|
DE WORDING VAN DE
KATHOLIKE KERK
DOOR
G. A. VAN DEN BERGH VAN EYSINGA
GWS XI 1952 - S. 21-52.
Tweeërlei aanleiding heeft mij tot het schrijven van
het volgende artikel gebracht. Allereerst ontving ik
ter recensie het keurig uitgevoerde en leerrijke
boek van G. F.
Brandon,
The Fall of Jerusalem and the Christian Church1.
Leerrijk minder door de oplossing van problemen op
het gebied der Oudchristelijke letterkunde, dan wel
door het stellen en erkennen van problemen, waar
andere onderzoekers die niet zagen of er zich al te
gemakkelijk van afmaakten. De tweede aanleiding tot
mijn artikel gaf
Couchoud’s
Le dieu Jesus, dat ik in deze
Studiën IX reeds besprak, doch waarover sedert
mijn leerling Ds J.
Ritzema Bos
een uitnemende voordracht heeft gehouden in
de naar mij genoemde Studiegroep (10 Oct. 1951).
Couchoud’s
dateering van de Openbaring
van Johannes had
hem overtuigd. Dit deed mij besluiten in de volgende
vergadering (4 Jan. 1952) mijn afwijkend gevoelen
nader toe te lichten; oude en nieuwe argumenten
pro en contra de hooge oudheid en het
Joodschchristelijk karakter van het laatste
bijbelboek werden toen ter tafel gebracht.
Ziedaar dan de dubbele aanleiding tot deze
publicatie. Het ééne thema bleek over het andere
licht te verspreiden en zoo dragen zij te zamen,
naar ik hoop, tot verrijking van onze kennis
aangaande het Oudchristelijk verleden bij.
Ridderlijk erkent
Brandon
de tegenstrijdigheden en moeilijkheden, die de
bronnen voor de geschiedenis van het oudste
Christendom vertoonen. Dat hij nog eens iets goeds
durft te zeggen over de oude Tübingers, waardeer ik.
Zonder ook maar iets terug te nemen van de
herhaaldelijk door mij op hun hypothese geoefende
critiek, kan ik het toch maar slecht hebben, dat men
op mannen als F. C. Baur, Schwegler, Zeiler enz.,
bij duidelijk te bespeuren onbelezenheid in hun
eigen werken, hooghartig neerziet.
1
Verschenen bij S.P.C.K.
Northumberland
Avenue,
London
W.C.2.
XX + 284
p.
30
Sh.
21
Belangrijk is al dadelijk
Brandon’s
begin, waar hij van de tegenwoordige
theologen meent te moeten verschillen, als dezen het
kenmerkende van het Christendom in zijn
historiciteit zoeken. „Wat precies bedoeld wordt met
historiciteit als integreerende factor bij de
wording van een godsdienst, wordt maar zelden
omschreven, doch wat men er in verband met het
Christendom mee bedoelt, moet men maar opmaken uit
de opmerkingen, die meestal als obiter dicta,
(in het voorbijgaan gezegde woorden), „met het oog
op andere godsdiensten worden gemaakt“ (p. 1). In
de mythen van de heidensche godsdiensten heeft
historie geen beteekenis, in het Christendom echter
wel en in dezen was het echt het kind van den
Joodschen godsdienst. Het deed in tegenstelling met
andere godsdiensten zijn aanspraken op autoriteit
berusten op de beslissende gebeurtenissen van zijn
hieros logos, zijn heilsgeschiedenis, die
zich hadden afgespeeld in een bepaalde periode van
de geschiedenis en niet in een ver verwijderd
mythisch verleden. Hetgeen men dan uit de evangeliën
haalt, die den indruk maken van geschiedverhalen, en
uit de Handelingen der Apostelen (p.
2).
Acht de hedendaagsche critiek de echte Paulusbrieven
twintig jaar ouder dan het oudste onzer evangeliën,
dan vertegenwoordigt
Paulus
met zijn mystiek en esoterisch geloof en zijn leer
aangaande den aard van Jezus Christus en diens werk
een ouder stadium van het Christendom, geheel
onafhankelijk van eenige betrekking
tot den historischen
Jezus, die zoo levendig in de evangeliën geteekend
wordt.
Paulus’ leer
blijkt nogal eens het gezag van zulk een
geschiedkundige traditie niet te kunnen dulden. De
geleerden,
die Paulus als
met alle belangrijke momenten van de evangelische
traditie bekend trachten voor te stellen, bewijzen
reeds door hun pogingen het problematische van de
zaak en te meer, omdat hun onderzoek tot heel magere
resultaten leidt, vergeleken met den rijkdom van het
evangelieverhaal (p.
3).
In Paulijnsche kringen blijkt niet de belangstelling
voor het leven van Jezus
van Nazareth
te zijn geweest, die juist de allereerste raison
d’etre
van
onze evangeliën is.
Reeds sedert
Bruno Bauer in
het midden der vorige eeuw heeft de radicale critiek
op deze bevreemdende verschijnselen gewezen.
Brandon
vermeldt hem niet, evenmin
Rudolf
22
Steck’s
Galaterbrief.
In zijn eigen taal had hij die critiek kunnen
leeren
kennen uit geschriften van L.
Gordon Rylands,
Thomas Whittaker,
W. Benjamin
Smith.
W. C. van
Manen’s artikelen in de
Encyclopaedia Biblica
stonden ook te zijner beschikking, evenals mijn
Radical Views about the
New Testament
(London,
Watts,
1912).
Zijn verzuim om met deze meer miskende dan gekende
richting in de wetenschap van het ontstaan van het
Christendom kennis te maken, wreekt zich, als hij,
ondanks zijn durf en verzet tegen menige gangbare
opvatting, toch tenslotte geen bevredigend beeld van
het Oudchristelijk verleden geeft. Hij begint wel
met „hypercritisch“ klinkende uitspraken, doch
zingt, als het er op aankomt, in het koor
van Streeter, Kirsop Lake,
Turner, Dodds e.d. mee.
Intusschen blijft
Brandon’s
vraag interessant: in welk milieu is de
belangstelling voor het leven van Jezus opgekomen?
Mijn antwoord luidt anders dan het zijne, doch dat
hij hier een probleem ziet, pleit voor zijn critisch
vermogen, wat tegenwoordig nog maar bij weinigen
gevonden wordt. Ook dat hij oog heeft voor de
moeilijkheid, die Gal.
1: 6—9 (vgl. 2
C.
11: 4)
met de vermelding van een ander evangelie en een
anderen Jezus oplevert (p.
4).
Hij ziet ook, dat in de evangeliën de Twaalve, en
onder dezen speciaal Petrus als de autoriteit is
geteekend, bij
Paulus
en in de Handelingen echter
Jacobus,
de broeder van Jezus, die eerst sceptisch tegenover
hem stond,
met Kephas en Johannes.
Hoe kan er twintig jaar na de kruisiging zoo’n
onverwachte wijziging zijn gekomen in de leiding der
Jeruzalemsche gemeente (p.
5)?
Raadselachtig schijnt ook het stilzwijgen over
Egyptisch of Alexandrijnsch Christendom in het
N.T.,
terwijl Egypte toch zoo dicht bij Palestina ligt en
al zoo heel lang aantrekkingskracht voor de Joden
had gehad (p.
6).
Het treffende verschil tusschen Handelingen en
Galaten, wat den eisch der besnijdenis betreft,
hebben vele geleerden trachten op te lossen, maar
met zeer twijfelachtig succes (p.
7).
Hoe is het afgeloopen met
Paulus
en diens werk?, vraagt
Brandon
verder. Breekt de schrijver van Handelingen
Paulus’
geschiedenis af, omdat zijn held verder geen
belangrijke rol meer heeft gespeeld in de historie
van het
Heidenchristendom?
Vreemd is het feit, dat
Paulus
alleen maar brieven heeft ge-
23
schreven gedurende de barensweeën van de geschillen,
of dat, om eenige zonderlinge onbekende reden de
gemeenten, waaraan hij schreef, zijn polemische
brieven alleen het bewaren waard achtten. Er zijn
veel onopgeloste vragen met betrekking tot den
bundel Paulina; zelfs de als echt beschouwde brieven
leveren een waarlijk verbazingwekkende verwarring
op; bijvoorbeeld 2 Cor., dat een
alleronbegrijpelijkst mozaïek van fragmentjes
schijnt, en Rom. 16, dat oorspronkelijk een
zelfstandig stuk zal zijn geweest (p. 8). De
belangrijke brief aan de Laodicaeërs is verdwenen,
terwijl een zoo onnoozel particulier briefje als
dat aan Philemon bewaard is gebleven. Dit alles ware
toch onmogelijk, wanneer Paulus de hooggeschatte
Apostel geweest zou zijn, die de zegepraal heeft
behaald in zijn strijd voor de zaak der heidenen,
wiens brieven zorgvuldig bewaard zijn bij zijn leven
en daarna, als kostbare herinneringen aan een
heilig, geïnspireerd leider.
In dit opzicht is
William
Benjamin Smith 1 met zijn
Saeculi silentium, door P. W.
Schmiedel
een vertaling in het Duitsch waardig gekeurd,
Brandon
bijna een halve eeuw vóór geweest.
Bevreemdend heet verder het feit, dat, terwijl toch
in de Handelingen, ja zelfs in Gal. 2: 1 v.; 1 : 17
v. Jeruzalem als het gezaghebbende centrum van het
oudste Christendom wordt erkend, er geen enkel
belangrijk authentiek geschrift van de leiders dier
gemeente tot ons is gekomen. Want de brieven van
Petrus, Jacobus, Judas en Johannes noemt hij
„tweede-rangsdocumenten van meer dan twijfelachtig
auteurschap“ (p. 9). Hoe is het mogelijk, dat over
de verwoesting van Jeruzalem in 70 door de
Oudchristelijke letterkunde bijna volkomen wordt
gezwegen en dat men er ook niets vermeld vindt over
het lot van de moedergemeente bij deze gelegenheid
en dat, terwijl toch de evangeliën en de Handelingen
waarschijnlijk na den val van Jeruzalem zijn
geschreven? Al deze raadselen hebben
Brandon
er toe gebracht, de beteekenis, dien Jeruzalem’s val
voor het oudste Christendom heeft gehad,
opzettelijk na te gaan (p. 10-11).
Onze auteur is sterker in het aanwijzen van
raadselen dan
1 ”Der
vorchristliche Jesus“. Giessen 1906.
24
in het oplossen daarvan. Al spoedig verdwijnt een
deel van zijn skepsis, als hij Paulus’ brieven aan
de Gal., Thess., Cor., Rom., Philipp., Col. en
Philemon als authentiek aanneemt en wel op grond van
de eensgezindheid in gevoelen van de critici (p.
