ignatius (Philad. 8 : 2; 9 : 2) het
formuleert. Hij omschrijft de beproeving, waaraan
Jezus bloot staat, als lijden (2 : 18) : „die in de
dagen zijns vleesches gebeden en smeekingen heeft
geofferd met hevig geschreeuw en tranen tot Hem, die
hem uit den dood kon redden en verhoord is, weg van
zijn doodsangst, heeft, hoewel hij Zoon was, uit
hetgeen hij heeft geleden de gehoorzaamheid geleerd,
en volmaakt geworden, werd hij voor allen, die hem
gehoorzamen een bewerker van eeuwig heil“ (5 : 7
vv.). Dat hevig roepen of schreeuwen is uit de
apokalyptische literatuur bekend : het kondigt uit
den mond van den Gezondene of Profeet den
wereldondergang aan en de Opstanding. Het
verscheiden van den Geest bij 's Heeren dood, die
den dood, d.w.z. de stof en de wereld te niet doet,
gaat vergezeld van het geschreeuw, dat de
verschijning van den Verheerlijkte kenmerkt en van
de tranen, die den Geest in actie brengen, gelijk in
het verhaal van de opwekking van Lazarus (Joh. 11 :
35); die activeering heeft hier de hemelvaart ten
doel. Jezus' lijden en smeekingen vonden verhooring;
al is het sterfelijk lichaam een prooi van de
doodsmacht, van den Overste dezer wereld, geworden;
hij is van den dood gered, want de hemelsche
Christus heeft tijdig dat lichaam verlaten. In het
lichaam verkeerde deze in de sfeer van vleesch en
bloed, was daardoor [149]
Ook de Melchizedekplaatsen hebben een Gnostieken
achtergrond; volgens Theodotus (eind 2de eeuw) was
Melchizedek een zeer groote Kracht en verhevener dan
Christus; de verhouding van beiden achtte hij die
van voorbeeld. en afbeelding. [150] Melchizedek
fungeerde als voorspraak voor de hemelsche machten
bij God en als de hoogste priester van de Menschen.
Volgens Hippolytus (VII 36) hebben de ketters
onderscheiden tusschen den mensch Jezus, den
Christus, Melchizedek en God blijkbaar een
opklimmende reeks, waarin de menschelijke Jezus en
de Joodsche Messias voor lagere fazen van het
goddelijke worden gehouden dan Melchizedek. Hieruit
spreekt m.i. polemiek tegen de verjoodsching van de
oorspronkelijke Gnosis, zooals de Katholiek wordende
.Kerk die toepaste. Naar gelang de hemelsche Mensch
door de realistisch gedachte vleeschwording tot een
aardsch mensch werd, moest de gnostiseerende
richting voor haar kosmischen Middelaar wel naar een
anderen titel zoeken: in den moederloozen
Melchizedek kon de volheid der godheid beter gewoond
hebben dan in den uit Maria geboren Jezus. Bij Philo
draagt de Logos–Hoogepriester de wereld als kleed en
heeft dus de beteekenis van de wereldziel; met dit
kleed gaat hij het hemelsch heiligdom, als tempel
gedacht, binnen om daar verzoening te doen. In onzen
brief heet het, dat God Christus een lichaam heeft
bereid om dat te offeren in plaats van de gewone
offers (10 : 5 vv.); de zelfofferande van den
hemelschen Hoogepriester, die buiten de hemelpoort
lijdt en sterft tot verzoening der zonden, zijn
lichaam den Vader offerende. Dat God dit lichaam
heeft bereid is dan Katholiek gedacht; de Gnostieken
zouden het aan den Wereldschepper hebben
toegeschreven.
Men beroept zich op een gebruikelijke, maar onjuiste
vertaling, wanneer men in Jezus een mensch meent te
zien, die tegen de zonde heeft te strijden (12 : 3).
Men vertale aldus „Stelt u hem voor oogen, die zoo
groot verzet heeft verdragen van de zondaren tegen
hemzelf“. M.a.w. „tegen hemzelf“ moet men niet
verbinden met „verzet“, maar met „de zondaren“, nl.
degenen die zich aan den goddelijken Jezus hebben
bezondigd. Wij vinden in de oudheid bij
waarschuwingen tegen gravenschenders den term
„zondaar tegen“, waarop dan de naam van een god
volgt. Hier ter plaatse zijn geen zondige menschen
bedoeld, maar kosmische machten, trawanten van den
Wereld–[151]overste, demonen, allicht de
planetengoden, die den uit den hemel neergedaalden
Godstoon hebben gekruisigd.
Deze brief levert ons opnieuw een proeve van het
reeds bekende verschijnsel van een gematigde,
aangelengde Gnosis. Reeds is de brug geslagen, die
van het oorspronkelijk Gnostieke Christendom leidt
naar het kerkelijke, dat het O.T. als Christelijk
canoniek complex van geschriften aanvaardt. De
aanhef van den brief spreekt dit ondubbelzinnig uit:
de nieuwe openbaring is een voortzetting van de
oude, aangezien één en dezelfde God beide heeft
gegeven. Deze continuïteit sluit echter niet uit,
dat Oud en Nieuw tegenover elkander staan, nl. als
profetie en vervulling. Maar nergens elders in het
N.T. wordt de inspiratieleer aangaande het Oude zóó
consequent uitgesproken als hier. God heeft zich
daarin echter niet tot de joden, maar over hun
hoofden heen tot het geheele menschdom gericht; de
Vaderen prefigureeren de Christenen, die thans in de
rechten treden van het volk der belofte.
Als typisch Roomsch herkennen wij den eisch, dat aan
de belijdenis moet worden vastgehouden, den eerbied
voor het verleden, voor Israël's oude instellingen,
het Schriftgezag en de vroegere leeraren der Kerk.
Eigenaardig is de verwantschap met zoowel de oudste
als de jongste faze van de N.T.ische
gedachtenwereld.
LITERATUUR
H. U. Meyboom, in T.T. 1884, 412 vv.. – E. F. Scott,
in H. Th. R. Juli 1920, 205 sqq.. – Joseph Pascher,
Der Königsweg zu Wiedergeburt und Vergottung bei
Philon van Alexandria, Paderborn 1931. – Ernst
Käsemann, Das wandernde Gottesvolk, Gött. 1938; vgl.
mijn bespreking in N.T.T. 1939, p.166. – Mijn opstel
in N.T.T. 1939, p. 301 vv. en 1926, p. 221 vv.. [1][1] = ten rechte?
|