15), waarbij dan de „radicalen“ weer zijn weggedacht1.
De vraag naar het karakter van den Oudehristelijken
brief komt bij hem niet op (Vgl. G.S. X).
Evenmin de gedachte, dat de pas door hem
gesignaleerde eenstemmigheid der geleerden op het
punt van hun blind-zijn voor allerlei
tegenstrijdigheden, hem toch huiverig moest maken
voor een communis opinio over de echtheid van
bepaalde geschriften.
Had Brandon
behoorlijk kennis genomen van de resultaten
der radicale critici, hij zou met zijn critisch
vermogen minder verzekerd hebben geschreven over de
gemeente te Jeruzalem, haar zuilen, haar hoofd
Jacobus en allerlei andere gegevens uit den brief
aan de Galatiërs. Hij zou geweten hebben van een
katholiseerende bewerking der Paulusbrieven met veel
meer citaten uit het O.T. dan Marcion daarin las.
Alles wat hij over het overwicht van het Joodsche
element in de oorspronkelijke Christelijke gemeente
schrijft, dateere men een eeuw later, dan hij het
doet (p. 19 sqq.). De eenig houdbare verklaring voor
het zwijgen van Handelingen over een gemeente te
Alexandrië (p. 24) is de concurrentie van de
Roomsche gemeente met de Egyptische in het midden
der tweede eeuw. Oorspronkelijk was de gemeente van
Rome een filiaal van de Alexandrijnsche; zij kreeg
echter de eerste plaats, toen Trajanus de geheele
Jodenwijk te Alexandrië als straf voor een opstand
had laten vernielen2. Laat Matthaeus na
Jezus’ dood de leerlingen naar alle kanten vluchten,
de katholiseerende Lucas (24: 47 vv.) zegt, dat zij
te Jeruzalem blijven en vandaar het Evangelie
uitging.
Paulus
vindt allerlei voorwendselen om naar Rome te komen
en daar te prediken. „Apostelen“ in den
Christelijken zin van het woord zijn er in Palestina
nooit geweest; bij de Joden waren apostelen
zendboden van de hoogepriesters, die de bijdragen
voor den tempel in de verstrooiing ophaalden. Die
Palestijnsche Apostelen uit het N.T.,
1
Behalve hun namen mis ik o.a. die van Watkins,
Oepke, Schlier, Valentin Weber, Barnikol.
2
Vgl. H.
E.
Bell,
„Juden und Griechen im römischen Alexandreia“.
Beiheft 9 zum „Alten Orient“, Lpz. 1926, S. 43.
25
die alleen Grieksch spraken en hun Schriftkennis
ontleenden aan de Septuaginta, zal
Brandon
ons nog eens aannemelijk moeten maken.
Was Mozes door Philo reeds tot een halfgod verheven,
radicalere Gnostieke Joden hebben een mythe van
Mozes’ opvolger gehad, Jozua = Jezus, nog
hemelscher gedacht dan de Wetgever. Deze Jezus was
door de planetengeesten aan het kruis geslagen, het
snijpunt van ecliptica en aequator aan het
firmament. Bij Athanasius 1 hooren wij
nog een naklank van de oude mythe, die de
antigoddelijke machten door Christus bij diens dood
in de lucht laat overwinnen: De Heer is gekomen om
den duivel neder te werpen, de lucht te zuiveren en
voor ons den opgang tot de hemelen te banen......
Door welken anderen dood kon dit zijn geschied, dan
door dien in de lucht, ik bedoel: aan het kruis?
Want iemand sterft alleen dan in de lucht, wanneer
hij aan het kruis aan zijn einde komt2.
Hier is het denkbeeld verbleekt en verzwakt, een
herinnering daaraan straalt niettemin door: de booze
geesten met hun luchtrijk zijn oorspronkelijk boven
de aarde gedacht geweest. In tegenstelling met de
Groote Kerk vertegenwoordigen de Gnostieken het
antiekere standpunt, dat
de paroesie des Heeren
nog niet heeft gekend als diens wederkomst. De Kerk
leerde: Christus is er geweest, weliswaar in
nederigheid maar toch ook verheerlijkt als
verrezene en ten hemel varende. Leert zij daarnaast:
Christus moet nog komen in heerlijkheid, dan is dit
Joodsche Apocalyptiek, die bij de verjoodsching van
het Evangelie te Rome past, waardoor het vergroofd
en realistisch wordt gemaakt ten behoeve van de
massakerk. Deze mythe is naar de aarde verlegd en
Jezus de daar rondwandelende en gekruisigde
geworden. De Paulijnsche brieven weten van die
historiseering der heilsgeschiedenis nog niet af.
Het raadselachtige bericht omtrent den Alexandrijn
Apollos (Hand. 18 : 24 v., vgl.
Brandon,
p. 24 sqq.) heeft, dunkt mij, de bedoeling
aan te toonen, dat het Joodsche, schriftgeleerde
Alexandrië maar weinig noodig heeft om tot het
Christendom te komen en komt het dat, een machtig
apologeet daarvan tegenover het Jodendom kan zijn.
Maar aanvankelijk is het naar de opvatting van de
Groote
1
De incarnatione
26.
2
Talrijke bewijsplaatsen gaf ik
in „N.T.T.“. 1943,
blz.
15
en
1944
blz.
200
v..
26
Kerk maar een mager Christendom geweest. In
tegenstelling met
Brandon,
die den schrijver van Handelingen „der
traditie getrouw“ noemt, als deze de Jeruzalemsche
gemeente ook op de heidenchristenen controle laat
oefenen, zie ik de verhouding omgekeerd: de
katholiseerend tendentieuze auteur minacht de
empirische joden, maar eert Jeruzalem als prototype
van het latere Rome, dat immers het Jodendom noodig
heeft om zich te handhaven tegenover de dreigende
gevaren van den kant der groote Gnostieke
ketterijen. Jeruzalem is dan een eerwaardiger
geboortegrond voor het Christendom dan het te zeer
vergnostiekte Egypte. Niet van Jeruzalem naar Rome
is het Evangelie gekomen, maar de Roomsche gemeente
heeft de evangelische mythe als historie naar
Palestina verlegd.
Brandon
(p. 31) erkent, dat eerst in documenten van na
Jeruzalem’s val, bestemd voor Grieksch sprekende
gemeenten, de overleveringen van de Palestijnsche
Kerk zijn bewaard. Hij noemt het terecht een
opmerkelijk feit, dat de moederkerk van het
Christendom door geen geschrift bekend is, dat
zonder aarzeling als authentiek product van haar kan
worden aanvaard. Maar gelukkig hebben wij, zegt hij,
de Synoptische evangeliën, legitieme bronnen van
informatie omtrent Palestijnsch Christendom,
klaarblijkelijk samengesteld uit oorspronkelijk
Palestijnsche stof, die eens in het bezit moet zijn
geweest van de Palestijnsche geloovigen. Drie
gronden geeft hij aan voor deze these: bekendheid
met Palestijnsche geografie, belangstelling voor
polemiek met verschillende Joodsche secten en
eveneens voor bepaalde Joodsche inzettingen en
gewoonten. Het zou mij te ver voeren, wilde ik al
deze argumenten ontzenuwen. Vorige generaties van
geleerden hebben dit trouwens reeds afdoende gedaan.
Het geloovig werken met Marcushypothese en Q doet
mij vreemd aan, maar verzekert onzen auteur van de
zijde der critici van den dag stellig volle
absolutie voor veel zondigen twijfel op de eerste
bladzijden van zijn boek.
Aarzelend is ook zijn houding ten opzichte van het
bericht bij Eusebius (III 5, 2-3) over de vlucht der
Christenen naar Pella, dat Epiphanius heeft
nagevolgd. Nauwkeurige verslagen acht hij ze niet,
maar toch ook niet volkomen fictie (p.
172).
Mijns inziens pleit voor dit laatste alles. Deze
door goddelijk orakel veroorzaakte uittocht der
Christenen uit Jeruzalem, juist
27
voordat
de straf Gods
stad en volk trof, omdat zij den Heiland, Stephanus,
Jacobus
den Apostel en
Jacobus,
den broeder des
Heeren,
hadden gedood, maakt allerminst den indruk van
geschiedenis. Dat het bloeiende centrum van
Christelijk leven te Alexandria zijn ontstaan te
danken zou hebben gehad aan de gemeente in Palestina
(p. 178) kan men bezwaarlijk bewijzen uit het
verwarde Apollosbericht in het tendentieuze,
romantische boek de Handelingen.
Carl Clemen,
wiens naam ik bij
Brandon
ook tevergeefs gezocht heb, heeft mij zijn
instemming betuigd met mijn radicaal-critische
studiën over Handelingen 1. Dat
Openb. 21: 10 (de heilige, uit den hemel
nederdalende stad Jeruzalem) door een Joodsch
Christen kort na den val van Jeruzalem moet zijn
geschreven, komt mij onjuist voor, want het
nieuwe Jeruzalem is niet een vernieuwd of
hersteld Jeruzalem, doch een geheel nieuw en
andersoortig, dat van den aanvang der wereld af bij
God was (Syr. Baruch
4
: 1—6)
en dat Mozes op den Sinaï heeft aanschouwd
(4
Ezr.
4).
Dit denkbeeld kon pas na
70
opkomen, waaruit wij dan mogen besluiten, dat ook om
Gal.
4: 26
de brief van
Paulus
aan de Galatiërs na
70
gedateerd moet worden.
Brandon
schijnt mij dezelfde fout te maken, die F.
Dijkema2 gemaakt heeft, toen deze Jeruzalem en de
twaalf namen der stammen Israel’s op de poorten aan
Joodschchristelijkheid van den auteur toeschreef.
Mij dunkt, hier is veeleer antijoodsch Katholicisme
aan het woord, dat het denkbeeld aan het O.T.
ontleent: de Christen beschouwt zichzelf als
erfgenaam van het heil, dat de Joden hebben
verspeeld.
Met Brandon’s
gegevens kan men vaak tot geheel
tegenovergestelde conclusies komen. Zelf noemt hij
de gegevens kwantitatief mager en kwalitatief
armzalig, maar welsprekend evident acht hij het
onweerlegbare feit, dat na 70 de Jeruzalemsche
gemeente totaal uit het leven en de belangstelling
van de Katholieke Kerk verdwijnt, nadat de
moedergemeente te voren zelfs voor Paulus
gezaghebbend middelpunt is geweest (p. 183). Voor
wie de ± 150 geschreven Handelingen geen
betrouwbare historiebron zijn en de Paulusbrieven
geen particuliere correspondentie van vóór 70,
beteekent deze rede-
1
Zij verschenen in „N.T.T.“
1916-1919, 1921
en
1923. 2
In „N.T.T.“
1926,
Hz.
37.
28
neering niets. In hun Marcionietischen vorm geven
die Paulusbrieven trouwens geen blijk van een
bijzondere plaats, die de Palestijnsche gemeente
in het Christelijk leven innam. De Paulus van
Marcion staat afwijzend tegenover de judaïseerende
partij in Rome en haar fabuleeren over
oorspronkelijk Palestijnsch Christendom bestrijdt
hij niet met te zeggen: „dat is er nooit geweest“,
— zoo iets lag niet in de lijn van Paulus’ verzet
tegen en onafhankelijkheid van
Joodsch-christelijke autoriteit. Moest de gemeente
te Rome, eenmaal op den weg geraakt om de
continuïteit van O. en N.T. tot dogma te verheffen,
den Alexandrijnschen Christus tot den Joodschen
Messias te maken en de Christusmythe te
historiseeren, niet noodwendig komen tot een
volgens Micha 5 : 1; Jez. 8 : 23; 9 : 1 in Palestina
verschenen Christus? Volgens Tertullianus (adv. M.
I
19)
heeft Marcion in zijn eenig evangelie Christus Jezus
in het 15de jaar
van Tiberius
uit den hemel laten nederdalen in Kapernaum.
Dezelfde tijds- en plaatsbepaling dus als
bij Lucas (3:1). De Marcionieten rekenden tusschen
Christus en Marcion 115V2 jaar en een halve maand.
Uitgaande van het jaar 29 komen wij dus op 144, dat
dan volgens
Barnikol i, in afwijking
van de meeste onderzoekers, Marcions
sterfjaar zou zijn, terwijl het gewoonlijk als het
jaar van zijn uitzetting uit de Roomsche Kerk
wordt opgevat. Als verschijningsjaar van Christus
schijnt Marcion reeds
29
te hebben gesteld. Met monarchaal
episcopaat, N.T.ischen kanon, geloofsbelijdenis,
waardeering van Paulus als den kanonieken
Apostel is de Marcionietische Kerk het eerst
begonnen. De antimarcionietische Kerk verklaart dan
de Pastorale brieven voor kanoniek. De strekking
daarvan drukt
Barnikol geestig uit: „die
neue
Kirehe
brauchte am meisten Kirchenordnungsbriefe und
Bischofsbriefe, die gleichsam der ,Episkopus Paulus’
in weiser Voraussicht für die Lage der werdenden
Kirche im Jahrhundert später, rechtzeitig
geschrieben hatte“ 2.
Dezelfde geleerde stelt
de
constitutie van de Oudkatholieke Kerk
±
155 en
meent terecht, dat de Roomsche gemeente jarenlang
min of
1
In „Theol. Studien und Kritiken“, 103. Jahrg., 1931
S. 208.
Ook afzonderlijk
versehenen als „Die Entstehung der Kirche im zweiten
Jahrhundert und die Zeit Marcions“. 2. Aufl. Kiel,
1932. 2 „Die Entstehung der Kirche“, S.
28.
29
meer „Marcionietisch“ is geweest. Wat dan neerkomt
op mijn sedert lang verdedigde gevoelen, dat Marcion
ketter wordt doordat hij, bij verloopend getij van
de gemeente in judaïseerende richting, niet kan
en wil meegaan. Niet als
ketter-nieuw-lichter, maar als vertegenwoordiger van
een oudere faze van het Christendom, die bij zijn
antinomistische sympathieën volhardt, en het
ascetisme van het oorspronkelijk geloof niet laat
verslappen, zooals Rome dat dan in meerderheid gaat
doen. Brandon
1 ziet in het oudste
Synoptische evangelie, dat dan zijns inziens Marcus
is, een nieuwigheid in het Christelijk geloof en de
Christelijke practijk (p. 184). De val van Jeruzalem
zal het schrijven van een dergelijke Jezusbiografie
noodzakelijk hebben gemaakt. Nu heeft
Lohmeyer2
er op gewezen, dat Marcus de reputatie van
Galilaea ten koste van Jeruzalem in de hoogte
steekt. Volgens
Brandon
zal ook dit weer een gevolg van het jaar
70
zijn (p.
197).
Dat hij
Marcus door
het Paulinisme beïnvloed acht, is een ook door mij
verdedigd gevoelen. Maar Marcus, ofschoon in zijn
kanonieken vorm mijns inziens jonger dan Matthaeus,
vertegenwoordigt een antieker standpunt van
evangeliebeschrijving en staat naar den geest
dichter bij het Oudste evangelie, dat Alexandrijnsch
is geweest. Marcus, niet alleen leerling van Petrus,
maar ook reisgenoot van Paulus, heet trouwens de
eerste bisschop van Alexandrië geweest te zijn. In
deze traditie spiegelt zich nog de herkomst van het
Oudste evangelie af. Als Epiphanius (Haer. 51, 6)
weet te vertellen, dat Marcus pas nadat hij zijn
evangelie had geschreven, door Petrus naar
Alexandrië is gezonden, blijkt hieruit wel, dat
Rome voor zich den oorsprong van dat evangelie
opeischt en zich vanouds over Alexandrijnsch
Christendom gezag aanmatigt. Treedt de
Alexandrijnsche Kerk eerst tegen 180 voor ons in het
licht der geschiedenis en heeft Eusebius in zijn
bronnen daarover niets gevonden 3, dan is
hier duidelijk opzet van het Roomsche kerkbestuur in
het spel. Dit heeft oorspronkelijk Egyptisch
Christendom doodgezwegen, toen het zelf een zijns
inziens verbeterde editie van het geloof bezorgde en
in de Christenheid de eerste plaats wenschte in te
nemen.
1
S.
29,
Anm.
29. 2 „Galiläa und Jerusalem“. 3
Harnack,
„Mission und Ausbreitung des Christentums“ 4,
1924 II 706 f..
30
Het evangelie
van Matthaeus
is geschreven om den Heiland als Messias voor te
stellen. Terwijl „onze Heer“ volgens de antieke
opvatting Jezus Christus is (R. 15 : 6; Phil. 2 :
11; 1 C. 8 : 5 v.), laat Matthaeus Jezus het „Hoor,
Israël! de Heer uw God is een eenig Heer“ opzeggen.
Hier is de Joodsche Heer, die door het
antiek-gnostiseerende Christendom van Alexandrië ter
zijde was geschoven, weer binnengehaald om het
Evangelie aannemelijk te maken voor de menigte en
een dam op te werpen tegen de groote Gnostieken,
die uit Egypte kwamen: Basileides, Karpokrates,
Valentinus e.a.. Wat ons in de Oudchristelijke
letterkunde over een Evangelie der Egyptenaren wordt
bericht, strekke mede ten bewijze, dat er in het
land van den Nijl Christenen van Gnostieke kleur
zijn geweest. Stelt
Walter Bauer
1 dit Evangelie der Egyptenaren
als heidenchristelijk tegenover het Evangelie der
Hebreeën, dat ook in Egypte zal zijn ontstaan in de
eerste helft der tweede eeuw en wel in het Grieksch:
het leven van Jezus, zooals de Egyptische
Christenen uit de Joden het lazen, dan hoor ik hier
een naklank van de Tübinger hypothese, die in het
oudste Christendom twee kategorieën van Christenen
aannam. Inderdaad zal het zich in Egypte tot
Christendom ontwikkelend Jodendom een veelkleuriger
beeld hebben vertoond. Den oorsprong van het
Christendom zoeke men niet in Palestina, maar in
Egypte.
Volgens Joodsche geleerden als
Montefiore
en
Klausner zijn de opvattingen omtrent den
Messias bij de Joden der eerste eeuw van onze
jaartelling vaag en niet eensluidend geweest. Voor
het Palestijnsche Jodendom was een praeëxistente,
goddelijke Messias een totaal vreemd denkbeeld; de
cultus van een heros, koning of leeraar, in wien de
godheid woont, eveneens. Het geloof, dat een mensch
God kan worden of God mensch, past niet bij het
Jodendom. Dergelijke voorstellingen komen uit het
Hellenisme2 en het Alexandrijnsche
Jodendom is er toegankelijk voor geweest.
Uit Philo’s geschrift over Kaïn’s nakomelingschap
hooren wij van het bestaan van een antiwettelijke
Gnostieke secte in het Alexandrijnsche Jodendom. De
afstammelingen van Kaïn
1
„Rechtgläubigkeit und Ketzerei im ältesten
Christentum“.
Tüb. 1934, S. 55—57. 2 Gerald
Friedländer, „Hellenism and Christianity“.
London 1912.
31
zijn namelijk niet de antieke Sophisten in het
algemeen, maar een speciale richting in Philo’s
onmiddellijke omgeving, hetgeen uit verschillende
bijzonderheden blijkt. Kwalijk past bij Grieksche
philosofen, dat zij wel verheven redevoeringen over
heiligheid en Godsvereering houden en aanhooren,
terwijl zij in hun binnenste een antigoddelijke
gezindheid hebben. Evenmin past bij Grieksche
philosofen, dat zij zich tegen de beschuldiging van
goddeloosheid verdedigen door de bewering: wij zijn
voortreffelijk opgevoed bij onzen leermeester Kaïn,
die aanried, het nabijzijnde meer te vereeren dan
den ver verwijderden Schepper; men moet Kaïn reeds
daarom aanhangen, omdat deze door duidelijk
zichtbare daden de kracht van zijn leer bewees,
namelijk door de overwinning op Abel, die het
tegengestelde leerde. Dat Philo inderdaad zinspeelt
op een contemporain gevaarlijk verschijnsel, blijkt
als hij die Kaïnieten beschuldigt van verzetten der
grenspalen: deze grenzen heeft niet onze
generatie vastgesteld, maar de Redekrachten, die
vóór ons waren en ouder dan al het aardsche en
goddelijk zijn. Die Kaïnieten zijn zóóver in hun
vervloekte goddeloosheid gegaan, dat zij niet alleen
voor zichzelf vereenigingen stichten, maar ook de
deugdzame menigte van Israël er toe willen
noodzaken, door haar bestuurders en leeraren van
slechte werken bij de verkiezingen op te dringen.
„De sofistische schare der menschen van nu“ doelt
stellig ook op tijdgenooten van Philo 1,
autonomen, die de gehoorzaamheid aan den O.Tischen
god min of meer hadden opgezegd. Ondanks al zijn
verlichtheid moest Philo tegen dit alles wel hevig
gekant zijn.
Deze Joodsch-Gnostieke secte van de Kaïnieten hebben
dan hun geestelijke nakomelingschap gehad aan de bij
Irenaeus2 vermelde Kaïnieten, die Kaïn
als de goddelijke Kracht verheerlijkten. Zij
beschouwden den god van de Mozaïsche wet slechts als
een ondergeschikt, half-goddelijk wezen, Jaldabaóth
geheeten. Volgens de Peraten nam die lagere god geen
genoegen met Kaïn’s vruchtenoffer; de Heer dezer
wereld, die zich in bloed vermeit (Hippol. V 16,
8), nam daarentegen
1 Men vergelijke ook Cherub. 65 vv.;
Sacrif. 2; qu.det. 1, 32, 34, 36. 2 I 31,
2. Ook Philaster van Brescia (± 390) in het begin
van zijn Kettergeschiedenis, zegt van Ophianen,
Kaïanen en Sethoieten, dat zij reeds vóór Christus’
komst zijn ontstaan.
32
Abel’s bloedig offer gretig aan. Is Christus dan
volgens Marcion in den Hades nedergedaald om onder
anderen ook Kaïn te verlossen, Abel heeft hij daar
laten blijven, omdat deze den Jodengod had vereerd.
In deze sfeer van gedachten verschijnt Kaïn als
dienaar van den waren God, als verlichte
tegenstander van den Demioerg of Wereldschepper.
Hoofddoel van de Gnosis was immers: zinnelijke
menschen te doen ontwaken tot zelfbewustzijn en zoo
te bevrijden van de heerschappij der lagere machten,
speciaal van den O.T.ischen god. Herinnert het niet
alles aan de door Philo bestreden Kaïnieten, die
eigen geest eerden boven een transcendenten Heer?
Hegesippus beweert1, dat alle ketterij is
voortgekomen uit het Jodendom van den
voorchristelijken tijd. Zoowel de Joodsche
orthodoxie als later de Christelijke was hiervan
afkeerig. Maar de Christenen hebben later alle
verband met de Joodsche verstrooiing genegeerd en
ook de Joodsche secten niet meer als geboorteschoot
van de Christelijke ketterij laten gelden; dan
maken zij Simon Magus tot den aartsketter: „den
meester en verwekker van alle ketters“ gelijk
Irenaeus hem betitelt. Onmiddellijk na den dood der
Apostelen zal het kettersche Gnosticisme het hoofd
hebben opgestoken. Het onkruid kon pas zijn gekomen,
nadat het goede zaad was uitgestrooid. Bij Clemens
Alexandrinus vinden wij dit goed orthodox
uiteengezet2. De Kerk is het eerste
Christendom, „de ware en werkelijk oude Kerk“, één
gelijk God zelf. Historisch juist is deze kerkelijke
lezing niet. De radicaalste vleugel van de
allegoriseerende Alexandrijnsche School zal boven
het Joodsche Godsbegrip zijn uitgestegen en den
genadigen, liefderijken God tegenover den
bloeddorstigen wereldschepper van de Wet hebben
gesteld. De Christen Marcion, antieker Christen dan
de Gemeente van Rome, die zich tot Wereldkerk en tot
wereldscher Kerk gaat ontwikkelen, maakt ernst met
het woord van zijn Christus: „Ik ben gekomen om Wet
en Profeten te ontbinden.“ Marcion was de
voorkatholieke Christen; hij stond vijandig
tegenover den vleeschelijken Christus der Kerk en
haar wettelijkheid. Dit antijudaïsme mag men niet
met antisemietisme gelijkstellen; het had,
gelijk wij zagen,
1
Bij Eusebius, H.E. IV 22, 7. 2
Strom. VII 107.
33
zijn voorlooper in de Alexandrijnsche antiwettelijke
kringen. Geen krasser antinomisme kan men zich
denken dan wat in den boezem van het nomisme zelf
zich ontwikkelt.
Heeft Kayser
1 met zijn verklaring
gelijk, dat de oorspronkelijke tegenstelling voor
Marcion niet Wet-Evangelie, maar Natuur-God is
geweest, dan heeft deze ketter met het verleggen
van het zwaartepunt uit het metafysische naar het
ethische een concessie gedaan aan de gemeente van
Rome. Marcion’s stelsel was bijna geheel vrij van de
mythologische franje, die de Gnosis overigens
vertoont: als zoodanig de zakelijkste uitdrukking
van het nieuwe wereldgevoel2. Is dit nu
niet juist de door de wordende Katholieke Kerk
verjoodschte, maar door Marcion zuiverder bewaarde
vorm van een oorspronkelijk Christendom: Christus,
die ons van de wereld en haar god verlost en tot
kinderen van den Vader maakt?
De Roomsche gemeente laat zich in den loop der 2de
eeuw meer leiden door een gewijzigd Judaïsme dan
door Hellenistische theosofie. Zij wil, — typisch
Roomsch! — dat aan de homologia, de
Belijdenis en de Schrift worde vastgehouden, eerbied
voor het verleden, met name voor Israel’s oude
instellingen, worde gekoesterd; het Christendom
wordt niet als een nieuwe openbaring, maar als de
voltooiing van alles wat waar en belangrijk was in
het verleden voorgesteld. De Kerk heeft de
voorrechten
van Gods
uitverkoren volk gekregen.
Bousset’s
gevoelen, dat de dualistische Godsvoorstelling van
Marcion met Perzië verband houdt, kon wel eens steun
ontvangen uit diens chronologie. Deze stelde
namelijk de periode van den zondeval tot zijn eigen
optreden op
3000
jaar. Volgens den Joodschen kalender beleven wij nu
het jaar
5713;
Marcion, ±
144
na
Chr.,
zou dan ten jare
3905
na den val zijn opgetreden. Deze moet dus een
andere chronologie dan de Joodsche hebben gebruikt,
en het ronde getal 3000, dat kennelijk niet
modern-tijdrekenkundig moet worden opgevat, maar op
een antiek-godsdienstige philosofie der geschiedenis
berust3, herinnert ons aanstonds aan de
vier periodes van 3000 jaar, die in Perzië den
wereldduur vormen en waarvan één door den
1
In „Theol. Studien und Kritiken“ 1929, Bd. 101, S.
279 ff.. 2 Hans Jonas,
„Gnosis
und spätantiker Geist“, Göttingen 1934, S. 173 f.,
231. 3 Vgl. Boendahishn XXIV.
34
strijd van
Licht
en Duisternis wordt gekenmerkt. Wij kennen deze
opvatting uit het werk van Esnik van Kolb in Armenië
(5de eeuw) Tegen de Sectenl,
waarvan het vierde of laatste boek over de
Marcionieten handelde. Hun dwaalleer luidde volgens
hem, dat de Goede, die in den derden hemel
(vgl. 2 Cor. 12 : 2—4)
woont, gedurende
29
geslachten de zielen in de hel zag gefolterd worden,
toen medelijden kreeg en zijn Zoon Jezus Christus
uitzond.
Harnack2 vat dit op als 29
eeuwen en
Barnikol 3 schrijft deze 29 aan de
bedoeling toe, dat Marcion’s optreden eigenlijk de
voltooiing van de verlossing is. Dat Jezus op zijn
dertigste jaar begint op te treden, stemt
merkwaardig overeen met Zarathoestra’s eerste
optreden op dienzelfden leeftijd. Terwijl ook diens
opvolgers in de beide volgende
millennia op
hun dertigste jaar hun werkzaamheid zullen beginnen
4.
Marcion is met zijn wereldomvattende plannen naar
het keizerlijke Rome getrokken, omdat hem dit
grooter kans van slagen bood, terwijl toch eigenlijk
het Oosten zijn vorm van Christendom meer heeft
gewaardeerd; Edessa in het bijzonder5.
Met de historiseering van de mythe, met de
vastlegging van de heilsgeschiedenis, geografisch in
Palestina en chronologisch in de dagen van Keizer
Tiberius, heeft hij, blijkens de aanvangswoorden van
zijn eenig evangelie, zich kunnen vereenigen. Wat
kan echter geleid hebben juist tot fixeering in dien
tijd?
Bij Hieronymus kan men lezen, dat geen profeet zoo
duidelijk over Christus heeft gesproken
als Daniel. De
zeventig jaren van Jer.
25 : 11
v.
(27 :7; 29 : 10),
waarna de verwoesting van Jeruzalem een einde zou
nemen, waren door
Daniel als
jaarweken verklaard. In de door de Christenen der
tweede eeuw gebruikte Grieksche vertaling van
Daniël, door den proseliet Theodotion vervaardigd,
een met behulp van den grondtekst herziene
Septuaginta, luidde Dan. 9 : 26: „Na 62 zeventallen
van jaren zal de Gezalfde gedood worden“; men
begrijpt, dat de Oudchristelijke lezer daarin den
dood zijns
1
H. H. Schaeder,
in „Z.D.M.G.“
278, 1941,
noemt het: „De Godheid“.
2
„Marcion“
2,
S.
23 *. 3
In „Theol. St. u. Kr.“
103.
Jahrg. 1931,
S.
208
ff.. 4 Zie artikel „Ages“ in „Hastings
Encyclopaedia“. 5 W. Bauer,
a.a.O., S. 22, 34.
35
Heeren voorspeld vond. Als Tertullianus (ad Jud. 8)
dezen tekst citeert, zegt hij: „derhalve zijn de
tijden na te vorsehen van den dux Christus,
die zal komen; die zullen wij opsporen bij Daniel.“
De tijd van de verwoesting van Jeruzalem was voor de
Joden het einde van de 70 jaarweken; toen had de
Messias moeten verschijnen, maar Israel’s zonde had
dit onmogelijk gemaakt. 1
Het oudste, uit Gnostieken hoek herkomstige
evangelie heeft weinig meer behelsd dan de komst,
het lijden en sterven en de opstanding van den
hemelschen Christus, waarbij de Overste dezer wereld
met diens demonische handlangers de rol vervulden
van zijn belagers en kruisigers. Chronologische
bijzonderheden zal het niet hebben bevat. Het proces
van de historiseering der mythe, de anti-docetische
tendenz van de wordende Kerk, maakt vastlegging van
het godmenschelijk verhaal in de geschiedenis
noodig. In den strijd tegen het ongeloovige
Jodendom, dat de vervulling der profetie nog altijd
niet verwerkelijkt achtte op grond van Israel’s
zonde, kwamen Christenen, die het ongeloof van
Israël aan Christus als zijn grootste zonde
beschouwden, er toe, om den val van stad en volk als
straf voor dat ongeloof te beschouwen 2.
Dan wordt Daniël een kroongetuige hiervoor, dat
Christus er al is geweest en wanneer hij
er is geweest. De
70
jaarweken verspreiden dan licht over het jaar van
zijn verschijning. De evangeliën blijken met het
boek Daniël vertrouwd (vgl. Mt. 24 : 15; Mo. 13 :
14). De discipelen vragen in de synoptische
apocalypse naar aanleiding van Jezus’ voorspelling
van de verwoesting van den tempel: „wanneer zullen
deze dingen geschieden? En wat is het teeken van uw
paroesie en de voleinding der wereld?“ (Mt.
24 : 3).
Hier blijken tempelondergang, komst van den Messias
en wereldeinde, gelijk in Daniël, bij elkander te
behooren.
Josephus (B.J.
VI 5, 4)
bericht: „wat de Joden tot den krijg tegen Rome moed
gaf, was een oude, in de heilige schriften gevonden
uitspraak, dat om dien tijd iemand uit hun land de
1
Volgens mijn studie
in
„N.T.T.“,
1933,
blz.
237-248:
„Anno Sancto“.
2
Vgl.
H.
Windisch,
„Der Untergang Jerusalems (Anno 70) im Urteil der Christen
und Juden“. Leiden 1914, S. 9: „die Schuld von
Golgotha“; S. 4: „die Antwort Gottes auf das
frevelhafte kreuzige ihn, kreuzige ihn.“
36
wereld zou beheerschen.“ In overeenstemming daarmede
vermeldt Tacitus (Hist. V 13): „velen hadden de
overtuiging, dät oude geschriften van priesters
inhielden, dat juist in dezen tijd het Oosten zich
machtig zou verheffen en menschen uit Judaea zich
van de wereldheerschappij zouden meester maken“
(vgl. ook Suetonius, Vespas. 4). Heeft de Joodsche
hiërarchie dan door de gebeurtenissen van 70 n. C.
haar onvermogen getoond, dan is de tijd rijp voor de
gedachte, dat de ware Messias er al is geweest, en
moet de Joodsche Heilige Schrift daarvoor getuigenis
afleggen. Met de fixeering van keizer
Tiberius’
15de regeeringsjaar voor Jezus’ optreden was dan
meteen het historische milieu gegeven, waarin onder
anderen
Pilatus
en Herodes thuis behooren. Flavius Josephus, stellig
een bron voor
Lucas’
Handelingen, kon tot de historische aankleeding van
het verhaalde onschatbare diensten bewijzen. De
Joodsche profeten hadden reeds den ondergang van het
volk, zijn land, stad en tempel en de verstrooiing
onder de heideren in naam van den Jodengod zelf
voorspeld. De gebeurtenissen van het jaar
70
waren de vervulling van die ongeluksprofetie. Een
Hellenistisch verlichte Jood, die boven den
wraakzuchtigen god van de Wet een hoogeren
liefderijken God had leeren kennen, die door het
conservatieve, orthodoxe Jodendom werd verworpen,
kon licht in de vasthoudendheid aan het
overgeleverde het vergrijp zien aan den Zoon
des Vaders, die als mysteriegod op aarde was
gekomen. Deze moest dan onder de Joden in
Palestina zijn verschenen, niet alleen omdat
Palestina het heilige land was, maar omdat het
„uitverkoren volk“ daardoor in zijn boosheid
openbaar zou worden, en zijn aanspraken op het heil
verliezen, dat nu het ware, geestelijke Israël in
den schoot werd geworpen. Wie den Zoon
Gods, zoo
heet het nog Hebr.
10 : 29,
met voeten heeft getreden en het bondsbloed,
waardoor hij is geheiligd, onrein heeft geacht en
den geest der genade gesmaad, verdient zware straf.
En elders vinden wij in dienzelfden brief een rede
van Christus tot God (10 : 5), bij zijn intrede in
de wereld gehouden, citaat uit Ps. 39 : 7—9 naar de
vertaling van Aquila, Symmachus en Theodotion:
„Slachtoffer en spijsoffer hebt Gij niet gewild,
maar Gij hebt mij een lichaam toebereid.“ Het
O.T. eischt van Christus, dat hij zijn lichaam
offere. Het is gezegd
37
bij zijn menschwording, die samenvalt met zijn
eerste optreden; gelijk bij Marcion komt hij als
volwassene in de wereld. In Hebr.
9 : 25
v. wordt dan de „Theologie
der Einmaligkeit“
voorgedragen
(vgl.
Hebr.
7
: 27; 9 : 12; 10: 10):
Christus offert zich éénmaal, als mysteriegod van de
laatste wereldperiode vóór het einde der dingen.
Door zijn komst is de maat der zonden van Israël vol
gemaakt
(Barn. 5 : 11
v.,
vgl. 4 : 14; 5 : 8; 6:7; 14: 5).
Mozes had het verbond wel gekregen, maar de Joden
waren het niet waardig
(Barn.
14: 4)
en zoo werden de Christenen de erfgenamen (t.a.p.).
Ook het fragmentair overgeleverde Evangelie naar
Petrus geeft de schuld van Jezus’ lijden en sterven
aan de Joden en spreekt van een gericht over
Jeruzalem (vs. 25).
Belangrijk schijnt mij in de Prediking van Petrus,
waarvan Clemens Alexandrinus ons brokstukken leert
kennen, de gelijkstelling van den Heer en Heiland
met Wet en Woord (Nomos en Logos).
Harnack 1
meende, dat deze formule van late herkomst
is. Maar dan toch niet later dan het midden van de
2de eeuw.
In Clemens’ Paedagogus (I 88, 3)
wordt de Zoon de eeuwige gerechtigheid van den Vader
genoemd: deze is neergedaald
tot de menschen „in
letter en lichaam, in het Woord en de Wet.“ Ik
geloof niet, dat hier aan chiasme is te denken,
zoodat letter met Wet en lichaam met Woord zou
correspondeeren. Waarschijnlijker lijkt mij, dat
„het Woord en de Wet“ bijstelling is van „lichaam“.
De letter beteekent dan het O.T., de Wet; terwijl
het lichaam de vervulling der Wet aanduidt, zoodat
wij den Zoon als Logos en Wet, als redelijk
geïnterpreteerde Wet hebben te beschouwen. Wij
herinneren ons daarbij het woord van Justinus den
Martelaar
(Dial. II),
die Christus de nieuwe Wet en het nieuwe Verbond
noemt. Bousset
heeft terecht gedacht aan een directe
aansluiting van de Prediking-plaats bij de
grondbegrippen van de Stoicijnsche wereldbeschouwing2,
waarin Logos en Nomos immers een groote rol speelden
3. De Griek „erkende het gezag der
gemeenschap en van haar regelen op grond van hun
redelijkheid
....
Nomos....
stond voor hem in nauw verband met
1
„Chronologie“, S.
473,
Anm.
1. 2 „Kyrios Christos 2“, Göttingen 1921,
S.
300.
3
Vgl. „Stoicorum veterum
fragmenta“,
ed. Arnim I 162.
38
Logos....
een openbaring van de natuur en van de in haar
levende Rede“ 1.
De aansluiting van de wordende Kerk bij Stoicijnsche
wijsheid blijkt niet alleen overweldigend klaar uit
1
Cor.
13
en Hand.
17 : 16
vv., maar ook uit
Phil. 2: 6
vv. en den brief aan de Hebreen, waar Christus door
lijden volmaakt wordt. Op laatstgenoemde plaatsen is
het heroïsme, de prokopé, het voortschrijden,
de ontwikkeling geleerd, die het oude Gnostieke
Christendom blijkens Rom. 8 : 3, 32 niet kent; de
Christus van het vierde evangelie vertoont evenmin
ontwikkeling. Naar Marcion’s lezing, — stellig
oorspronkelijker dan de kanonieke — leert Gal. 1:1,
dat Christus zichzelf heeft opgewekt, als een
soort mysteriegod.
Uit CouchouD’
s
werk leert men altijd. Wel bevreemdt het mij, dat
hij, ook nadat ik op zijn verzoek voor zijn serie
Christianisme mijn Littérature chrétienne
primitive had geschreven, met de Hollandsche
radicale school onbekend blijkt, met de onechtheid
der Paulina niet rekent en tegenover de Handelingen
heel wat minder critisch staat dan de oude
Tübingers, nu een eeuw geleden. Mijn opvattingen
omtrent de evangeliën, den brief aan de Hebreeën, de
Openbaring, de Ignatiana, in één woord omtrent de
wording van het Christendom tot op Irenaeus, zijn
geheel anders dan die van
Couchoud.
Hij gaat rustig en zelfbewust zijn eigen weg,
zonder afwijkende meeningen te bestrijden en dat kan
ik ook wel weer billijken.
Het meeningsverschil ten opzichte van de Openbaring
tusschen
Couchoud en mij is minder belangrijk dan het
op het eerste gezicht lijkt. Wij zijn het er over
eens, dat het geschrift in zijn kanonieken vorm
overgewerkt is, evenals de Paulina, waarvan
Johannes Weiss
terecht heeft geschreven, dat zij zonder
uitzondering kerkelijk zijn bewerkt.
Couchoud’s hypothese van een dubbele uitgave van de
Openbaring heeft mij echter evenmin overtuigd als
zijn aannemen van invoegsels als bijvoorbeeld 17 :
9-11. Wel heeft Dr G.
Hartdorff
in zijn aan mij gewijd proefschrift gemeend,
dat ik in het
N.T.
overal,
1
Dr D. Loenen, „Basileia“, Amst.,
1950,
blz.
7.
39
waar ik die voor mijn doel noodig heb, interpolaties
aanneem, maar dat berust op misverstand. Want
wanneer ik kortere lezingen van Paulusbrieven
aanbeveel, geschiedt dit slechts op voorgang van
Marcion’s tekst, waarvan ik dan steeds de
oorspronkelijkheid meen te kunnen aantoonen.
Völter’s
mishandeling van de Openbaring heb ik altijd
een afschrikwekkend voorbeeld gevonden. Deze heeft
namelijk kans gezien om in drie binnen eenige jaren
verschenen boeken dit geschrift uit elkaar te
rafelen en de stukjes op hypothetische wijze
driemaal geheel verschillend weer aan elkaar te
lijmen, alsof het een legkaartpuzzle gold, — en dat
telkens met de verzekerheid van iemand, die het
alléén weet.
Niemand zal er aan twijfelen, dat de Openbaring heel
wat Joodsche elementen bevat. Maar niet minder
heidensche, getuigen de studiën van Boll en
Bousset, die aan de eenzijdige literaire critiek op
het boek een einde hebben helpen maken.
Lohmeyer1
spreekt dan ook van een orde, die alle deelen
felijkelijk beheerscht, zoowel formeel als
materieel, zoodat et niet het werk kan zijn van vele
handen op verschillende tijdstippen; deze knappe
commentator heeft principieel gebroken met elke
willekeurige bronnen- en omwerkingshypothese. Het
geschrift is betrekkelijk een eenheid, wat geenszins
buitensluit, dat zijn auteur van allerlei lectuur
afhankelijk is, hetgeen aanstonds duidelijk blijkt
wat het O.T. betreft, vooral de Profeten; zonder het
te zeggen ontleent hij daaraan van allerlei. Zoo ook
aan de apocalyptische traditie, en niet alleen aan
de Joodsche, die trouwens zelf niet tot het
orthodoxe Jodendom van de Synagoge behoort. Hij
citeert het O.T. niet op de wijze van een theoloog
of van een advocaat, die bewijsplaatsen of
argumenten er in zoekt, ook niet in den trant van
een vrome ziel, die bij gemis aan ontwikkeling zijn
toevlucht neemt tot bijbelteksten. Volledig zijn
zijn citaten niet, soms maar enkele woorden, tot een
kunstig mozaïek geschikt. Dermate met den Bijbel
vertrouwd, dat hij zijn werk met bijbelsche
voorstellingen doordrenkt, doet hij dit niet als de
geleerde, die den brief aan de Hebreeën schrijft;
hij gaat volkomen vrij met het gewijde boek als met
literatuur om. Ook zijn bekend-
1
Ernst Lohmeyer, „Die Offenbarung des
Johannes“.
Tüb.
1926,
S.
182. 40
heid met Babylonische, Perzische, Egyptische,
Hellenistische stof wijst op cultuur. In dit opzicht
doet hij denken aan Justinus
Martyr en Clemens Alexandrinus,
werkelijke literatoren, die niet aarzelden klassieke
leeringen in te voeren in hun theologie. Astrale
mythologie, Pythagoreesche getallensymboliek,
Orphische voorstellingen aangaande het hiernamaals,
Perzische eschatologie gaan hier alle samen met
O.Tische profetie en Joodsche Apocalyptiek. Al die
vreemde elementen zijn naar een woord van
Fr. Heiler
versmolten in den gloed „van het Christelijk geloof
aan het einde“
(vgl. 1:3:
de tijd is nabij, en
22: 20:
Kom, Heer Jezus!). De groote, ontelbare schare vóór
Gods troon en het Lam, verzameld uit alle heidenen,
volkeren en talen (14: 6) teekent de bekroning van
den strijd van den Godsstaat met de aardsche of
duivelsche wereld.
Het Joodsche in de Openbaring is niet het echt
oud-Joodsche, maar de vrucht van wat Bruno Bauer
heeft genoemd: de verjoodsching van het Christendom,
de contrarevolutie na het fel anti-Joodsche van zijn
begin. Hierover hebben de Tübingers heel anders
gedacht. Tegenover den pneumatischen,
universalistischen Paulus stelden zij Johannes
Apolypticus, die nog geheel heeft vastgezeten aan
het Jodendom met zijn toornenden God en vreeselijk
gericht, zijn verheerlijking van de werken en
juridisch toegemeten vergelding. De vereenzelviging
van dit Christendom en het Jodendom ging huns
inziens zelfs zóó ver, dat de Vrouw in c. 12 de
Joodsche èn de Christelijke gemeente tegelijk
voorstelt in één persoon. Welnu, hierin bestaat,
naar ik meen, juist het kenmerkende van het
katholiseerende Christendom, waarbij dan de polemiek
tegen tweede-eeuwsche ketters uitmuntend past.
De voornaamste gronden voor mijn van
Couchoud
afwijkend gevoelen omtrent de dateering van
de Openbaring zijn:
1.
Hier komen
Montanistische
denkbeelden voor;
de Montanisten
hebben dan ook van het geschrift dankbaar gebruik
gemaakt.
2.
Hier wordt een Gnosis bestreden, gelijk vooral
Basileides die vertegenwoordigt.
3.
Hier wordt aan rechtzinnigheid gehecht op een
wijze, die men wel in een wordende Kerk, niet aan
den aanvang van het Christendom kan plaatsen.
41
Deze punten ga ik nader toelichten.
Reeds vóór
160
bestonden er in Phrygië
Montanistische
verschijnselen1. Door den Attisdienst was
dit land voorbereid tot het aannemen van een
Christendom
in Montanistischen
geest. Het ascetisch karakter, dat geslachtsverkeer,
vleesch en wijngebruik verbood, was echter een zeer
antiek Christendom van Alexandria, dat later te
Rome, gelijk wij zagen, tot laxere observantie is
verwaterd. Het Montanisme was met andere woorden te
ouderwetsch om rechtzinnig te blijven, toen de
Groote Kerk zich in anderen geest ontwikkelde. Het
kondigde het onmiddellijk ophanden wereldeinde aan
(gelijk Openb. 1: 1), de dingen die spoedig moeten
geschieden (1:3), waarvan de tijd nabij is (22 : 7,
10, 20). Ook in den eisch van maagdelijkheid en
martelaarschap stemmen Montanisme en Openbaring
overeen. Beiderzijds speelt de profetie een groote
rol (10:7; 11 : 18; 16 : 6; 18 : 24; 19 : 10): het
getuigenis aangaande Jezus (het martelaarschap) en
de Geest der profetie zijn centraal. Het zoeken van
den marteldood, afgekeurd in de Groote Kerk, was bij
de Montanisten
plicht. Het witte kleed van de 144000
profeten-asceten-martelaren op den berg Zion, dat is
het hemelsche Zion, in het formeel en materieel als
hoogtepunt van de Openbaring te beschouwen 14de
hoofdstuk (vs. 1—5) is het Opstandingslichaam, dat
God schenkt. Driemaal zeven vizioenen hebben tot dit
hoofdstuk ingeleid
(6 : 1—13 : 18)
en driemaal zeven zullen verder tot het einde leiden
(15 : 1—21: 5).
Ritzema
BOS wees op de enkel mannelijke martelaren in
dit bericht en meende, dat het ascetisme bij
Montanus en zijn onmiddellijke voorloopers zich ook
wel tot de vrouwen heeft uitgestrekt. Dit zou dan,
dunkt mij, juist weer kunnen samenhangen met de
minachting van de vrouw door Rome, waarvoor ik de
N.T.ische bewijsplaatsen niet behoef op te sommen en
die nog in de Middeleeuwen het problematisch deed
vinden of de vrouw eigenlijk wel een ziel had: een
staartje daarvan is nog in de hedendaagsche
uitsluiting van de vrouw van het predikambt in de
Nederlandsch Hervormde Kerk terug te vinden.
1
Vgl. Bonwetsch in „Real-Enzyklopädie“.
3. Aufl. XIII,
S.
419. Henri
Grailot,
„Le Culte de Cybele,’ Mère des Dieux
a Rome“.
Paris
1912,
p.
403.
42
Telken jare vierden de Montanisten hun mysteriën,
waarvan het groote doel was, de verschijning van het
hemelsche Jeruzalem af te wachten — juist datgene,
waarnaar ook de Openbaring uitziet. Montanus’
verbod om tijdens vervolging te vluchten en
zijn aanwakkeren van geestdrift voor het
martelaarschap vormen een scherpe tegenstelling
met Basileides (± 140 ketterhoofd te Alexandria),
die vond, dat geen mensch lijdt zonder het te hebben
verdiend, daar God niet voor onverdiend lijden
mocht worden aansprakelijk gesteld. Of de martelaar
lijdt, omdat hij in aanleg zonden heeft, zooals
onnoozele kinderen die ook hebben; of hij wordt
gestraft voor zonden in een vorig leven. Door den
marteldood zijn zonden te kunnen goedmaken is dan
het bijzonder voorrecht van den uitverkorene
1. Overigens achtte Basileides het geraden,
het martelaarschap te ontgaan; het fanatisme van
den asceet heeft hem stellig ontbroken en de
Montanist moet hem goddeloos lauw hebben gevonden.
De Openbaring spreekt telkens van marturein =
getuigen2, zie 2:13, 3:8. Wordt dan 12:11
de zegepraal der martelaren geschilderd, die door
het bloed des Lams en het woord hunner getuigenis
den duivel hebben overwonnen en hun leven niet
liefgehad, tot zelfs in den dood, — dan is dit juist
het tegendeel van Basileides’ leer, dat het een
onverschillige zaak was, zoo men in tijden van
vervolging klakkeloos het geloof afzwoer; men moest
zijns inziens meegevoelen met de wijzen, maar
meepraten met de alledaagschen (Euseb IV 7, 7). Ook
het proeven van aan de afgoden geofferd vleesch vond
hij iets onverschüligs; onze Openbaring verbiedt dat
(2 : 15, 20). De enthousiaste Apocalypticus, de
„gloeiende“ zeloot (3 : 15 v.), moest zich wel
ergeren aan Gnostieken, die de Opstanding
reeds geschied achtten en dus niets gevoelden voor
dingen, die spoedig zouden geschieden. Hij vond hen
„lauwen“, erger nog dan „kouden“, om hun afkeer van
het martelaarschap. Men leze Tertullianus’
geschriften uit zijn Montanistische periode, tegen
de Gnostieken gericht, vooral de fuga 9: Wie
loochent Christen te zijn, heeft ook Christus
verloochend; 10: De Gnostieken zeggen, dat de
belijdenis pas bij de hemelvaart van
1
Vgl. Cl. Al., Strom. IV 12, 81-83; Epiphanius Haer.
24, 4; Philaster, Haer. 12. 2 Zie
„N.T.T.“ 1927, blz. 23 vv..
43
de ziel
komt en op aarde niet noodig is....
De duivel verzekert, dat ginds beleden moet
worden om over te halen tot verloochening hier;
12:
De Antichrist staat vóór de deur, hij dorst naar
Christenbloed en krijgt verlof van God het geloof op
de proef te stellen. In dit verband verwijst
Tertullianus dan naar de Openbaring, waarin staat
over belooningen, die den overwinnaars in de
vervolging ten deel vallen (c.1).
De Openbaring eischt een martelaarschap, dat in
overeenstemming met het Evangelie is, evenals het
Martyrium Polycarpi
en de Ignatiana dat eischen; zij kant zich tegen
overdreven martelaarszucht, een spoedig gedoofd
stroovuurtje, dat licht tot afval kan leiden.
Kerkelijk goedgekeurd martelaarschap, — dat is het
ideaal. Oe pseudos, geen bedrog of leugen
moet de martelaar bezitten, dat wil zeggen zijn
gezindheid moet die van een rechtzinnig geloovige
zijn. Allo
1 heeft goed gezien, dat er 15 : 4
sprake is van de preciesheid en zuiverheid van zijn
geloofsbelijdenis, „tegengesteld aan alle kettersch
compromis.“ De leugen staat tegenover de
godsdienstige waarheid, den dienst van valsche
goden, de ketterij, den formeelen of practischen
afval. Ook Sickenberger 2 vat het begrip pseudos aldus
op, als hij in
2
: 2
de mannen, die zich apostelen noemen en het niet
zijn, kettersch bevonden acht. In zijn geschrift
Contra Gnosticos scorpiace (= geneesmiddel tegen den
slangenbeet) teekent Tertullianus de Gnostieken als
de tegenwerkers van het martelaarschap. Zij beginnen
met tegen Christenen, die al beangst zijn om het lot
van de martelaren, te zeggen: „Moeten onschuldigen
deze dingen lijden?“ Wie dat hooren, denken dat het
een broeder is of een van de besten onder de
heidenen. Daarop voegen die Gnostieken er aan toe:
dat
menschen
omkomen is zonder reden. Dat is hun eerste steek.
Daarna dooden zij verder: .. . .het is geen eenvoud
maar ijdelheid, ja waanzin, voor God te sterven. En
wie moet mij zalig maken, als Hij doodt, die mij
zaligmaken moet? Éénmaal is Christus voor ons
gestorven, éénmaal gedood, opdat wij niet
zouden gedood worden. Als hij wederdienst verlangt,
verwacht hij dan ook behoud van
mijn dood? In c. 5 betoogt Tertullianus,
1
„Saint Jean, l’Apocalypse“. Parijs 1921, p. 197,
325. 2 „Erklärung der
Johannesapokalypse“.
Bonn, 1940,
S.
49.
44
dat het martelaarschap behoort bij denzelfden God,
die de afgoderij straft.
Basileides doet aan tooverij, die een andere soort
van afgoderij is; magie is in wezen fallacia
=
pseudos
(Tertullianus, de anima
57; vgl. Iren. I 24, 5).
Hij kon door
too
verformules beelden bezielen, wat treffend
overeenstemt met Openb.
13 : 15.
Bij zijn pantheïstisch getinte wereldbeschouwing
behoorde, dat men niets moest haten.
De Openbaring haat zonder eenig bezwaar: de werken
van den ketter
(2 : 6, 15),
de Groote Hoer
(17 : 16).
Was Basileides tegen geforceerde ascese en vond hij,
dat theatrale asceten zich slechts beheerschten om
daarvoor te worden geprezen, en zegt Irenaeus
(I 24, 5),
dat de Basileidianen door ontucht en afgodenoffers
gekenmerkt worden,
—
dan heeft het Openbaringsboek stellig antignostieke
strekking.
Onze onvolmaakte wereld kon volgens de Gnostieken
onmogelijk door den allerhoogsten God zijn
geschapen, doch was het werk van den Demioerg. De
R.K. Kerk zou haar Apostolische belijdenis met deze
woorden beginnen: „Ik geloof in God, den Vader, den
Almachtige, Schepper van hemel en aarde.“ Ook de
Openbaring katholiseert door op
Gods
scheppende werkzaamheid den vollen nadruk te leggen
(4 : 11; 10 : 6; 11: 15, 17; 14 :7).
De heerschappij over de wereld was aan Satan,
respectievelijk den Demioerg, tot het getal der
martelaren vol is geworden
(6 : 11).
Bij de schildering van een hemelsch huldebetoon aan
God bevreemdt het ons, dat in het hemellied te
Zijner eere de eenige grond voor dit eerbetoon in
Zijn scheppende werkzaamheid wordt gezocht en deze
in een paar regels tot driemaal toe wordt vermeld
(4: 11).
Ook treft ons de polemiek tegen Gnostieke vereering
van engelen
(19 : 10; vgl.
Col.
2
: 18;
Hebr.
1-2,
Judas
6, 2
Pe.
2
: 4, 11).
Basileides zei van den Allerhoogste, dat deze
niet is. Wij begrijpen zijn bedoeling. Het
lagere begrip van zijn, beperkt zijn, past
niet bij Hem. Daartegenover zegt Openb.
1 : 4 (vgl. 1:8):
„Die is en Die was en Die komt.“ Geheel in den geest
van Irenaeus, die in zijn Epideixis (c.
99)
betoogt, dat God Souverein is en alles uit Hem zijn
oorsprong neemt. „Men moet God den Vader niet voor
een ander wezen houden dan den Schepper, zooals de
ketters dat doen. Die versmaden God als den Zijnde
en maken het nietzijnde tot afgod.“ Schepper
45
of Jodengod is de Zijnde, leert het realisme van de
wordende Kerk tegenover het idealisme der
Gnostieken, die, zooals het heet, „een Vader
scheppen, die boven onzen Schepper verheven is.“
Terwijl de Gnosis allen historischen samenhang en
eenheid in de ontwikkeling en leiding van het
menschdom loochent, gebruikt Irenaeus de
Godsopenbaring in O. en N.T. als wapen tegen
Gnostieken hoogmoed en tracht aldus een algemeen
erkend gezag als dam tegen haar op te werpen}.
Dat realisme van de Christengemeente te Rome was
typisch Romeinsch2
AllaRd Pierson
3 noemde het Roomsch-Katholicisme
„een richting, die, gedreven door een overwegend
praktischen geest en toegerust met een
menschenkennis van niet altijd even verheven allooi,
zich noch uit een leerstellig, noch uit een
kerkelijk oogpunt aan de eischen of der strenge
logica, of der strenge zede wet veel gelegen laat
liggen, maar integendeel zooveel van die eischen
vasthoudt of vallen laat, als noodig is om de
menschen, gelijk zij in doorsnede zijn, niet van de
Christelijke godsdienst te vervreemden.“ Het
realisme van den Romeinschen geest komt reeds uit in
de organisatie, eenheid, concentratie, hiërarchie,
neiging tot het practische antipathie tegen het
speculatieve. Ook het Jodendom toont verwantschap
met dezen geest, gelijk met dien van de Stoa, die de
Romeinsche philosofie van den tijd der Keizers is
geweest. De Joodsche geleerde
Isaac Heinemann,
kenner van Jodendom en Romeinsche wereld als
weinigen, verklaart:
„Dem Juden wie dem Römer ist die Satzung die
Grundlage des Daseins“4 en de
antisemiet
Schmökel ziet
in de
nog heden ten dage typisch juridische denkwijze van
de Joden een erfenis van oude tijden5. De
Romein achtte zich geroepen tot heerscher over de
wereld, de Jood tot priester over de wereld 6.
Zoo kon dan juist de Joodsch beïnvloede Romeinsche
geest de priesterlijke wereldheerschappij of het
wereldbeheerschende priesterschap van de Heilige
Roomsch-Katholieke Kerk doen ontstaan.
1
Adv. haer. III, 2, 1. 2 Zie deze
„Studiën“ IX, blz. 3-28; „N.T.T.“ 1936, blz.
123—128. 3 „Geschiedenis van het Roomsch
Katholicisme, Haarlem
I
24
v.. 4
„Die Griechische Weltanschauungslehre“,
Berlijn
1932,
S.
16. 5 Hartmut
Schmökel.
„Altes
Testament
und heutiges Judentum“. Tübingen, 1936, S. 14. 6
Heinemann, a.a.O., S. 34.
46
De
godsdienstige waarheid van
de
oude Gnosis
is door
Roomsche clericale diplomatie gehistoriseerd, omdat
de gemoedsbehoeften van een breeden kring niet met
louter bespiegeling worden bevredigd. Een
aanschouwelijk verhaal van zoogenaamde feiten is
het beste propagandamiddel. Maar ook afgezien
daarvan was het historiseerend geloof toch een
vooruitgang, vergeleken met het ahistorisch,
bovenwereldlijk en boventijdelijk geloof aan een
hemelschen Christus. Slechts gefixeerd in ruimte en
tijd liep de evangelische waarheid geen gevaar in
abstracte fantazieën te verloopen. In zijn
intreerede als hoogleeraar te Amsterdam heeft mijn
sedert door barbaren vermoorde sympathieke collega
Palache
1 gezegd, dat in de oudheid het
verhaal niet wordt vertéld, omdat het gebeurd
is, maar omgekeerd, doordat het verteld wordt, wordt
het tot een realiteit. Om de concrete voorstelling
is het bij het verhaal te doen en daartoe put de
maker uit de vrije fantazie en is niet aan
realiteit, noch aan historische traditie gebonden;
eerst in het geloof van het nageslacht wordt het
verhaal tot traditie en historie.
In een tijd, toen de daden en het lijden van
Hercules al gedramatiseerd waren, behoefde de
verschijning van een god op aarde in menschelijke
gedaante geen bevreemding te wekken. Justinus kan de
verhalen aangaande Jezus met die over Grieksche en
Romeinsche goden vergelijken (Apol.
I
21);
of die goden bestaan hadden maakte geen punt van
kwestie uit. Maar een historicus van het jaar 1952
zal niet licht uit het op Creta vertoonde graf van
Zeus tot een geschiedkundige persoon Zeus besluiten.
Dat men Christus in de geschiedenis van het
verleden plaatste, was niet, omdat iemand hem
gekend had of overleveringen omtrent hem bezat,
—
het was het resultaat van een Christologische
beschouwing. Het protest, dat de Apostolische
Geloofsbelijdenis tegen het Docetisme laat hooren,
is dogmatisch en mag niet als historisch worden
geïnterpreteerd. De docetische positie moet wel héél
sterk zijn geweest, als een Ignatius (ad Trail. 9)
schrijft: „Weest doof als iemand tot u spreekt
buiten Jezus Christus om, die uit het geslacht van
David is, uit Maria, die werkelijk werd geboren,
heeft gegeten
1 „Het
karakter van het Oud-Testamentische verhaal“,
1925,
blz.
20
w..
47
en gedronken, onder Pontius Pilatus werkelijk is
vervolgd, werkelijk gekruisigd en gestorven ten
aanschouwen van het hemelsche, aardsche en
onderaardsche, die ook werkelijk uit de dooden is
opgewekt, daar zijn Vader hem heeft opgewekt;
dienovereenkomstig zal Hij ook ons, die in Hem
gelooven, zóó opwekken.“ Men ziet, aan de
vleeschelijke opstanding is den Antidoceet, die even
later de Doceten ongeloovigen en atheïsten noemt,
alles gelegen. Jezus is oorspronkelijk een aspect
van God, diens Liefde, ervaren, verpersoonlijkt en
gedramatiseerd door de Kerk. Dit ideaal van liefde
is de innerlijke wet van het sterven om te leven
1.
Er bestaat verwantschap tusschen Apocalyptiek en
mysteriedenkbeelden. Verkrijgt men volgens de
mysteriën reeds op aarde het heil door sacramenteele
vereeniging met den God-Heiland en volkomen na den
dood door onsterfelijkheid van de ziel; in de
Apocalyptiek wordt het heil door de opstanding des
vleeches na den dood verkregen. Het Christendom van
de Groote Kerk zal die beide voorstellingen
verbinden. Zijn voorgangster, de Christelijke
Gnostiek, was anti-vleeschelijk, ascetisch. Zoo het
bovenvermelde evangelie naar de Egyptenaren, dat men
in de eerste helft der 2de eeuw geschreven acht; het
onderscheid der geslachten geldt er voor noodlottig.
De hemelsche Mensch der Gnostiek wordt dan ook
mannelijk en vrouwelijk tegelijk gedacht, wat
eigenlijk beteekent: ongeslachtelijk, — dit ook bij
Philo. De evangelische Jezus blijft levenslang
ongehuwd en is volgens het Evangelie der Egyptenaren
juist gekomen om een einde te maken aan ontstaan en
vergaan, die uit begeerte ontspringen. Met huwelijk
en geboorte moet het uit zijn en de geestelijke
mensch door geslachteloosheid ontkomen aan het
natuurlijke en zielige. Het ascetische,
armoede-verheerlijkende in onze evangeliën, speciaal
in Lucas,
vormt daarvan nog een rest
(6 : 24
v.;
12 : 16
vv.;
12 : 33).
Bij
Paulus
vindt men eveneens sporen (R.
8
: 13).
In C.
7:1
vv. is de ascetische eisch terwille van de practijk
van het leven verzacht, maar staat als ideaal toch
op den achtergrond
(vs. 29
en
40)
2.
Het is een geest van ascetisme, die den Schepper een
ander
1
Heel goed schreef
Gilbert T. Sadler
hierover in menig belangrijk geschrift, onder
andere
in „The Origin and Meaning of Christianity“.
2 Vgl.
deze „Studiën“,
II
blz.
52
v..
48
wezen acht dan den hoogsten God en zich ter eere van
den laatste aan de werken van den eerste onttrekt;
vgl. het Jezuswoord Mt. 19 : 12, door Origenes naar
de letter in practijk gebracht, wat op een juiste
tekstverklaring berustte en geheel past bij de
Oostersche ascetische Gnostiek. In ons N.T. is dit
alles over het geheel verzacht, gemitigeerd; bij
Marcion zien wij dit
origineel-Christelijk-ascetische en antijoodsche nog
in zijn volle kracht. In minder gematigde en
met weelderiger fantazie bedeelde geesten dan
Marcion, liep het Gnostieke dualisme van
Lichtrijk en Wereld, de sfeer Gods en de sfeer van
den Wereldschepper, ten slotte uit op de
voorstelling van een luchtruim, gevuld met allerlei
andere goddelijke krachten, aeonen, die als
ondergoden tusschen hemel en aarde heerschten.
Daarin schuilde het gevaar van paganiseering van het
Christendom en dit wilden de Roomsche
geestelijke leiders afwenden. Tegelijk bedoelden
zij de Kerk katholiek te maken; zij mocht geen
secte of kring van ingewijden zijn zooals de
Gnostieke conventikels. Was Gnosis een hoogere
kennis voor betrekkelijk weinigen, het
Christendom moest een godsdienst voor
alle menschen
zijn. Daarom zette de katholiseerende Kerk zich over
alle bezwaren tegen het Jodendom heen en zocht
nauwere aansluiting niet bij de Joden, maar bij hun
Heilige Schrift, die destijds in Grieksche vertaling
ook bij vele heidenen aanzien genoot. Het
Christusdrama, dat zich aan het einde der tijden
afspeelt, is met het begin van de
wereldgeschiedenis verbonden door de geheele
historie van een uitverkoren volk; die historie gold
als voorafschaduwing van wat met Christus zou
komen. Uitdrukkelijk leert ons dit de Prediking van
Petrus, waarvan Clemens Alexandrinus (Strom. VI 128,
1) onder andere dit fragment heeft bewaard: „Wij
hebben de Schriften opgeslagen, die wij van de
Profeten bezitten (= het O.T.), die deels in
gelijkenissen, deels in raadselachtige
bewoordingen, deels heel duidelijk en
letterlijk den Christus Jezus noemen (vgl. Hand.
9 : 22; Justinus, Apol. I 46); daar hebben wij
zoowel diens paroesie gevonden als ook zijn dood,
zijn kruis en alle andere hem door de Joden
aangedane martelingen; ook zijn opstanding en
verheffing ten hemel vóór het gericht over
Jeruzalem, gelijk dat alles was opgeteekend, wat hij
moest lijden en wat na hem zal zijn. Wij zagen in,
dat God
49
dit werkelijk had verordineerd en daarom beweren wij
niets zonder de Schrift.“ Waaraan Marcion dan niet
heeft meegedaan, die het O.T. niet allegorisch
verklaarde, zooals de Groote Kerk, maar letterlijk.
Volgens hem heeft Christus niets anders gedaan dan
de menschen
verlossen van de wereld en haar god, den Scheppergod
van de Joden. Van talrijke aeonenparen, van
fantastische verhalen over den val der Sophia en de
daardoor veroorzaakte wereldschepping vinden wij
bij Marcion evenmin iets. Gaat de Romeinsche
Gemeente zich verzetten tegen de extreme Gnostiek
uit vrees voor terugval in het heidendom en zoekt
zij daarbij den steun van het O.T., dan wordt
Marcion’s veel minder gecompliceerde Gnosis meteen
kettersch, ofschoon zij het origineele Christendom
nader stond. De Roomsche Gemeente gaat den Schepper
en Heer der natuur vereenzelvigen met den Vader van
Jezus Christus (Hebr.
1:1).
Door deze Godsopvatting werd het afglijden naar een
ongewenschten kring van voorstellingen belemmerd en
het verband tusschen schepping en verlossing
bewaard, al laat menige Christelijke tekst buiten en
binnen het
N.T.
nog den Gnostieken achtergrond doorschemeren, die
het Gnostieke of theosofisch-bespiegelende Oudste
Evangelie moet geweest zijn. Zulke teksten zijn te
welsprekender, omdat zij ondanks hun ketterij toch
in de kerkelijk-goedgekeurde Schrift zijn blijven
staan, blijkbaar door de orthodoxe censuur over het
hoofd gezien. Heet de Zoon des Menschen (uit den
hemel) gekomen om zijn leven te geven als
losprijs voor velen, dan rijst de vraag: aan
wien werd deze losprijs betaald (Mt. 20 : 28)?
Het eenig mogelijke antwoord luidt: aan den Overste
dezer wereld, onder wien
de menschen
slaaf waren; van hem worden zij losgekocht. Een
Paulijnsch denkbeeld! God heeft Christus voor ons
overgegeven (R. 8 : 32), namelijk aan de lagere, in
deze wereld heerschende machten: den Demioerg met
diens trawanten (vgl. nog R. 8 : 3 een docetische
Christusbeschouwing, en 1 C. 2 : 8; R. 4 : 24 enz.)
\
Door de Roomsche kerkpolitiek van de tweede eeuw
sleept de Christen van onzen tijd nog altijd heel
wat mee, dat als
1
Vlg. mijn „De oudste Christelijke geschriften“, Den
Haag
1946,
blz.
13-16.
50
voorchristelijk en als beneden het niveau van het
Christendom eigenlijk moest worden weggeworpen,
waartoe dan volgens een niet bepaald ultra-linksch
theoloog 1 ook.. . Jahwe behoort,
dien de Christelijke gemeente niet aanbiddend
prijzen kan, inzoover diens naam hem reeds van
andere goden onderscheidt en deze andere goden dus
vooronderstelt. De geschiedbeschouwing van Israël,
die de historie van Jahwe’s uitverkoren volk in het
raam van de wereldgeschiedenis zet, met de schepping
begint en den eindtijd laat samenvallen met Israel’s
verheerlijking, was intusschen maar zeer bruikbaar
voor het kerkelijk wordend Christendom in Rome,
dat, bij alle verachting voor de Joden, hun heilige
Schrift zich toeëigende en zichzelf beschouwde als
den erfgenaam van de door de Joden verbeurde
beloften. Inderdaad hebben wij hier een faze in de
ontwikkeling van den godsdienst, die meer dan de
Gnostieke stelsels met hun mythologische overlading
naar historie uitgaat; maar die historie is niet wat
wij nu onder historie verstaan. Men wilde de
abstracte idee concreet hebben, als immanente
drijvende kracht van de werkelijkheid. Maar het was
gewild, opzettelijk, tendentieus, geen
geschiedenis, doch kerkelijk vastgestelde
heilsgeschiedenis. Met wat nu als wereldgeschiedenis
geldt had het niet meer te maken dan vraag en
antwoord uit den Heidelbergschen catechismus (vraag
19): „Waaruit weet gij, dat onze Heere Jezus
Christus ons tot een volkomene verlossing
geschonken is? — Uit het heilig Evangelie, hetwelk
God zelf eerstelijk in het Paradijs heeft
geopenbaard en daarna door de heilige Patriarchen
en Profeten laten verkondigen en door de offeranden
en ceremoniën der Wet laten voorbeelden en ten
laatste door Zijnen eeniggeboren Zoon vervuld“2.
Voor Roomsch-Katholieke en Orthodox Protestantsche
kerken is een positieve beantwoording van de vraag:
heeft Jezus geleefd? een levenskwestie. Het
Vrijzinnig Protestantisme emancipeere zich van
sentimenteele heldenvereering evenzeer als van
supranaturalistische geloofsvoorstellingen en
toonezijn
1
J.
Meinhold
(Bonn) in de „Theol. Literaturzeitung“, 1937,
nr.
4,
Sp.
69.
vlg. C. J. Bleeker, „Inleiding tot een
Phaenomennologie van den Godsdienst.“ Assen
1934,
blz.
42. Fr. Heiler, „Das
Gebet“.
München 1921. 3. Aufl., S. 263
ff..
51
vroomheid juist door de geschiedenis tot haar recht
te laten komen en waarheid boven traditie te
stellen. De waarheid van den godsdienst is de
godsdienst van de waarheid: een religie, die alle
critiek op het overgeleverde laat gelden,
zelfbewust, omdat zij zich tot wijsheid heeft
verheven.
|